GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.338.861/01 arrest van 22 oktober 2024 in de zaak van Divine Investments Limited, gevestigd te [vestigingsplaats] , Verenigde Arabische Emiraten, appellante, hierna aan te duiden als Divine, advocaat: mr. G.C.L. van de Corput te Breda, tegen Gemeente Zundert, gevestigd te Zundert, geïntimeerde, hierna aan te duiden als de gemeente, advocaat: mr. B.J.P.G. Roozendaal te Breda, op het bij exploot van dagvaarding van 7 maart 2024 ingeleide hoger beroep van het kortgedingvonnis van 8 februari 2024, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen Divine als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en de gemeente als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/416719 / KG ZA 23-593) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld kortgedingvonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met grieven en productie 1; de memorie van antwoord met productie 1; de op 16 september 2024 gehouden mondelinge behandeling, waarbij de gemeente pleitaantekeningen heeft overgelegd; de bij brief van 6 september 2024 door de gemeente toegezonden productie 2, die de gemeente bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling De vaststaande feiten en de kern van het geschil 3.1.1. Het ging in dit kort geding bij de voorzieningenrechter in conventie naar de kern genomen om de volgende vragen: moet de gemeente de tenuitvoerlegging van het dwangbevel dat zij op 12 januari 2021 tegen Divine heeft uitgevaardigd, vooralsnog staken?; moest de gemeente de executoriale derdenbeslagen die zij op 24 oktober 2022 ten laste van Divine heeft gelegd onder de curator in het faillissementen van [X beheer B.V.] en [X vastgoed B.V.] , welke beslagen op 26 oktober 2022 zijn ingeschreven in de registers van het kadaster, doorhalen? In dit kort geding ging het bij de voorzieningenrechter in reconventie naar de kern genomen om de met het geding in conventie samenhangende vraag of Divine bij wege van voorlopige voorziening moet worden geboden om: de door Divine (als hypotheekhouder) aangekondigde executie van de onroerende zaken van Fort Oranje BV te annuleren?; te gehengen en gedogen dat de gemeente als beslaglegger op de gesecureerde vorderingen de executie ter hand neemt? 3.1.2. In dit hoger beroep kan op hoofdlijnen worden uitgegaan van de volgende feiten. a. Recreatiepark Fort Oranje BV (hierna: Fort Oranje BV) exploiteerde tot 23 juni 2017 Camping Fort Oranje. O. Projects BV is enig aandeelhouder van Fort Oranje BV. [X beheer B.V.] is enig aandeelhouder van O. Projects BV. b. Divine heeft bij hypotheekakten van 15 april 2011 en 22 januari 2015 hypotheekrechten verkregen op de onroerende zaken gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] , bekend als Camping Fort Oranje en eigendom van Fort Oranje BV. Deze hypotheekrechten strekken tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de vennootschappen [X vastgoed B.V.] , [X beheer B.V.] en BV Nederlandse Staalindustrie aan Divine verschuldigd zouden zijn. Volgens de tekst van de hypotheekakte van 15 april 2011 was Divine op dat moment gevestigd te “ [plaatsnaam] , [adres] ”. c. BV Nederlandse Staalindustrie is op 14 december 2011 failliet verklaard. Dit faillissement is afgewikkeld. [X vastgoed B.V.] en [X beheer B.V.] zijn bij vonnis van 16 augustus 2013 failliet verklaard. Deze faillissementen zijn inmiddels ook afgewikkeld. d. Tussen de gemeente en Fort Oranje BV heeft jarenlang een conflict bestaan over de wijze waarop de camping werd geëxploiteerd en over de rol van overheidsinstanties in de ontstane problematiek. e. Vanwege die problematiek hebben enkele instanties in 2013 het project “Maisveld” gestart. Op blz. 4 van het “Projectplan Casus Maisveld” staat onder meer het volgende: “Projectopdracht Op basis van alle beschikbare informatie van Bestuur, ISZW, Belastingdienst, Politie en Openbaar Ministerie een einde maken aan overtredingen van bestuurlijke, fiscale en strafrechtelijke regels op het recreatiepark Fort Oranje in [vestigingsplaats] . Hier onder worden nadrukkelijk ook begrepen natuurlijke- en rechtspersonen elders maar die zijn gelieerd aan Fort Oranje. Doelstelling Doel van dit project is het beëindigen van overtredingen van bestuurlijke, fiscale en strafrechtelijke regels op het recreatiepark Fort Oranje in [vestigingsplaats] en het (tijdelijk) sluiten van het recreatiepark voor het publiek.” In een voetnoot bij “(tijdelijk)” staat het volgende: “In ieder geval voor de periode die nodig is om het terrein gesaneerd op te leveren zodat er veilig en gezond kan worden gerecreëerd.” - f. In 2016 is door enkele instanties besloten tot een aanpak van de volgens die instanties op Fort Oranje bestaande problematiek door een Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC), met de projectnaam “Bloedkoraal”. - g. Op 9 juni 2017 heeft de gemeente aan Fort Oranje BV en aan de bewoners van Camping Fort Oranje een conceptbesluit bekend gemaakt waarin aan Fort Oranje BV enkele lasten tot beëindiging van overtredingen van regelgeving worden opgelegd en waarin onder meer wordt besloten tot sluiting van Camping Fort Oranje voor de duur van 1 jaar op grond van artikel 17 van de Woningwet, artikel 172 lid 3 van de Gemeentewet en artikel 2:41 lid 1 van de APV. Ter motivering van het besluit tot sluiting op grond van artikel 17 van de Woningwet is in het concept-besluit onder meer vermeld dat mede gelet op een GGD-rapport van 2017 sprake is van bedreiging van de leefbaarheid en een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid vanwege overbewoning, brandgevaar, slechte staat van onderhoud, verloedering, hinder, frequent gebruik van tuinen als stortplaats voor grof huisvuil, gebruik van woningen voor grootschalige hennepteelt en bewuste verkrotting. Ter motivering van het besluit tot sluiting op grond van artikel 172 lid 3 van de Gemeentewet wordt in het concept-besluit een aantal incidenten opgesomd die zich volgens politierapportage hebben voorgedaan, en is onder meer het volgende vermeld: “Camping Fort Oranje is verworden tot een oord waar zij die geen woning of lokaal voor het door hen beoogde illegale gebruik (veelal prostitutie, wietkwekerijen, heling en opslag van gestolen goederen) kunnen vinden door de exploitant met open armen worden ontvangen, zo lang er maar huur wordt betaald. Gecombineerd met het feit dat er ook veel sociaal zwakkere deelnemers aan de maatschappij hun weg hebben weten te vinden naar Camping Fort Oranje (zie hiervoor de GGD rapporten - bijlagen 8 en 9) is er sprake van een onwenselijke en onhoudbare situatie die in zijn geheel een zeer ernstige en continue – voortgezette – verstoring van de openbare orde vormt, dan wel een continue ernstige vrees voor de verstoring van de openbare orde herbergt.” Ter motivering van het besluit tot sluiting op grond van de APV wordt in het concept-besluit op basis van politiemutaties een aantal incidenten opgesomd en verder onder meer het volgende vermeld: “De voorgaande feiten wettigen op zichzelf genomen en in onderling samenhang bezien de vrees dat het geopend blijven van de percelen waarop Camping Fort Oranje zich bevindt (. . . ) gevaar oplevert of kan opleveren voor de openbare orde.” - h. Op 15 juni 2017 heeft Divine een grosse van de op 27 februari 2015 verleende machtiging van de rechtbank Rotterdam aan Divine om als hypotheekhouder het beheer van de onroerende zaken van Fort Oranje BV over te nemen, laten betekenen aan de Gemeente. i. Bij brief van 22 juni 2017 heeft Fort Oranje BV aan de gemeente meegedeeld dat Fort Oranje BV direct tegemoet komt aan het besluit van de gemeente, en op 3 juli 2017 om 15:00 uur de Camping Fort Oranje definitief zal sluiten. j. Bij besluit van 23 juni 2017, gericht aan Fort Oranje BV en Divine, hebben het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) en de burgemeester de navolgende besluiten genomen met betrekking tot Camping Fort Oranje (volgens de weergave op blz. 2 van productie 4 bij de conclusie van antwoord): 1. het college heeft een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege overtreding van artikel la van de Woningwet (hierna: last 1); 2. het college heeft een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege overtreding van artikel 1b van de Woningwet (hierna: last 2); 3. het college heeft een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege overtreding van de artikelen 1.la en 10.1 van de Wet milieubeheer en van een aantal artikelen van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: last 3); 4. het college besluit dat de lasten 1 tot en met 3 mede gelden tegen iedere rechtsopvolger van de exploitant; 5. het college heeft de gebruiksvergunning van de camping ingetrokken vanwege gevaar voor de brandveiligheid; 6. het college heeft een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege overtreding van de brandveiligheidsverordening (hierna: last 4); 7. het college heeft op grond van artikel 17, eerste lid, van de Woningwet besloten Fort Oranje te sluiten per 23 juni 2017 om 15:00 uur; 8. de burgemeester heeft op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet de sluiting van Fort Oranje per 23 juni 2017 om 15:00 uur bevolen; 9. de burgemeester en het college hebben een aantal kadastrale percelen uitgesloten van deze sancties en ordemaatregelen; 10. de burgemeester heeft op grond van artikel 2:41.1, eerste lid, van de APV Gemeente Zundert 2015 een aantal kadastrale percelen voor de duur van 1 jaar gesloten; 11. het college heeft op grond van artikel 13b van de Woningwet het beheer van Fort Oranje overgenomen gedurende 1 jaar na 23 juni 2017. Het college en de burgemeester hebben deze besluiten gebaseerd op (volgens de weergave op bladzijde 3, derde gedachtestreepje van productie 34 van Divine in eerste aanleg): artikel 17 lid 1 Woningwet (overbewoning, brandgevaar, slechte staat van onderhoud, verloedering, hinder, frequent gebruik van tuinen als stortplaats voor grof huisvuil, gebruik van woningen voor grootschalige hennepteelt en bewuste verkrotting), artikel 172 lid 3 Gemeentewet (verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan) alsmede overtreding van Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit (bodembedreigend afval en de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen). - k. Fort Oranje BV en Divine hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 juni 2017 tot sluiting en beheerovername. Bij besluit op bezwaar van 21 februari 2018 hebben de burgemeester en het college de bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard, maar de sluiting en de beheerovername in stand gelaten. Tegen het besluit op bezwaar van 21 februari 2018 hebben onder meer Fort Oranje BV en Divine beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, afdeling bestuursrecht. Bij uitspraak van 12 mei 2021 heeft de rechtbank, afdeling bestuursrecht, Fort Oranje BV niet-ontvankelijk verklaard vanwege het overschrijden van de beroepstermijn, en het beroep van Divine ongegrond verklaard. Divine en Fort Oranje BV hebben tegen deze uitspraak van 12 mei 2021 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS). In dat hoger beroep heeft op 14 juni 2024 de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Volgens de mededeling van partijen ter zitting van dit hof is de uitspraak van de ABRS – volgens de mededeling van de ABRS – in december 2024 te verwachten. l. De gemeente heeft na de overname van het beheer aanzienlijke kosten gemaakt met betrekking tot Camping Fort Oranje. Volgens de gemeente bleek het uiteindelijk noodzakelijk om alle (omstreeks 700) caravans van het terrein te verwijderen. Op grond van artikel 14 lid 1 Woningwet heeft het college de door de gemeente gemaakte kosten als beheerskosten in rekening gebracht bij diegene tot wie het besluit tot beheerovername zich richt, zijnde Fort Oranje BV en Divine. Daartoe heeft het college drie kostenverhaalsbesluiten genomen, op 27 november 2017, 20 februari 2018 en 24 mei 2018. Die besluiten betreffen de beheersvergoedingen over de periode 23 juni 2017 tot en met 30 april 2018. Het totale bedrag van deze vergoedingen bedraagt ruim 5 miljoen euro. m. Bij beschikking van 10 september 2018 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant een verzoek van Divine en Fort Oranje BV tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toegewezen. Vervolgens zijn in het kader van dat voorlopig getuigenverhoor verschillende getuigen gehoord. Ook hebben enkele personen die betrokken waren bij de casus Bloedkoraal schriftelijke verklaringen afgelegd. n. Fort Oranje BV en Divine hebben bezwaarschriften ingediend tegen de kostenverhaalsbesluiten van 27 november 2017, 20 februari 2018 en 24 mei 2018. Bij besluit op bezwaar van 18 december 2018 heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard. o. Tegen het zojuist genoemde besluit op bezwaar van 18 december 2018 hebben Fort Oranje BV en Divine beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, afdeling bestuursrecht. Bij uitspraak van 10 mei 2019 heeft de rechtbank het beroep van Fort Oranje BV en Divine tegen het besluit op bezwaar van 18 december 2018 niet-ontvankelijk verklaard op grond van het oordeel dat Fort Oranje BV en Divine het verschuldigde griffierecht van € 345,-- niet hebben betaald. p. Fort Oranje BV en Divine hebben bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, afdeling bestuursrecht, verzet ingesteld tegen de zojuist genoemde uitspraak van 10 mei 2019. Bij uitspraak van 16 augustus 2019 heeft de rechtbank dat verzet ongegrond verklaard. q. Fort Oranje BV en Divine hebben, ondanks het appelverbod van artikel 8:54 en 8:55 Awb, hoger beroep ingesteld bij de ABRS tegen de uitspraak van 16 augustus 2019. De ABRS heeft dit hoger beroep op 21 november 2019 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat tegen een uitspraak in verzet geen hoger beroep open staat. Fort Oranje BV hebben tegen die uitspraak eveneens verzet ingesteld maar dat verzet is ongegrond verklaard. r. Fort Oranje BV en Divine hebben de beheerskosten die genoemd zijn in de drie kostenverhaalsbesluiten niet betaald aan de gemeente, ondanks aanmaningen van 2 december 2020. s. Op 12 januari 2021 heeft de gemeente tegen Fort Oranje BV en Divine dwangbevelen uitgevaardigd voor het totaalbedrag van de drie kostenverhaalsbesluiten, zijnde € 5.007.413,09. De gemeente heeft deze dwangbevelen bij deurwaardersexploot van 23 februari 2021 laten betekenen met bevel om aan de inhoud daarvan binnen twee dagen te voldoen. t. Op 22 maart 2021 heeft de gemeente, uit kracht van het dwangbevel jegens Fort Oranje BV van 12 januari 2021, ten laste van Fort Oranje BV executoriaal beslag op de onroerende zaken van Fort Oranje BV gelegd. Dit beslag is overbetekend aan Divine als hypotheekhouder (hierna: het executoriaal beslag ten laste van Fort Oranje BV). u. De deurwaarder heeft Divine bij brief van 22 april 2022 in de gelegenheid gesteld om als hypotheekhouder de executie (jegens Fort Oranje BV) over te nemen. Bij deurwaardersexploot van 29 april 2022 heeft Divine aan de gemeente aangezegd als hypotheekhouder de executie van de onroerende zaken van Fort Oranje BV over te nemen ter verhaal van haar vorderingen uit geldlening zoals omschreven in de hypotheekakte van 15 april 2011. In dit exploot heeft Divine gesteld dat haar vordering, tot verhaal waarvan zij haar hypotheekrecht wil uitwinnen, aan hoofdsom en bijkomende kosten € 8.400.000,-- beloopt. v. Bij deurwaardersexploot van 3 juni 2022 heeft de gemeente Divine gesommeerd om binnen twee dagen te voldoen aan de inhoud van het dwangbevel dat op 12 januari 2021 door de gemeente is uitgevaardigd tegen Divine, door tot betaling van € 5.268.639,50 over te gaan. Divine en Fort Oranje BV zijn niet tot betaling overgegaan. w. Op 24 oktober 2022 heeft de gemeente uit kracht van het dwangbevel van 12 januari 2021 ten laste van Divine executoriaal derdenbeslag gelegd onder de curator in het faillissement van [X beheer B.V.] op niet periodieke betalingen: alle gelden, geldswaarden, vorderingen en/of roerende zaken die geen registergoederen zijn, meer speciaal de verplichtingen uit hoofde van de verstrekte geldleningen ten behoeve van Divine die zijn vastgelegd in de hypotheekakten van 15 april 2011 en 22 januari 2015, en die de derde beslagene (de curator) onder zich heeft ten behoeve van Divine. Dit beslag is op 26 oktober 2022 ingeschreven. Eenzelfde executoriaal derdenbeslag heeft de gemeente ten laste van Divine, uit kracht van het dwangbevel van 12 januari 2021, gelegd onder (de curator in het faillissementen van) [X beheer B.V.] en [X vastgoed B.V.] . - x. Bij deurwaardersexploot van 11 november 2023 heeft Divine aan de gemeente aangezegd dat de executieveiling van de onroerende zaken van Fort Oranje BV op 3 april 2024 zal plaatsvinden. 3.1.3. Veel van de hierboven bij de feitenweergave genoemde brieven, besluiten, exploten en andere stukken zijn in dit kort geding niet als productie overgelegd, maar slechts genoemd in de gedingstukken. 3.1.4. Bovenstaand overzicht van vaststaande feiten betreft, zoals reeds vermeld, een overzicht op hoofdlijnen. Voor zover nodig zal het hof in het navolgende bij de beoordeling nog melding maken van nadere feiten. Het kort geding bij de voorzieningenrechter 3.2.1. In de onderhavige kortgedingprocedure vorderde Divine bij inleidende dagvaarding in conventie, samengevat, de gemeente te verbieden om de executie van het dwangbevel van 12 januari 2021 voort te zetten, althans te gebieden de executie te staken en gestaakt te houden, onder de verplichting om binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis het op 26 oktober 2022 de bij de registers van het Kadaster ingeschreven beslag door te halen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten. Uit het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep blijkt dat Divine hierbij doelt op de bij het Kadaster ingeschreven executoriale derdenbeslagen ten laste Divine onder [X beheer B.V.] en [X vastgoed B.V.] . Tussen partijen staat volgens het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep vast dat geen executoriaal derdenbeslag is gelegd onder BV Nederlandse Staalindustrie. 3.2.2. De gemeente heeft in conventie gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. Voortbouwend op haar verweer in conventie, vorderde de gemeente in het geding bij de voorzieningenrechter in reconventie: 1. Divine te gebieden de executie van de onroerende zaken van Fort Oranje BV als aangekondigd op 11 november 2023 binnen 5 werkdagen te annuleren, op straffe van verbeurte van een dwangsom; 2. Divine te gebieden te gehengen en gedogen dat de gemeente als beslaglegger op de gesecureerde vorderingen de executie ter hand neemt, op straffe van verbeurte van een dwangsom; met veroordeling van Divine in de proceskosten. 3.2.3. Divine heeft in reconventie verweer gevoerd. Ook dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 3.2.4. In het beroepen kortgedingvonnis van 8 februari 2024 heeft de voorzieningenrechter in conventie, samengevat, als volgt geoordeeld. Het verweer van de gemeente dat Divine als rechtspersoon niet bestaat en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard, slaagt niet. Divine is ontvankelijk in haar vorderingen (rov. 4.1 en 4.2). Divine heeft spoedeisend belang bij beoordeling van haar vordering in kort geding (rov. 4.3). Tegen de kostenverhaalsbesluiten staat geen rechtsmiddel meer open. Daarom geldt dat de voorzieningenrechter in dit executiegeschil de tenuitvoerlegging van het op grond hiervan gegeven dwangbevel slechts kan schorsen of staken, indien de executant (in dit geval de gemeente) misbruik maakt van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan (rov. 4.4 tot en met 4.6). Aan de kostenverhaalsbesluiten komt formele rechtskracht toe. Daarom moet worden aangenomen dat de kostenverhaalsbesluiten rechtmatig zijn. De voorzieningenrechter komt dus in beginsel niet toe aan de beoordeling of in de besluitvorming sprake is van een feitelijke of juridische misslag (rov. 4.7). Divine heeft aangevoerd dat er in deze zaak een uitzondering moet te worden gemaakt op het beginsel van formele rechtskracht. Op het beginsel van de formele rechtskracht kan echter slechts in zeer klemmende gevallen een uitzondering worden gemaakt. Met het aanvaarden van zo’n uitzondering moet, gelet op de zwaarwegende belangen die door dit beginsel worden gediend, terughoudend worden omgegaan (rov. 4.8). Er is geen sprake van een situatie waarin Divine geen eerlijke kans heeft gehad om de kostenverhaalsbesluiten rechterlijk te laten toetsen. Divine heeft door haar eigen nalaten (niet betalen griffierecht) geen inhoudelijk oordeel van de bestuursrechter ontvangen. Deze kwestie is uitgeprocedeerd tot aan de ABRS. Het beginsel van formele rechtskracht brengt in deze situatie mee dat de burgerlijke rechter zich dient te onthouden van een hernieuwde beoordeling. Van een juridische of feitelijke misslag in de uitspraak van de afdeling bestuursrecht van de rechtbank van 16 augustus 2019 op het verzet is niet gebleken. Omdat niet aannemelijk is dat aan Divine reële rechtsbescherming is onthouden, leiden haar stellingen hierover niet tot een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht (rov. 4.10). Het primaire besluit van 23 juni 2017 tot sluiting en beheerovername, waarbij Divine als overtreder is aangemerkt, is na beroep van onder meer Divine in stand gelaten door de afdeling bestuursrecht van de rechtbank. Daarom is onvoldoende gebleken dat Divine bij dit besluit ten onrechte als overtreder is aangemerkt. Dat nog beroep aanhangig is bij de ABRS maakt dit niet anders. De stelling van Divine dat zij in het besluit van 23 juni 2017 ten onrechte als overtreder is aangemerkt, is dus onvoldoende aannemelijk en rechtvaardigt geen uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht ten aanzien van de kostenverhaalsbesluiten (rov. 4.11 en 4.12). Dat de kostenverhaalsbesluiten evident onrechtmatig zouden zijn, of gebaseerd zouden zijn op een evidente juridische misslag, omdat het college bij het besluit op bezwaar van 21 februari 2018 tegen het besluit van 23 juni 2017 tot sluiting en beheerovername bepaald zou hebben dat geen kostenverhaal zou plaatsvinden, is niet aannemelijk gemaakt. (rov. 4.13 en 4.14). Het verweer dat de gemeente misbruik van bevoegdheid maakt en in redelijkheid niet tot invordering kan komen, slaagt niet. Er is onvoldoende aanleiding om een uitzondering te maken op het beginsel van formele rechtskracht (rov. 4.15 en 4.16). Divine heeft ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat al vanaf 2008/2009 sprake is geweest van een aaneenschakeling van onrechtmatig (feitelijk) overheidshandelen van de gemeente jegens Fort Oranje en/of Divine (rov. 4.17). Omdat het besluit tot sluiting en beheerovername ten opzichte van Divine nog niet onaantastbaar is, aangezien hoger beroep aanhangig is bij de ABRS, moet in dit kort geding een belangenafweging plaatsvinden. Bij die afweging is van belang dat de bestuursrechter van de rechtbank al heeft geoordeeld dat het besluit tot sluiting en beheerovername rechtmatig is. De belangenafweging valt gelet daarop en gelet op het belang van de gemeente bij handhaving van haar executiebevoegdheden uit in het voordeel van de gemeente. Het door Divine aangevoerde is onvoldoende om een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht aan te nemen (rov. 4.18 en 4.19). Het verweer van Divine dat de kostenverhaalsbesluiten een schending vormen van haar eigendomsrecht zoals gewaarborgd door artikel 1 Eerste Protocol EVRM en artikel 17 EU-handvest, slaagt niet. Divine heeft haar bezwaren tegen de hoogte van de kostenverhaalsbesluiten kunnen laten toetsen door de bestuursrechter, en zij heeft dat gedaan. Zoals reeds overwogen bestaat onvoldoende aanleiding om een uitzondering te maken op het beginsel van formele rechtskracht. Dat de kostenverhaalsbesluiten een ontoelaatbare schending van het eigendomsrecht opleveren, is niet aannemelijk gemaakt (rov. 4.20 en 4.21). Dat het hoger beroep tegen het besluit van 23 juni 2017 tot sluiting en beheerovername nog aanhangig is bij de ABRS, laat onverlet dat de kostenverhaalsbesluiten onherroepelijk zijn. Verder is het beroep van Divine tegen het besluit tot sluiting en beheerovername door de bestuursrechter van de rechtbank ongegrond verklaard. Daarmee staat de voorlopige rechtmatigheid van dat besluit vast (rov. 4.22 en 4.23). Gelet op al het voorgaande is onvoldoende aannemelijk dat sprake is misbruik van executierecht waardoor een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht moet worden gemaakt. Ook is onvoldoende gebleken dat na de kostenverhaalsbesluiten voor Divine een noodtoestand is ontstaan waardoor onverwijlde tenuitvoerlegging van het dwangbevel niet kan worden aanvaard. De vordering tot schorsing of staking van de executie van het dwangbevel van 12 januari 2021 wordt dus afgewezen (rov. 4.24). Daarom wordt ook de vordering tot het doorhalen van het op 26 oktober 2022 in het Kadaster ten laste van Divine ingeschreven executoriale derdenbeslag afgewezen (rov. 4.25). Een belangenafweging leidt evenmin tot doorhaling van het beslag. Het belang van de gemeente moet, gelet op het grote restitutierisico aan de zijde van Divine, prevaleren (rov. 4.26). Divine moet als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het geding in conventie worden veroordeeld (rov. 4.27). In reconventie heeft de voorzieningenrechter, samengevat, als volgt geoordeeld. De gemeente heeft spoedeisend belang bij beoordeling van haar vorderingen in reconventie in kort geding (rov. 4.29). De bevoegdheid van Divine om vanwege haar vordering op de curator in de faillissementen van [X beheer B.V.] , [X vastgoed B.V.] en BV Nederlandse Staalindustrie als hypotheekhouder over te gaan tot uitwinning van de gronden van Fort Oranje BV, is door het door de gemeente gelegde executoriale beslag op die vordering overgegaan op de gemeente. Divine heeft in strijd daarmee na de beslaglegging door de gemeente de executie aangekondigd. De vorderingen in reconventie van de gemeente zijn daarom toewijsbaar (rov. 4.32). De in reconventie gevorderde dwangsom is toewijsbaar (rov. 4.33). Divine moet als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van het geding in reconventie worden veroordeeld (rov. 4.34). Op grond van de hierboven samengevatte oordelen heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van Divine in conventie afgewezen en Divine in de proceskosten van het geding in conventie veroordeeld. In reconventie heeft de voorzieningenrechter, samengevat: Divine geboden de executie van de onroerende zaken van Fort Oranje BV als aangekondigd op 11 november 2023 binnen 5 werkdagen te annuleren; Divine geboden te gehengen en gedogen dat de gemeente als beslaglegger op de gesecureerde vorderingen de executie ter hand neemt; Divine veroordeeld om aan de gemeente een dwangsom te betalen van € 500.000,-- indien zij niet aan een van de zojuist genoemde geboden voldoet; Divine in de proceskosten van het geding in reconventie veroordeeld. Het geding in hoger beroep 3.3.1. Divine heeft in hoger beroep acht grieven aangevoerd. Op basis van die grieven heeft Divine geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen kortgedingvonnis en tot, samengevat: toewijzing alsnog van de vorderingen van Divine in conventie; afwijzing alsnog van de vorderingen van de gemeente in reconventie; met veroordeling van de gemeente in de proceskosten. 3.3.2. De gemeente heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het beroepen kortgedingvonnis met veroordeling van Divine in de proceskosten. 3.3.3. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 16 september 2024. Namens Divine zijn verschenen [persoon A] , bestuurder, [persoon B] , juridisch adviseur, en de advocaat van Divine. Namens de gemeente is verschenen [persoon C] , jurist bij de gemeente, en als advocaten mrs. B.J.P.G. Roozendaal en T. Hekman. Gebeurtenissen na het beroepen kortgedingvonnis 3.4.1. De hiervoor in rov. 3.1.2 onder x genoemde executieveiling van de onroerende zaken van Fort Oranje, die op 3 april 2024 zou plaatsvinden, heeft als gevolg van het beroepen kortgedingvonnis van 8 februari 2024 geen doorgang gevonden. 3.4.2. Nadat het beroepen vonnis was gewezen, heeft de gemeente de onroerende zaken van Fort Oranje op 26 juni 2024 laten veilen. De gemeente heeft die onroerende zaken op de veiling zelf gekocht. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen toegelicht dat de veiling heeft plaatsgevonden op basis van het tegen Fort Oranje BV uitgevaardigde dwangbevel en het ten laste van Fort Oranje BV gelegde executoriaal beslag, en niet op basis van het tegen Divine uitgevaardigde dwangbevel en het ten laste van Divine gelegde executoriaal derdenbeslag. Omdat de gemeente en Divine beiden aanspraak maken op de opbrengst van de veiling, heeft de notaris, kort gezegd, de koopsom gestort bij een bewaarder in afwachting van de uitkomst van een door de partijen daarover te voeren procedure. Over Divine als procespartij 3.5.1. In het geding bij de voorzieningenrechter heeft de gemeente als verweer onder meer aangevoerd dat Divine een niet bestaande rechtspersoon is, dat Divine daarom niet kan optreden als procespartij en dat Divine dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen. De voorzieningenrechter heeft dat verweer verworpen. 3.5.2. In haar memorie van antwoord in dit hoger beroep heeft de gemeente gesteld dat zij in het kader van dit kort geding bereid is te aanvaarden “dat de mogelijkheid zou kunnen bestaan dat Divine een bestaande rechtspersoon is”. De gemeente heeft daarbij tevens gesteld dat dit niet betekent dat de gemeente dit verweer voor toekomstige procedures waarbij Divine één van de procespartijen is, heeft prijsgegeven. 3.5.3. Het hof zal er binnen het kader van dit kort geding voorshands vanuit gaan dat Divine een bestaande rechtspersoon is. Het hof neemt daar onder meer bij in aanmerking dat aan Divine hypotheekrechten zijn verleend, dat de gemeente diverse besluiten tot Divine heeft gericht, dat de gemeente een eis in reconventie tegen Divine heeft ingesteld en dat Divine ook als procespartij is aangemerkt in meerdere procedures tussen partijen. Over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en over de toepasselijkheid van het Nederlands recht 3.6.1. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in rov. 3.5.3 is overwogen, constateert het hof dat Divine gevestigd is in de Verenigde Arabische Emiraten. Het geschil heeft dus internationale aspecten. Het hof moet daarom allereerst vaststellen of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Die bevoegdheid is ten aanzien van het geschil in conventie aanwezig omdat de gemeente als gedaagde partij gevestigd is in Nederland (artikel 2 Rv). Uit artikel 7 lid 2 Rv volgt in dit geval dat de Nederlandse rechter ook bevoegd is ten aanzien van het geschil in reconventie. 3.6.2. Tussen partijen staat vast dat op hun geschil Nederlands recht van toepassing is. Beide partijen hebben zich op bepalingen van Nederlands recht beroepen. Over het spoedeisend belang van Divine bij haar vorderingen in conventie en over het spoedeisend belang van de gemeente bij haar vorderingen in reconventie. 3.7.1. Naar het oordeel van het hof had Divine, uitgaande van haar stellingen, ten tijde van het kort geding bij de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen in conventie om een beoordeling van die vorderingen in kort geding te rechtvaardigen. 3.7.2. Naar het oordeel van het hof had de gemeente, uitgaande van haar stellingen, ten tijde van het kort geding bij de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen in reconventie om een beoordeling van die vorderingen in kort geding te rechtvaardigen. 3.7.3. Het spoedeisend belang dat beide partijen bij hun vorderingen hadden, is echter komen te vervallen als gevolg van het feit dat de gemeente de onroerende zaken van Fort Oranje BV inmiddels op 26 juni 2024 (dus enkele maanden na het beroepen kortgedingvonnis) heeft laten veilen. Bij het antwoord op de vraag welke partij bevoegd was om de veiling ter hand te nemen, bestaat dus geen spoedeisend belang meer, en er bestaat op dit moment geen aanleiding meer om daarover een voorlopige voorziening te treffen. 3.7.4. Het voorgaande laat onverlet dat Divine wel belang heeft bij een beoordeling van haar grieven in dit hoger beroep. Naar vaste rechtspraak levert voor een partij die in eerste aanleg in de proceskosten is veroordeeld, deze veroordeling een voldoende belang op bij het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak. Dat geldt tevens indien de appelrechter in kort geding oordeelt dat spoedeisend belang ontbreekt bij de in hoger beroep te beoordelen vordering, of dat een ordemaatregel anderszins niet meer aan de orde is. De appelrechter moet ook in een dergelijk geval beslissen over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Daartoe moet hij onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag, terecht is toe- of afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep (HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1782, rov. 3.3.2). Het voorgaande betekent dat het hof in deze zaak aan de hand van de door Divine aangevoerde grieven moet beoordelen of de vorderingen van Divine in conventie terecht zijn afgewezen en of de vorderingen van de gemeente in reconventie terecht zijn toegewezen. Het hof zal die beoordeling in het onderstaande uitvoeren. Over het toetsingskader in dit kort geding 3.8.1. Alvorens de door Divine aangevoerde grieven te behandelen, stelt het hof het volgende voorop. Dit kort geding heeft betrekking op de invordering van bestuursrechtelijke geldschulden, zoals neergelegd in de kostenverhaalsbesluiten van 27 november 2017, 20 februari 2018 en 24 mei 2018. Het gaat dus om een executiegeschil in de zin van artikel 438 lid 1 Rv. Ter verkrijging van een voorziening bij voorraad kunnen dergelijke executiegeschillen volgens artikel 438 lid 2 Rv in kort geding voor de voorzieningenrechter worden gebracht. De voorzieningenrechter moest dus in dit kort geding een voorlopig oordeel geven over de vraag of de gemeente bevoegd is om tot tenuitvoerlegging van de ten laste van Divine uitgebrachte kostenverhaalsbesluiten over te gaan. 3.8.2. Bij de beoordeling van een vordering in kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan, geldt dat de schorsing alleen kan worden uitgesproken indien de (verdere) tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid zou opleveren (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, rov. 5.8 sub e). Hiervan is sprake indien de rechter van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal onder meer het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575). Ook kunnen zich andere situaties voordoen waarin in verband met na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten sprake is van misbruik van bevoegdheid overeenkomstig de in art. 3:13 BW genoemde maatstaf. Naar het oordeel van het hof geldt deze maatstaf ook ten aanzien van de tenuitvoerlegging van dwangbevelen die gebaseerd zijn op bestuursrechtelijke besluiten waartegen geen rechtsmiddelen meer openstaan. 3.8.3. Bij de beoordeling van een vordering in kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging indien tegen de ten uitvoer te leggen uitspraak een rechtsmiddel is of nog kan worden ingesteld, heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.