Parketnummer : 20-001758-22 Uitspraak : 20 juni 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 juli 2022, in de strafzaak met parketnummer 03-659045-19 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1973, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde feit. De rechtbank heeft de verdachte ter zake van ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 1 primair), ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 2 primair) en ‘medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden, door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit (feit 3 primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden met aftrek van voorarrest. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen. De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd. Ontvankelijkheid van het hoger beroep De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde feit. Blijkens de akte rechtsmiddel d.d. 2 augustus 2022 is het hoger beroep van de verdachte onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde feit. Gelet op het bepaalde in artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Tenlastelegging Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat: 1. primairhij op of omstreeks 28 november 2019, in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in een schuur/ruimte(
(12x). Op moment van ontdekking liep het gas uit de branders, maar brandde niet meer. De rvs ketel was voorzien van rvs poten welke geplaatst waren op een metalen frame. De ketel was gevuld met een 70 cm, 1780 liter, laag zure vloeistof met gele olielaag, FD=BMK. Van deze vloeistof werd een monster genomen. De vloeistof was nog warm: 58 °C. Onder de gaswassers bevonden zich nog 2 1000 liter containers: 1 met opschrift: "SMELT FOS", gevuld met een restant licht zure vloeistof en 1 leeg/vervuild met en restant neutrale vloeistof. AAJC7390NL D2-A Vloeistof monster uit rvs refluxopstelling, reactie/kookketel, gevuld met ongeveer 1780 liter zure vloeistof met gele olielaag, FD=BMK. D3 en stoom destillatie opstelling bestaande uit een rvs "stoomketel" en een rvs destillatieketel voorzien van een rvs destillatiebuis/koeler met aan de uitloop een : De stoomketel was voorzien van een "Heineken sticker", afmetingen: diameter 90 cm h 153 cm [970L], bovenzijde voorzien van een temperatuurmeter en 4 koppelingen met hogedrukslang lopend naar destillatieketel, onderzijde ketel 7 gasbranders aangesloten op gasflessen. De gasbranders brandde op moment van ontdekking. De stoomketel was 1/4 gevuld met basisch water. De rvs destillatie ketel was voorzien van het opschrift:"STAES.COM, EW EW106678V6LN/ID15396", afmetingen: diameter 114 cm hoogte 90 cm [ 920L]; bovenzijde voorzien van een temperatuur sensor en 4 aangesloten hoge druk slangen geplaats en de aansluiting van een rvs destillatiekoeler/buis, afmetingen diameter 47 cm en lengte 147 cm; zijkant voorzien van een kijkglas; onderzijde voorzien van een aftapkraan en 7 gasbranders aangesloten op een gasfles (niet werkend bij ontdekking ). De ketel was geplaatst op een onderstel. Onder de uitloop van de destillatiekoeler was een kunststof scheitrechter aangebracht (leeg). De bodem van de destillatieketel was gevuld met een laag destillatieafval, bruine basische stroperige vloeistof. Van deze vloeistof werd een monster genomen. Rondom deze opstelling stonden diverse scheitrechters en jerrycans gevuld met gedestilleerde amfetaminebase (olie). AAJC7392NL D3-A Vloeistof monster van een laag destillatieafval, bruine basische stroperige vloeistof uit de destillatieketel. D4 20 witte doorzichtige 25 literjerrycans (gestapeld 2 lagen-12 onder en 8 boven), alle aan de bovenkant voorzien van de geschreven tekst: "SPA", alle geheel gevuld met organoleptisch dezelfde basische heldere olieachtige vloeistof, geur amfetamine, FD=amfetaminebase (olie), indicatief positief op de aanwezigheid van amfetamine (kleurreactie test), totaal 500 liter. Van deze vloeistof werden aselect 2 monster genomen (A en B). AAJC7384NL D4-A 1e vloeistof monster uit een partij van 20 witte doorzichtige 25 literjerrycans (gestapeld 2 lagen-12 onder en 8 boven), alle aan de bovenkant voorzien van de geschreven tekst: "SPA", alle geheel gevuld met organoleptisch dezelfde basische heldere olieachtige vloeistof, geur amfetamine, FD=amfetaminebase (olie), indicatief positief op de aanwezigheid van amfetamine (kleurreactie test), totaal 500 liter. AAJC7383NL D4-B 2e vloeistof monster uit een partij van 20 witte doorzichtige 25 literjerrycans (gestapeld 2 lagen-12 onder en 8 boven), alle aan de bovenkant voorzien van de geschreven tekst: "SPA", alle geheel gevuld met organoleptisch dezelfde basische heldere olieachtige vloeistof, geur amfetamine, FD=amfetaminebase (olie), indicatief positief op de aanwezigheid van amfetamine (kleurreactie test), totaal 500 L. D5 7 kunststof scheitrechters, inhoudsmaat 35 liter, alle gevuld met organoleptisch dezelfde basische heldere olieachtige vloeistof, geur amfetamine, FD=amfetaminebase(oHe), indicatief positief op de aanwezigheid van amfetamine base (olie) (kleurreactietest), totaal 199 liter. 4 jerrycans alle gevuld met organoleptisch dezelfde basische heldere olieachtige vloeistof, geur amfetamine, FD=amfetaminebase(olie), indicatief positief op de aanwezigheid van amfetamine base (olie) (kleurreactietest), totaal 75 liter; Van deze vloeistof werd een monster genomen. AAJC7397NL D5-A Vloeistof monster uit 1 van de 7 kunststof scheitrechters, inhoudsmaat 35 liter, alle gevuld met organoleptisch dezelfde basische heldere olieachtige vloeistof, geur amfetamine, FD=amfetaminebase olie), indicatief positief op de aanwezigheid van amfetamine base (olie) (kleurreactietest) , totaal 199 liter. D9 Een 1000 liter container, IBC, voorzien van de geschreven tekst:"1e fase, for+mier+water, gevuld met 820 liter groenige waterige vloeistof voorzien van een olieachtige drijflaag, FD= N-formylamfetamine. Van deze vloeistof werd een monster genomen. AAJC7391NL D9-A Vloeistof monster uit een 1000 liter container, IBC, voorzien van de geschreven tekst: "1e fase, for+mier+water, gevuld met 820 liter groenige waterige vloeistof voorzien van een olieachtige drijflaag, FD= N-formylamfetamine. D11 Een houten stelling geplaats op de kopse kant van de 4 op rij geplaatste IBC's (D8 t/m D10) met daarop 2 3L erlenmeyers, 2 spiraalkoelers, 2 kookplaatsjes/magneetroerder, een losse 3 L erlenmeyer en 2 frequentieregelaars verbonden aan de roermotoren van de kookketels Dl en D2. Ruimte [E] Kantine/verblijfsruimte Opschriften whiteboards: Ap Fos water Smelt 95°C > 4 uur 110 °C 1 : 1 : 0,5 l-Fase 135 °C > 3,5 uur aantal B x 1,7 FOR 0,7 MIER Loog 90 °C > 4 uur aantal-olie x 0,07 caustic en waterolie Stoom 135 °C erop dan na 170 °C Drap 135 °C erop dan na 160 °C Op 16 december 2019 heb ik de door mij genomen monsters voor analyse aangeboden aan het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag. Interpretatie LFO Uit de analyse resultaten van de monsters is gebleken dat de rvs kookketel D1, op het moment van ontdekking, in gebruik was voor de omzetting van MAPA in BMK met behulp van een zuur (reactiemengsel). Ambtshalve is het mij bekend dat kookketels ongeveer 2/3 gevuld kunnen worden met reactiemengsels. Ketel D1, inhoudsmaat 2500 liter, zou dan gevuld kunnen worden met 1700 liter aan een reactiemengsel. Uitgaande van de verhoudingen weergegeven op het whiteboard in ruimte E kan deze ketel gevuld worden met 680 kilogram (M)APA, 680 liter fosforzuur en 340 liter water. Uitgaande van de opbrengsten weergegeven, op het eerder genoemd whiteboard, kan van 680 kilogram MAPA ongeveer 408 liter BMK vervaardigd kan worden. Uit de analyse resultaten van de monsters is gebleken dat de rvs kookketel D2 op het moment van ontdekking in gebruik was met een reactiemengsel van de eerste kookstap van amfetamine volgens de Leuckartmethode (BMK, formamide, mierenzuur) waarbij het tussenproduct N-formylamfetamine wordt vervaardigd. Ambtshalve is het mij bekend dat kookketels ongeveer 2/3 gevuld kunnen worden met reactiemengsels. Ketel D2, inhoudsmaat 2500 liter, zou dan gevuld kunnen worden met 1700 liter aan een reactiemengsel. Uitgaande van de verhoudingen weergegeven op het whiteboard in ruimte E kan deze ketel gevuld worden met 500 liter BMK, 850 liter formamide en 350 liter mierenzuur. Ambtshalve is het mij bekend dat van 500 liter BMK ongeveer 500 liter amfetaminebase (olie) vervaardigd kan worden. Uitgaande van bovengenoemde capaciteiten van deze kookketels was het mogelijk om per productie batch minimaal ongeveer 408 liter BMK en minimaal ongeveer 500 liter amfetaminebase (olie) te vervaardigen. Gezien bovenstaande capaciteitsberekening was de schuur gelegen op de locatie [adres 2] in gebruik en ingericht voor de zeer grootschalige (industrieel) vervaardiging en bewerking van de precursor BMK en amfetaminebase (olie). Op deze locatie zijn 15 [C6] gebruikte 220 liter formamide dopvaten (met resten formamide) aangetroffen. Uitgaande van het feit dat deze geheel gevuld waren met formamide en gebruikt zijn volgens de verhoudingen weergegeven op het whiteboard was er met deze 3300 liter formamide (15x 220 liter) ongeveer 1950 liter BMK omgezet in amfetaminebase (olie). Van 150 liter BMK kan ongeveer 1950 liter amfetaminebase (olie) vervaardigd worden. Op de locatie werd in diverse verpakkingen in totaal 887 liter amfetaminebase (olie) aangetroffen. 7. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, Drugsonderzoek aan materialen aangetroffen op 28 november 2019 op de locatie [adres 2] d.d. 18 februari 2020 (p. 571-575), opgemaakt door dr. J.W. Hulshof en voor zover inhoudende: Tabel 1 Onderzoeksmateriaal en resultaat Kenmerk Resultaat AAJC7380NL/C1-A bevat MAPA AAJC7388NL/C3-A bevat amfetamine op een sterk alkalische waterige vloeistof AAJC7381NL/C4-A bevat MAPA AAJC7382NL/C5-A bevat formamide AAJC7386NL/C7-A bevat voornamelijk amfetamine AAIC7387NL/C8-A bevat fosforzuur AAJC7396NL/C9-A bevat mierenzuur AAJC7395NL/C10-A bevat een lage concentratie BMK AAJC7389NL/Dl-A bevat BMK en een lage concentratie MAPA AAJC7390NL/D2-A bevat BMK en N-formylamfetamine AAJC7392NL/D3-A bevat amfetamine gerelateerde syntheseverontreinigingen en een lage concentratie amfetamine AAJC7384NL/D4-A bevat voornamelijk amfetamine AAJC7383NL/D4-B bevat voornamelijk amfetamine AAJC7397NL/D5-A bevat amfetamine op een alkalische waterige vloeistof AAJC7391NL/D9-A bevat N-formylamfetamine op een waterige vloeistof In het onderzoeksmateriaal is amfetamine aangetoond. Amfetamine is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet. In relatie tot drugs wordt MAPA (methyl 3-oxo-2-fenylbutanoaat) omgezet in BMK met een zuur zoals fosforzuur. BMK is een grondstof voor amfetamine of metamfetamine. De combinatie van BMK, formamide en mierenzuur wordt gebruikt bij de vervaardiging van amfetamine met de Leuckartmethode. N-formylamfetamine is het tussenproduct in de vervaardiging van amfetamine uit BMK met de Leuckartmethode. 8. Het proces-verbaal bevindingen ondersteuning LFO d.d. 29 mei 2020 (p. 763-766), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 8] : Gezien de aanwezigheid van gedestilleerde amfetamine base (olie), lege verpakkingen van benodigde chemicaliën en de aanwezigheid van afval van de vervaardiging van BMK en amfetamine zijn er meerdere batches van BMK en amfetamine base (olie) vervaardigd. De omschreven productieprocessen zijn te relateren aan de aanwezige productiemiddelen en processen, namelijk het vervaardigen van BM, het vervaardigen en bewerken van amfetamine met behulp van BMK, mierenzuur, formamide, natriumhydroxide (caustic soda) volgens de Leuckart (loog) methode. De vervaardigde ruwe amfetamine base werd vervolgens bewerkt met behulp van stoom destillatie. De productiemiddelen betreffen onder andere gemodificeerde industriële reactieketels. Deze zagen er visueel professioneel uit. Gezien de aanwezigheid van de gedestilleerde amfetamine base(olie) is het vervaardigen van amfetamine base (olie) op grote schaal uitgevoerd. Gezien de vermoedelijke oorzaak van de ontploffing zijn er vermoedelijk fouten gemaakt met het gebruik van gas. 9. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 februari 2020 (p. 324-447), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 9] : Op donderdag 28 november 2019, omstreeks 10:50 uur, kwam een melding binnen dat een schuur in brand zou staan op het adres [adres 2] . Op genoemd adres bleek dat in de schuur sprake was van een grote productieplaats voor synthetische drugs. Tijdens de doorzoeking op vrijdag 29 november 2019 werden buiten op het terrein twee wildcamera's aangetroffen en inbeslaggenomen. Op deze wildcamera's stonden voor beelden. Door mij werden deze beelden bekeken. Frame 0452 [verdachte] is in gesprek met [medeverdachte 3] . Frame 0344 [medeverdachte 3] staat te wachten bij de poort. Frame 0360 [medeverdachte 3] maakt de poort weer dicht. Frame 0386 [medeverdachte 3] loopt naar de poort. Frame 0390 Bestuurder wacht tot de poort door [medeverdachte 3] is gesloten en rijdt voor de camera door. Volgens het bovenaanzicht is dit richting productielocatie. Frame's 900-902-914 [medeverdachte 3] komt weer bij de woning. [verdachte] is de auto aan het schoonmaken. Beiden hebben contact met elkaar. Frame 1042. Onbekende man loopt richting productielocatie. Frame 1598-1602 [verdachte] rijdt in de Mercedes en spreekt met [medeverdachte 1] . Frame 1654-1656 Komt de Ford Transit voorzien van het kenteken [kenteken] het terrein opgereden. De poort wordt geopend door [medeverdachte 1] . Frame 0710 [verdachte] en [medeverdachte 3] spreken met elkaar. Te horen is dat [verdachte] zegt:" Al die herrie in die loods." [medeverdachte 3] zegt: "Ja maar, dit is het niet joh..." [verdachte] zegt:" Ja maar als ik zeg dat je er niks meer van kan zien, dan moet je er niks van zien". Frame 0754 Een onbekende man loopt naar de poort en de Ford Transit rijdt van het terrein. Als bestuurder stapt [medeverdachte 3] uit. Hij legt uit hoe je de poort moet sluiten. Frame 1280 Loopt een man naar de poort en vervolgens weer terug. Door collega's [verbalisant 10] en [verbalisant 11] werd deze afbeelding bekeken en zij vertelde mij dat deze persoon een zeer grote gelijkenis vertoonde met [medeverdachte 2] . Collega [verbalisant 10] heeft [medeverdachte 2] in het ziekenhuis in Nijmegen gezien en collega [verbalisant 11] heeft [medeverdachte 2] verhoord. Frame 1290 [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] lopen al pratend uit beeld. Frame 1396 Mastrenbroek is in gesprek met [medeverdachte 1] . Het begin is niet te horen maar [medeverdachte 1] zegt: "Zet ik kraan open, maar omdat die ingeklapt is geweest... geeft dat allemaal rotzooi moet ik eens kijken hier." [verdachte] reageert hierop. Frame 2215 [medeverdachte 3] is in gesprek met [verdachte] . Frame 2267 [medeverdachte 3] stapt als bestuurder in de Ford Transit en rijdt deze achteruit richting productielocatie. 10. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 februari 2020 (p. 448-451), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 13] : Op 28 november 2019 werden op [adres 2] , nabij de productielocatie van synthetische drugs, twee wildcamera's aangetroffen en inbeslaggenomen. Op nagenoeg alle screenshots, allen voorzien van een framenummer, is zichtbaar dat er sprake is van een datum in het jaar 2017. Deze datumaanduiding blijkt onjuist. Aan de hand van de bekeken beelden, aanwezig in de wildcamera's, konden enkele bezoekende voertuigen, aan [adres 2] , geïdentificeerd worden. Een bevraging van deze voertuigen leverde de concrete(
- re)tijdsindicaties (datum en/of tijd) op. Op basis van deze bevindingen zijn de wildcamera's op 25 oktober 2019 omstreeks 07:49 uur opgehangen en/of ingeschakeld. Op basis van deze bevindingen zijn de wildcamera's op 06 november 2019 omstreeks 16:56 uur uitgeschakeld. 11. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, d.d. 6 juli 2022, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 3] : Ik stond eigenlijk buiten, als portier en klusjesman. Toen ik vrij kwam heb ik twee keer brieven van [verdachte] gehad. Daarin stond dat hij niet anders kon. Buitenlandse mensen deden die brieven bij mij in de brievenbus. Ik zal ervoor zorgen dat de rechtbank een exemplaar van de brieven krijgt (het hof begrijpt: bewijsmiddel 12). In het begin had [verdachte] niet tegen me gezegd dat er een drugslab in de loods was, maar hij zei op een gegeven moment dat het om drugs ging, niet om wat voor drugs. Ik ben in het eerste gedeelte van de loods geweest. Daar lag gereedschap. [verdachte] en ik hebben daar een slaapruimte gebouwd. Toen was de productielocatie al actief. In het tweede gedeelte nam ik spullen mee: gasflessen, karton, plastic en dergelijke. In het derde deel werd geproduceerd. Ik ben 5 of 6 weken bezig geweest bij de loods. In het ziekenhuis heb ik gezegd dat ze die klootzak moest aanhouden. Ik bedoelde [medeverdachte 2] . Ik heb de loods niet gehuurd in verband met de verkoop van matrassen. Ik verkocht wel matrassen maar ik sla ze niet op. Ik ben met [verdachte] in contact gekomen doordat hij bij mij een bestelling had geplaatst voor vier matrassen en die heb ik hem geleverd. Daarna hebben we contact gehouden. Zoals gezegd deden [medeverdachte 1] en ik klusjes. Er waren ook anderen bij betrokken, die ik niet ken. Ik heb ze gezien op het terrein. [medeverdachte 1] en ik maakten samen schoon. Wij verdienden samen wat bij voor de kerstdagen. Het werk bestond uit; gasflessen ophalen en wegbrengen, eten brengen. Ik was daar vaak, bijna iedere dag toen dat lab al in productie was. Dat was mijn taak. [medeverdachte 1] moest hetzelfde doen als ik. Ik was daar een maand, maximaal 6 weken. In het begin was er nog geen productie. Op het moment van de ontploffing was ik bij de bus. Die stond aan de binnenkant bij de poort. [medeverdachte 1] kwam als eerste naar buiten en ik denk 30 seconden later [medeverdachte 2] . [verdachte] kwam uit de woning gelopen. 12. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [medeverdachte 3] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 27 februari 2024, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [medeverdachte 3] voornoemd: U vraagt mij of ik toen bij de rechtbank de waarheid heb gesproken. Zeker. Ik was zenuwachtig op die zitting, maar ik heb zeker de waarheid gesproken bij de rechtbank. U zegt mij dat hij wordt verdacht van een aantal drugsfeiten en dat ik voor die drugsfeiten al ben veroordeeld en u vraagt mij of ik mij aan die drugsfeiten schuldig heb gemaakt samen met hem. Voor zover ik weet, heeft hij het gewoon verhuurd. Ik was daar eerlijk gezegd best wel vaak. Hij was daar niet. U vraagt mij wat ik bedoel met daar. In die loods. Het was mijn taak om eten te halen, hout te halen. Ik had een bestelbus, dus ik reed naar de stort om hout en plastic weg te brengen en noem het maar op. U zegt mij dat u de indruk krijgt dat ik zeg dat [verdachte] er niet bij betrokken is omdat ik niks negatiefs over hem wil zeggen. Daar heb ik goed over nagedacht, maar dat is niet zo. lk weet dat ik onder ede sta. U vraagt mij of ik direct of indirect enige betrokkenheid heb gehad bij de misdrijven waarvan de heer [verdachte] wordt verdacht. Ja, dat is logisch. lk was daar bij. U vraagt mij wat mijn rol was in het drugslab. Wat ik net al zei, ik was mannetje van alles. lk haalde gasflessen, ik ging naar de stort, ik ging eten halen. Als er iemand bij de poort kwam, dan ontving ik die mensen als ik buiten was. U vraagt mij of de heer [verdachte] zich naar mijn weten schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen. Ja, hij heeft het verhuurd. Die loods is door hem verhuurd. Ik was er eigenlijk iedere dag. lk was altijd in het middelste gedeelte van de loods en ik was altijd buiten. Er stonden jerrycans, die waren blauw met een doodshoofd erop. Die stonken verschrikkelijk. Ik kreeg daar geen lucht. U vraagt mij of anderen dat ook konden ruiken. Eigenlijk kwam het vanuit de productieloods naar de tweede ruimte waar ik de spullen deed opruimen. De jerrycans waren dan leeg als die in die ruimte kwamen, die jerrycans stonken verschrikkelijk. Iemand anders kwam die jerrycans dan weer ophalen. U houdt mij voor dat ik bij de rechtbank heb verklaard: “In het begin had [verdachte] niet tegen me gezegd dat er een drugslab in de loods was maar hij zei op een gegeven moment dat het om drugs ging, niet om wat voor drugs.” U vraagt naar mijn reactie hierop omdat ik zojuist verklaarde dat ik de waarheid heb gesproken bij de rechtbank. lk heb bij de rechtbank de waarheid verteld. Dus dit klopt ook. U houdt mij voor dat [verdachte] dus wel betrokkenheid had bij het drugslab gezien mijn verklaring bij de rechtbank. U zegt mij dat ik net verklaar dat hij wel wist van het drugslab. Ja, dat klopt. Maar hij heeft daar nooit meegeholpen. 13. Een geschrift, te weten de ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 6 juli 2022 door [medeverdachte 3] als getuige overlegde brief, voor zover inhoudende: [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2]) (…) ‘Je weet inmiddels dat de camera’s die ik buiten had ook binnen zaten waardoor ik alles dat er in en uit het gehuurde deel kwam op foto heb staan. (...) Ik heb namen en adressen van afnemers en leveranciers. (...) Ik wil dat je mij in ieder geval per direct 130.000 euro geeft om de eerste schade te dekken. (...) Je mag de Porsche geven, de rolexen als betaling, blokken wit (het hof begrijpt: cocaïne) of geld, maakt mij niets uit.’ (…) [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) 14. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, d.d. 6 juli 2022, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte: Ik heb hier in het zuiden een pand met een loods gehuurd. De brieven die [medeverdachte 3] heeft ontvangen, heb ik inderdaad geschreven. Ik had iemand gevraagd deze brieven bij hem te bezorgen. Deze was niet een vriend, die nogal breed van postuur is. 15. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 28 november 2019 (p. 52-60), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte: (p. 55) Ik huur de woning in Weert gelegen aan [adres 2] . Het pand in Weert bestaat uit een vrijstaande woning en een schuur. Ik huur deze vanaf mei of juni vorig jaar. Ik huur de woning en de loods van een makelaar. Ik heb de loods weer onderverhuurd. De loods bestaat uit drie segmenten. Ik gebruik het eerste segment en hij huurt het tweede en derde segment. Iets meer dan 1 maand geleden huurde hij het 1e segment (het hof begrijpt: een eerste segment). Na een tijdje huurde hij het tweede segment. Bewijsoverwegingen Algemene overwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Standpunt van de verdediging Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat het – mede gelet op hetgeen de verdachte heeft verklaard over de gang van zaken met betrekking tot de brand, zijn bluswerkzaamheden en de verhuur van een deel van de schuur – niet aannemelijk is dat de verdachte op de hoogte was van de productiefaciliteit in de schuur, laat staan dat hij daaraan een actieve bijdrage heeft geleverd. De verdachte heeft vanaf het begin de waarheid verteld. Hij heeft verteld dat hij sporadisch aanwezig is geweest op [adres 2] . Hij had dan ook geen wetenschap van het drugslab in de schuur dat zich op 80 meter afstand van de woning bevond. Evenmin had de verdachte wetenschap van de aanwezigheid van de reeds geproduceerde amfetamine en van de aanwezigheid van chemicaliën en voorwerpen, benodigd voor de productie. De drugs bevonden zich ook niet in de machtssfeer van de verdachte en hij heeft geen enkele zeggenschap gehad over hetgeen zich in de schuur heeft voorgedaan. Er kan dan ook niet worden aangetoond dat hij feitelijk macht had over de drugs in de zin dat hij daarover kon beschikken. Voorts is de voor de verdachte belastende verklaring van [medeverdachte 3] onjuist en wordt die niet door enig ander bewijsmiddel ondersteund. Aan de verklaringen van [medeverdachte 3] kan dan ook geen betekenis worden toegekend. Dat de verdachte in de door hem geschreven brief verwijst naar ‘blokken’ betreft ook geen bewijs dat hij veel weet over harddrugs, aldus de verdediging. Oordeel van het hof Het hof stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op de medeplichtigheidsgedragingen zelf, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader(
- s)gepleegde gronddelict. Als dergelijk bewijs voorhanden is, wordt bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid uitgegaan van de door de dader(
- s)verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Wel moet sprake zijn van voldoende verband tussen het misdrijf waarop het al dan niet voorwaardelijke opzet van verdachte zich richtte en het misdrijf zoals dat daadwerkelijk is gepleegd. Het hof overweegt voorts als volgt. Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat op 28 november 2019 in een schuur behorende bij de woning gelegen aan [adres 2] een drugslaboratorium is aangetroffen. In de schuur was een hoeveelheid van 887 liter amfetaminebase(olie) aanwezig. Gelet op de aangetroffen voorwerpen, grondstoffen en/of chemicaliën en gelet op [medeverdachte 3] verklaringen stelt het hof vast dat in de weken voorafgaand aan 28 november 2019 voorbereidingshandelingen zijn getroffen voor de productie van de drugs, alsmede dat er hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine zijn vervaardigd. Voorts stelt het hof vast dat de verdachte de huurder was van de woning gelegen aan [adres 2] en van de daarbij behorende schuur. Het hof stelt voorop dat de bewoner van een woning bekend mag worden verondersteld met, en verantwoordelijk mag worden gehouden voor wat zich in de woning en op het bijbehorend perceel afspeelt, tenzij er omstandigheden zijn die aannemelijk maken dat van dit uitgangspunt dient te worden afgeweken. [medeverdachte 3] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg een voor de verdachte belastende verklaring afgelegd. Ook ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft [medeverdachte 3] een voor de verdachte belastende verklaring afgelegd in die zin dat verdachte de loods waarin het lab is aangetroffen heeft verhuurd en dat verdachte wist dat daar een drugslab in zat. Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid en betrouwbaarheid van hetgeen [medeverdachte 3] heeft verklaard. Hierbij heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat [medeverdachte 3] ook een voor zichzelf belastende verklaring heeft afgelegd. Bovendien vindt zijn verklaring steun in de overige inhoud van het dossier. Het hof wijst in dit verband in het bijzonder op de door hem ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde brief, alsmede op hetgeen verbalisant [verbalisant 9] heeft waargenomen op de camerabeelden. [verbalisant 9] heeft bijvoorbeeld gerelateerd dat hij heeft gezien dat [medeverdachte 3] de bestuurder van de bus met kenteken [kenteken] was. [medeverdachte 3] heeft ook verklaard dat hij met die bus heeft gereden. Daarnaast blijkt uit de waarnemingen van de camerabeelden dat [medeverdachte 3] veelvuldig aanwezig was op de locatie. [medeverdachte 3] heeft zelf ook verklaard dat hij bijna dagelijks daar was om klusjes te verrichten. Het hof gebruikt de verklaringen van [medeverdachte 3] derhalve voor het bewijs. Gelet op hetgeen [medeverdachte 3] heeft verklaard stelt het hof vast dat de verdachte wist wat er zich in de schuur afspeelde. Uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 9] blijkt voorts dat de verdachte op verschillende momenten met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] heeft gesproken, dit terwijl de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij [medeverdachte 3] alleen gedag zei. Bovendien blijkt uit dit proces-verbaal dat ook anderen op het perceel aanwezig waren, hetgeen [medeverdachte 3] ook heeft verklaard. Ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft [medeverdachte 3] bevestigd dat de verdachte wist van het drugslaboratorium. Voorts blijkt uit de door [medeverdachte 3] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring dat de verdachte de betreffende schuur heeft verhuurd en dat dat te maken had met de onderhavige tenlastegelegde feiten. Dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het drugslaboratorium volgt naar het oordeel van het hof tenslotte uit de brief die hij heeft geschreven, welke brief door [medeverdachte 3] ter terechtzitting in eerste aanleg is overgelegd. In die brief heeft de verdachte immers geschreven dat hij namen en adressen van afnemers en leveranciers heeft. Gelet hierop en de inhoud van het dossier kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat daarmee afnemers en leveranciers worden bedoeld die in verband stonden tot het aangetroffen drugslaboratorium. Ook heeft hij geschreven dat hij bereid was zich door [medeverdachte 2] ‘in blokken wit’ (het hof begrijpt: cocaïne) te laten betalen. Uit hetgeen de verdachte bij de politie heeft verklaard blijkt dat hij heeft verklaard dat [medeverdachte 3] een gedeelte van de schuur had gehuurd voor de opslag van matrassen. [medeverdachte 3] heeft echter bij de rechtbank verklaard dat hij de schuur niet heeft gehuurd in verband met de verkoop of opslag van matrassen. In dit verband wijst het hof voorts op de ‘huurovereenkomst opslag/werkruimte sectie C (het hof begrijpt: ruimte D) [adres 2] ’. De naam van de (onder)huurder is op voornoemde huurovereenkomst niet ingevuld. Bovendien is als bijlage aan de huurovereenkomst als ‘kopie legitimatie huurder’ een identiteitsbewijs op naam van [betrokkene] aangehecht. [betrokkene] heeft bij de politie verklaard de verdachte niet te kennen en dat hij nooit een huurcontract voor de loods heeft ondertekend. Gelet hierop kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte met de opgemaakte huurovereenkomst zijn betrokkenheid bij het aangetroffen drugslaboratorium heeft getracht te verdoezelen. Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene bestond de medeplichtigheid van de verdachte uit het leveren van een faciliterende bijdrage, te weten het verhuren/ter beschikking stellen van de schuur. Daarmee heeft de verdachte gelegenheid en middelen verschaft. Door aldus te handelen hebben de betreffende voorbereidingshandelingen en de productie van amfetamine kunnen plaatsvinden. Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte zowel opzet had op het verschaffen van gelegenheid en middelen door de schuur ter beschikking te stellen als opzet op het gronddelict, te weten de voorbereidingshandelingen en de productie van amfetamine. Het hof acht het onder 2 subsidiair en onder 3 subsidiair tenlastegelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen. Onder 1 primair is aan de verdachte – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid amfetamine. Het hof stelt voorop dat voor het aanwezig hebben van drugs in de zin van de Opiumwet volgens de Hoge Raad sprake is als een verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor een bewezenverklaring van ‘aanwezig hebben’ hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van een beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Het hof overweegt voorts als volgt. Op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden – in het bijzonder verdachtes wetenschap van de voorbereidingshandelingen voor de productie van drugs en de productie daarvan, alsmede verdachtes welbewuste bijdrage daaraan door de schuur ter beschikking te stellen/te verhuren – is het hof van oordeel dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in de schuur een hoeveelheid drugs aanwezig was. Gelet op de toegang die de verdachte had tot de verschillende ruimten in de schuur, waaronder de ruimte waar de amfetamine werd geproduceerd kon hij hierover ook beschikken. Het hof is derhalve van oordeel dat er minst genomen sprake is van voorwaardelijk opzet op het aanwezig hebben van 887 liter amfetaminebase(olie). Derhalve acht het hof het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Het verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt verworpen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: medeplichtigheid aan het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door een ander gelegenheid of middelen tot het plegen van dat feit te verschaffen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat – indien en voor zover het hof tot een bewezenverklaring komt – de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke straf. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat de verdachte first offender is en dat verdachtes bedrijf niet alleen voorziet in zijn levensonderhoud, maar ook in het levensonderhoud van zijn kinderen en zijn werknemers. Bovendien gaat het om feiten uit 2019, aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op: - de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, - de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en - de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Bij de op te leggen sanctie heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een zeer grote hoeveelheid amfetaminebase. Voorts heeft hij zijn schuur ter beschikking gesteld voor het verrichten van voorbereidingshandelingen en de productie van synthetische drugs. Door aldus te handelen heeft de verdachte de producenten van synthetische drugs gefaciliteerd en vormde hij een essentiële schakel in het geheel. De verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage aan de productie van drugs geleverd. Het is algemeen bekend dat de productie en de handel in drugs gepaard gaat met andere vormen van (zware) criminaliteit. Bovendien is de productie van synthetische drugs niet zonder gevaar voor personen en de omgeving, hetgeen in de onderhavige zaak ook is gebleken. Voorts vormt het gebruik van drugs een gevaar voor de gezondheid van de gebruikers daarvan. De verdachte heeft zich van voornoemde belangen kennelijk niets aangetrokken. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 april 2024. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen eerder onherroepelijk is veroordeeld. Die veroordelingen dateren evenwel van langer geleden en hebben betrekking op andersoortige strafbare feiten. Het hof zal deze omstandigheid dan ook niet in het nadeel van de verdachte bij de op te leggen sanctie meewegen. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof voorts rekening gehouden met de inhoud van een reclasseringsadvies d.d. 24 juni 2024. Uit dit advies blijkt dat het risico op recidive als laag wordt ingeschat en dat het opleggen van bijzondere voorwaarden niet nodig wordt gevonden. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke straf – zoals door de verdediging is bepleit – doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen. Een dergelijke strafoplegging acht het hof derhalve niet aangewezen. Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof als volgt. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden. Het vonnis van de rechtbank is niet gewezen binnen twee jaren nadat er jegens verdachte een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem door het openbaar ministerie strafvervolging zou worden ingesteld, zijnde de dag dat hij in verzekering is gesteld, te weten op 28 november 2019. Nu de rechtbank eerst op 20 juli 2022 vonnis heeft gewezen, is de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna acht maanden overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn valt niet aan de verdachte toe te rekenen. Naar het oordeel van het hof is het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn hier dan ook geschonden. Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest naar het oordeel van het hof passend en geboden zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 48, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Aldus gewezen door: mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter, mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. A.C. Bosch, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier, en op 20 juni 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2019187781, datum sluiten 9 april 2020, p. 1 tot en met p. 899, alsmede de niet-genummerde bescheiden. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven. Dossierpagina 265-266. Dossierpagina 266-267. Dossierpagina 249.