Parketnummer : 20-002659-23 Uitspraak : 24 juni 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 september 2023 in de strafzaak met parketnummer 02-153548-23, tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (feit 1) en - kort gezegd - diefstal door middel van verbreking (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de politierechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 1.898,00 (materiële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en de (herziene) vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen, zulks met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft een strafmaatverweer gevoerd en zich aangesloten bij de eis van de advocaat-generaal. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met aanvulling van de gronden waarop het berust, behalve voor wat betreft de kwalificatie van feit 1 en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en de schadevergoedingsmaatregel. Het hof zal in zoverre opnieuw recht doen. Het hof zal de bewijsmiddelen aanvullen op de wijze zoals hierna is vermeld. In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ter zake van de aard en de omvang van de opgelegde sanctie(s) ziet het hof geen aanleiding om te komen tot een andere beslissing dan de politierechter. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte maken dit niet anders, temeer omdat – zoals de verdachte ter terechtzitting van het hof heeft verklaard -winkelpersoneel zal worden aangenomen voor de nieuw te starten winkel, de levenspartner van verdachte ook mede-eigenaar is, zij volgens het overgelegde vestigingsplaatsonderzoek d.d. 3 juni 2024 (pagina 12) de winkel ook zal bemannen en de duur van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf de plannen ten aanzien van de Primerawinkel – naar het oordeel van het hof - niet in de weg zal hoeven staan. Daar komt nog bij dat de verdachte kennelijk dit pad is ingeslagen terwijl hij wetenschap had van de veroordeling en strafoplegging in eerste aanleg en hij met het ondergaan van een gevangenisstraf dus rekening heeft kunnen houden. Aanvulling bewijsmiddelen De bewezenverklaring komt mede te berusten op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 juni 2024, voor zover inhoudende: U, voorzitter, houdt mij voor hetgeen door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep is bewezenverklaard. Die bewezenverklaring klopt. Ik heb mij aan die feiten strafbaar gemaakt. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde onder 1 Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 22.343,18, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij naar voren gebracht dat deze vordering is bijgesteld tot een totaal bedrag van € 1.898,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.