GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 22/1778 en 22/1786 Uitspraak op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, en op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 september 2022, nummer BRE 20/10147, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2016 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar (deels) gegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep (deels) gegrond verklaard. 1.4. De inspecteur heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 22/1778. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft eveneens hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 22/1786. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend in beide procedures. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur. 1.7. De zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden. 2Feiten 2.1. Vanaf 2 december 1998 is belanghebbende enig aandeelhouder en bestuurder van [holding BV] (hierna: de holding). Via de holding is belanghebbende middellijk aandeelhouder en bestuurder van [A BV] en [B BV] 2.2. Belanghebbende en zijn partner wonen sinds 19 december 2016 in een woning gelegen [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). Zij zijn ieder voor 50% eigenaar van de woning. Zij hebben de woning op [datum] 2016 gekocht. 2.3. Voorafgaande aan de koop van de woning is een vergunning aangevraagd en verleend voor de bouw van een ondergronds garage annex showroom (hierna: de garage) met een oppervlakte van ongeveer 400 m2. De garage beschikt over onder meer een eigen ingang en is van buitenaf bereikbaar via een eigen lift. De bouwkosten van de garage van in totaal € 342.598,16 exclusief omzetbelasting, zijn betaald door de holding. De bouwvergunning is door de holding aangevraagd en de aanneemovereenkomst is door de holding afgesloten. In 2016 heeft de holding tevens inrichtingskosten betaald. 2.4. Op 4 januari 2018 is een huurcontract ondertekend tussen belanghebbende als verhuurder en de in 2.1 genoemde vennootschappen als huurder. De ingangsdatum van de huurovereenkomst is 1 januari 2017. 2.5. De activiteiten van de holding bestaan uit de in- en verkoop van en de bemiddeling bij zeer exclusieve auto’s. De holding beschikt over een collectie auto’s en motoren. Op de balans staan diverse auto’s waarin onderscheid is gemaakt in auto’s voor de verkoop, show auto’s en circuit auto’s, waarmee enkel op diverse circuits wordt gereden. Voor de realisatie van de garage huurde de holding elders ruimte voor het stallen van auto’s. Bij verkoop van de auto’s gestald in de elders gehuurde ruimte was de holding commissie verschuldigd aan de verhuurder. Na realisatie van de garage zijn de auto’s van de holding in de garage gestald. 2.6. Belanghebbende heeft voor het jaar 2016 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 33.129. De inspecteur heeft de definitieve aanslag IB/PVV 2016 overeenkomstig de aangifte van belanghebbende vastgesteld. 2.7. Bij brief van 28 oktober 2016 heeft de inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd bij de in 2.1 genoemde vennootschappen. De uitkomsten van het onderzoek bij de holding zijn neergelegd in concept controlerapporten van 2 november 2017 en 23 april 2018 en het definitieve rapport van 4 september 2019. De uitkomsten van het onderzoek bij belanghebbende zijn afzonderlijk gerapporteerd en neergelegd in een controlerapport van 4 september 2019. 2.8. De onderhavige navorderingsaanslag is opgelegd naar aanleiding van de bevindingen tijdens het boekenonderzoek en is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 105.819 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 339.180, daarmee resulterend in een vastgesteld verzamelinkomen van € 444.999. Daarbij is een bedrag van € 12.240 aan belastingrente in rekening gebracht, berekend over de periode vanaf 1 juli 2017 tot en met 31 december 2019. 2.9. Het bij de navorderingsaanslag vastgestelde belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang bestaat uit een drietal als reguliere voordelen aangemerkte correcties, te weten: de bouwkosten van de garage € 309.576 de inrichtingskosten van privé-werkkamer € 25.478 de uitgaven in verband met de activiteiten op racecircuits € 4.126 € 339.180 2.10. Na bezwaar heeft de inspecteur het belastbare inkomen uit werk en woning verminderd tot € 43.512, de belastingrente dienovereenkomstig verminderd en de overige elementen van de navorderingsaanslag gehandhaafd. Voormeld belastbaar inkomen uit werk en woning bestaat uit het aangegeven bedrag van € 33.129 (zie 2.6) plus een correctie van € 10.383 aan inkomen uit terbeschikkingstelling. De inspecteur heeft aan belanghebbende een forfaitaire vergoeding toegekend voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase. 2.11. Partijen zijn op de zitting bij de rechtbank overeengekomen dat het inkomen uit de terbeschikkingstelling € 5.000 bedraagt. Van de in 2.9 vermelde uitdelingen heeft de rechtbank alleen de uitdeling in verband met de uitgaven in verband met de activiteiten op racecircuits van € 4.126 in stand gelaten. De rechtbank heeft in verband hiermee de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.129 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 4.126 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente. Verder heeft de rechtbank de inspecteur veroordeeld tot het betalen van de volgende vergoedingen aan belanghebbende: € 1.000 aan immateriële schade, € 2.056 aan proceskosten en € 49 aan griffierecht. Het verzoek van belanghebbende om vergoeding van materiële schade heeft de rechtbank afgewezen. 2.12. De uitspraak van de rechtbank beslaat negen pagina’s. De in 2.11 weergegeven beslissing van de rechtbank (het dictum) staat op pagina acht. Op die pagina is verder onder meer vermeld dat de uitspraak op 15 september 2022 openbaar is gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl en is na de tekst: “Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:” datumstempel 22 september 2022 geplaatst. Pagina acht eindigt met het kopje ‘Rechtsmiddel’. Pagina negen bevat de rechtsmiddelclausule. 2.13. De inspecteur heeft op 25 oktober 2022 een ongemotiveerd hogerberoepschrift ingediend, in het betreffende stuk ook aangeduid als ‘Proforma beroepschrift in hoger beroep’. Een afschrift van de bestreden uitspraak was niet bijgevoegd. In het pro forma hogerberoepschrift is volstaan met de vermelding van de naam van de rechtbank, de uitspraakdatum en het kenmerk bij de rechtbank. De griffier heeft het ontbreken van een motivering en van een afschrift van de bestreden uitspraak aangemerkt als verzuimen en de inspecteur bij brieven van 18 november 2022, 19 december 2022, 10 maart 2023 en 3 april 2023 gelegenheid gegeven deze verzuimen te herstellen. In de laatste brief is de termijn verlengd ‘tot uiterlijk 1 mei 2023’. De betreffende brief bevat de waarschuwing dat indien de verzuimen niet tijdig worden hersteld, het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. De inspecteur heeft de gronden van zijn hoger beroep ingediend op (maandag) 1 mei 2023. Op die dag heeft de inspecteur eveneens een verweerschrift ingediend in het hoger beroep van belanghebbende. Voor het indienen van het verweerschrift had de griffier de termijn eveneens verlengd tot 1 mei 2023. De termijnverlengingen tot 1 mei 2023 zijn een reactie op de brief van de inspecteur van 31 maart 2023 waarin voor beide zaaknummers is verzocht uitstel te verlenen ‘tot en met 30 april 2023’. 3Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: Is het hoger beroep van de inspecteur ontvankelijk? Zo ja, heeft de inspecteur het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang tot een juist bedrag vastgesteld? Moet het verweerschrift in hoger beroep van de inspecteur buiten aanmerking blijven wegens onverschoonbare termijnoverschrijding? Moet het tijdvak waarover belastingrente is verschuldigd, worden beperkt tot 2 februari 2018? Heeft belanghebbende recht op een hogere vergoeding van immateriële schade? Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van materiële schade, waaronder vergoeding van zijn werkelijke proceskosten? 3.2. Belanghebbende concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van de inspecteur en ten aanzien van zijn eigen hoger beroep tot beperking van het tijdvak waarover belastingrente wordt berekend tot 2 februari 2018, tot verhoging van de immateriëleschadevergoeding naar € 25.000 en tot toekenning van een vergoeding van de daadwerkelijk geleden materiële schade, met een nader op te maken schadestaat. 3.3. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over de vergoeding van immateriële schade, de proceskosten en het griffierecht, tot handhaving van de navorderingsaanslag en de beschikking belastingrente zoals deze luiden na vermindering bij uitspraak op bezwaar en tot afwijzing van de door belanghebbende verzochte vergoedingen. 4Gronden Ten aanzien van het geschil Vraag 1 (Ontvankelijkheid hoger beroep inspecteur) 4.1. Hoger beroep moet worden ingesteld binnen zes weken na de datum van bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft schriftelijk uitspraak gedaan. Bekendmaking van een dergelijke uitspraak geschiedt door het op correcte wijze ter beschikking stellen van de schriftelijke uitspraak aan de betrokken partij. De omstandigheid dat een uitspraak van de rechtbank niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, leidt ertoe dat de hoger beroepstermijn pas aanvangt op de dag van de ontvangst van de uitspraak of van een afschrift daarvan door de betrokken partij. Aan het ter beschikking stellen van de uitspraak moet het in het openbaar uitspreken van de beslissing vooraf gaan. Dat is hier gebeurd door de uitspraak te publiceren op www.rechtspraak.nl, hetgeen een toelaatbare wijze van openbaarmaking is. 4.2. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de inspecteur heeft het hof in het bijzonder de volgende beslispunten onderscheiden waarop hierna zal worden ingegaan: wanneer vangt de termijn aan indien geen volledig exemplaar van de rechtbankuitspraak is verstrekt? (4.3-4.6) bestaat er grond voor niet-ontvankelijkverklaring doordat ondanks verzoek van de griffier daartoe, geen afschrift van de bestreden uitspraak is overgelegd? (4.7) welk effect heeft onvolledigheid van de bestreden uitspraak op de motiveringseis? (4.8-4.9), wordt de door de griffier gestelde termijn voor het herstellen van verzuimen op grond van de Algemene termijnenwet (hierna: Atw) verlengd? (4.10-4.11). 4.3. In de motivering van het hoger beroepschrift heeft de inspecteur opgemerkt dat er geen volledig afschrift van de bestreden uitspraak in zijn dossier zit en dat hij via de publicatie van de uitspraak op www.rechtspraak.nl kennis heeft genomen van de inhoud van de rechtbankuitspraak. De inspecteur heeft daarbij aangevoerd dat de even pagina’s ontbreken bij het op 22 september 2022 door de rechtbank verstrekte afschrift, dat dit ook het geval is bij het exemplaar dat belanghebbende heeft ingediend bij diens hoger beroep, dat de rechtbank op 12 oktober 2022 in reactie op het verzoek van de inspecteur om een nieuwe uitspraak toe te zenden, opnieuw een onvolledig exemplaar heeft verstrekt en dat het hof geen gevolg heeft gegeven aan het bij brief van 31 maart 2023 door de inspecteur gedane verzoek om een compleet afschrift van de uitspraak van de rechtbank aan hem toe te zenden. 4.4. Alvorens te oordelen over de gevolgen van incompleetheid van de door de inspecteur verkregen rechtbankuitspraak voor de aanvang van de hogerberoepstermijn, zal het hof eerst ingaan op hetgeen de inspecteur heeft gesteld over die incompleetheid. Het exemplaar van de rechtbankuitspraak dat het hof van belanghebbende heeft ontvangen in het kader van zijn hoger beroep lijdt niet aan het door de inspecteur gesignaleerde euvel. De door belanghebbende ingediende bestreden uitspraak omvat namelijk alle negen pagina’s en dus niet uitsluitend de oneven pagina’s. Voor het op 22 september 2022 door de rechtbank aan de inspecteur verstrekte exemplaar verwijst de inspecteur naar Bijlage 46, welke bijlage is gevoegd bij zijn verweerschrift in hoger beroep. Die bijlage omvat de toezendbrief van de rechtbank aan de inspecteur en de pagina’s een en zes tot en met negen van de rechtbankuitspraak, dus ook de pagina’s met de beslissing van de rechtbank, de aanduiding van de website waarop de uitspraak is gepubliceerd en de rechtsmiddelverwijzing (zie 2.12) en daarmee niet uitsluitend de oneven pagina’s zoals de inspecteur aangeeft. In de brief van 31 maart 2023 die is gericht aan “Rechtshof ’s Hertogenbosch, t.a.v. administratie belastingkamer” vermeldt de inspecteur dat bij het bestuderen van de stukken hem is opgevallen dat een volledig afschrift van de uitspraak van de rechtbank in het dossier ontbreekt en dat de aanwezige stukken alleen de oneven pagina’s van de uitspraak betreffen. Dat er een reactie is gegeven op de in die brief opgenomen vraag of het hof een compleet afschrift van de uitspraak aan de inspecteur kan toezenden, kan het hof niet vaststellen. 4.5. De bestreden uitspraak is blijkens die uitspraak aan de inspecteur bekendgemaakt door verzending op 22 september 2022 (zie 2.12), hetgeen steun vindt in de toezendbrief van diezelfde datum (Bijlage 46 bij het verweerschrift in hoger beroep). Ervan uitgaande dat toen de termijn voor het instellen van hoger beroep is gaan lopen, is de termijn op 3 november 2022 geëindigd. Gelet op de datum waarop de inspecteur hoger beroep heeft ingesteld – 25 oktober 2022 (zie 2.13) – is het hoger beroep van de inspecteur tijdig ingesteld. Weliswaar betreft het een ongemotiveerd hoger beroep en is de bestreden uitspraak niet bijgevoegd, maar bij de beoordeling van de tijdigheid van het hoger beroep is niet van belang of aan het hogerberoepschrift een verzuim kleeft. 4.6. Het hof ziet geen aanleiding uit te gaan van een latere aanvangs- en daarmee latere einddatum van de hogerberoepstermijn. Dat de rechtbank zoals de inspecteur stelt, op 22 september 2022 aan hem een onvolledig exemplaar van de uitspraak heeft verzonden, heeft het tijdig instellen van hoger beroep door de inspecteur niet in de weg gestaan. Hierdoor is met de verzending van de bestreden uitspraak op 22 september 2022 aan de strekking van de regels over bekendmaking van een rechterlijke uitspraak voldaan. De inspecteur had in de beweerdelijke onvolledigheid van de aan hem verstrekte uitspraak aanleiding kunnen vinden hierover een hogerberoepsgrond aan te voeren. Daarnaast heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat de pagina’s die de rechtbank toen aan hem heeft verstrekt, de pagina’s een en zes tot en met negen van de rechtbankuitspraak betreffen. Met de aldus verkregen stukken konden de ontbrekende pagina’s twee tot en met vijf zonder noemenswaardige inspanningen worden gevonden en geraadpleegd via de in die stukken genoemde website waarop de integrale versie van de rechtbankuitspraak te vinden is, hetgeen de inspecteur ook uiteindelijk heeft gedaan. Ook dit maakt dat op 22 september 2022 aan de strekking van de regels over bekendmaking van de rechtbankuitspraak, is voldaan. 4.7. In de omstandigheid dat de inspecteur niet voor het einde van de laatstelijk gestelde termijn een afschrift van de bestreden uitspraak heeft overgelegd, ziet het hof geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van de inspecteur. De in artikel 6:5, lid 2, Awb neergelegde verplichting tot overlegging van een afschrift van de bestreden uitspraak is niet absoluut, maar eist slechts dat “zo mogelijk” een afschrift van het bestreden besluit wordt overgelegd. In het hogerberoepschrift heeft de inspecteur de uitspraak omschreven waartegen zijn hoger beroep is gericht. Die omschrijving bevat voldoende gegevens om zonder noemenswaardige inspanning te kunnen vaststellen tegen welke uitspraak het hoger beroep is gericht. Daarmee is aan voldaan aan het betreffende wettelijk vereiste. 4.8. Een verzuim van de griffie van een rechtscollege om tijdig een volledig exemplaar van een uitspraak te verstrekken, kan naar het oordeel van het hof meebrengen dat de betreffende partij op diens verzoek een termijn wordt gegund om een aanvulling in te dienen nadat ontbrekende stukken zijn verkregen. De toewijzing van een dergelijk verzoek zal afhangen van het tijdstip waarop het verzoek redelijkerwijs kon worden gedaan en de inhoud van dat wat ontbreekt. Ook de motiveringseis moet worden bezien in het licht van de mogelijkheden waarover de partij beschikt. Zo kan het ontbreken van pagina’s met de motivering van de beslissing van de rechtbank ertoe leiden dat een zeer summiere motivering van het hoger beroep volstaat. 4.9. De inspecteur heeft het hof tot zijn brief van 31 maart 2023 onwetend gelaten over onvolledigheid van verkregen afschriften van de bestreden uitspraak. Dit terwijl de inspecteur de onvolledigheid, al op 11 oktober 2022 kenbaar heeft gemaakt aan de griffie van de rechtbank en hij kennelijk vervolgens tot 31 maart 2023 heeft gewacht voordat hij opnieuw een gebrek ontdekte wat betreft de compleetheid van het in oktober 2022 verkregen afschrift. Aan de inspecteur is meerdere malen uitstel verleend voor de motivering van zijn hoger beroep, laatstelijk tot 1 mei 2023 (zie 2.13). De inspecteur heeft de gronden op 1 mei 2023 ingediend, zonder daarbij of daaraan voorafgaand het hof erover te informeren dat eerdere motivering niet mogelijk is (geweest) vanwege ontbrekende pagina’s van de bestreden uitspraak. Het hof is van oordeel dat de inspecteur ruimschoots gelegenheid is geboden het verzuim van de ontbrekende motivering van zijn hoger beroep tijdig te herstellen – of op z’n minst aan het hof kenbaar te maken – en dat op correcte wijze een waarschuwing is gegeven dat indien de motivering niet uiterlijk op 30 april 2023 volgt, het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. 4.10. Aangezien de laatstelijk door de griffie van het hof gestelde termijn voor het indienen van de gronden eindigde op 30 april 2023 en dit een zondag was, ziet het hof zich gesteld voor de vraag of de termijn voor het indienen van de gronden van hoger beroep moet worden verlengd naar maandag 1 mei 2023, in welk geval het hogerberoepschrift van de inspecteur tijdig zou zijn gemotiveerd aangezien de gronden op die dag zijn binnengekomen bij het hof. 4.11. Ingevolge artikel 1, lid 1, Atw wordt een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Ingevolge artikel 6:6 in samenhang met artikel 6:24 Awb kan een hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het niet tijdig indienen van de gronden van het hoger beroep op voorwaarde dat de inspecteur de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Naar het oordeel van het hof is artikel 1, lid 1, Atw niet van toepassing, ook niet van overeenkomstige toepassing, op de in artikel 6:6 Awb bedoelde termijnstelling. Artikel 6:6 Awb noemt geen termijn waarbinnen een verzuim moet worden hersteld, maar slechts dat een termijn voor herstel moet worden geboden. Uiteraard dient dit een redelijke termijn te zijn en aan de enkele omstandigheid dat een termijn eindigt op een zondag is niet de gevolgtrekking te verbinden dat de termijn onredelijk is. Daarvoor is de duur van de gestelde termijn en zijn de overige omstandigheden van het geval van belang. Van de aan de inspecteur geboden termijn van uiteindelijk ruim vijf maanden – waaronder de laatstelijk gestelde termijn overeenkomstig het verzoek van de inspecteur (zie 2.13) – kan niet worden gezegd dat deze onredelijk kort is. De instantie die toepassing geeft aan artikel 6:6 Awb komt voorts discretionaire ruimte toe, zowel wat betreft het wel of niet toepassen ervan als wat betreft de duur van de termijn en de verlenging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.