GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 23/1834 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] V.O.F., gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 november 2023, nummer BRE 22/1468, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.6. Belanghebbende heeft tijdens de zitting, zonder bezwaar van de andere partij, een kopie overgelegd van het verzoek aan de RDW van 25 oktober 2021 tot aanpassing van de CO2-uitstoot in het kentekenregister. 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 15 juni 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een [merk auto] + met VIN nummer eindigend op [VIN] naar een te betalen bedrag aan BPM van € 1.509. 2.2. Bij de aangifte is een expertiseverslag gevoegd van Waardetaxaties.nl van 15 juni 2021. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 19.202 op basis van een koerslijst EurotaxGlass’s. Voorts heeft de taxateur een bedrag van € 5.351 wegens schade op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht en een bedrag van € 5.000 in verband met schadeverleden. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is vastgesteld op € 8.851. De historische nieuwprijs is bepaald op € 38.275. Bij de aangifte is een bruto BPM berekend van € 6.527, waarbij is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 130 gr/km. 2.3. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd omdat uitgegaan moet worden van een CO2-uitstoot van 179 gr/km zoals de RDW dit heeft opgenomen in het kentekenregister. De in de aangifte vermelde handelsinkoopwaarde is door de inspecteur niet aangepast. 2.4. De naheffingsaanslag is opgelegd naar een bedrag van € 635. 2.5. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen. 2.6. Op verzoek van belanghebbende heeft de RDW de CO2-uitstoot zoals die stond vermeld in het kentekenregister aangepast naar 130 gr/km. De RDW heeft op 12 maart 2024 de inspecteur bericht dat de wijziging een gevolg is van een verzoek van belanghebbende en dat belanghebbende daarbij een certificaat van overeenstemming heeft overgelegd waaruit blijkt dat de CO2-uitstoot 130 gr/km bedraagt. Een afschrift van dit certificaat heeft de inspecteur overgelegd. 3Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. In het bijzonder zijn daarbij de volgende vraagpunten aan de orde: Dient de bruto-BPM te worden verlaagd in verband met de lagere CO2-uitstoot? Kan de inspecteur een beroep doen op interne compensatie? 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de naheffingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4Gronden Ten aanzien van het geschil 1. CO2-uitstoot 4.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de RDW aanvankelijk de CO2-uitstoot heeft vastgesteld via de Scandinavische methode op 179 gr/km en dat dit onjuist is, aangezien de CO2-uitstoot volgens de NEDC2-methode 130 gr/km bedraagt en dat dit volgt uit het certificaat van oorsprong. Belanghebbende heeft een verzoek om herziening van de kentekenregistratie bij de RDW gedaan en de RDW heeft daaraan gevolg gegeven. 4.2. Op grond van artikel 6a, lid 1, Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: UR BPM), blijkt voor de toepassing van artikel 9, lid 13, Wet BPM de CO2-uitstoot uit het kentekenregister. Indien de CO2-uitstoot niet blijkt uit het kentekenregister dan wordt op grond van artikel 6a, lid 2, UR BPM de CO2-uitstoot vastgesteld op basis van onder andere de typegoedkeuring dan wel het afgegeven certificaat van overeenstemming (letter a). 4.3. In het kentekenregister stond aanvankelijk een CO2-uitstoot van 179 vermeld. De inspecteur is bij het opleggen van de naheffingsaanslag dan ook terecht uitgegaan van de vermelde uitstoot in het kentekenregister. Anders dan de inspecteur kennelijk meent, betekent dit niet dat in het geval de belastingplichtige van mening is dat de geregistreerde uitstoot onjuist is, een latere aanpassing in het kentekenregister niet gevolgd zou moeten worden. In de toelichting op de ministeriële regeling van 18 december 2019, is het volgende vermeld: “2.9 Het bepalen van de omvang van de uitstoot van CO2 De hoogte van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) voor personenauto’s is gebaseerd op de omvang van de uitstoot van CO2. Het vaststellen van deze uitstoot geschiedt op basis van de geregistreerde uitstoot in het kentekenregister. Als de bpm is verschuldigd ter zake van de registratie in het kentekenregister heeft deze werkwijze diverse voordelen. Allereerst hoeven bij de aangifte geen bewijsmiddelen meer worden verzameld over de uitstootgegevens. Daarnaast is een eenduidig voertuigbeeld op grond van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) en de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM 1992) verzekerd. Tot slot voorkomt het dat belanghebbende – als hij het niet eens is met de geregistreerde uitstootgegevens – zowel bij de Dienst Werkverkeer (RDW) áls de inspecteur hiertegen moet ageren. In dat geval volstaat het om enkel bij de RDW de uitstootgegevens ter discussie te stellen. In fiscale zin wordt namelijk de registratie door de RDW gevolgd. (...)” Noch de tekst, noch de toelichting op de UR BPM geven steun aan het standpunt van de inspecteur dat de CO2-uitstoot niet op een later tijdstip dan het moment van registratie kan worden vastgesteld indien er sprake is van een verkeerde registratie in het kentekenregister. Uit de toelichting volgt juist dat de belastingplichtige kan volstaan met de registratie ter discussie te stellen bij de RDW en dat de inspecteur deze registratie volgt, dus ook de gewijzigde registratie. 4.4. Het vorenstaande betekent dat – nu de RDW de CO2-uitstoot in het kentekenregister heeft aangepast – uitgegaan moet worden van een CO2-uitstoot van 130 gr/km. De bruto BPM bedraagt daarom € 6.527 overeenkomstig het standpunt van belanghebbende. 2. Waardevermindering in verband met schade(verleden) 4.5. Belanghebbende heeft aangifte gedaan met behulp van een taxatierapport. In dat taxatierapport wordt een bedrag aan schade opgenomen en een waardevermindering in verband met een schadeverleden. 4.6. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag alleen de bruto BPM gecorrigeerd in verband met de hogere CO2-uitstoot volgens het kentekenregister. Er heeft dus geen correctie plaatsgevonden ten aanzien van de in de aangifte vermelde handelsinkoopwaarde na aftrek van schade. De inspecteur heeft zich in beroep en hoger beroep op het standpunt gesteld dat ten onrechte een waardevermindering in verband met schade en schadeverleden heeft plaatsgevonden en meent dat geen sprake is van schade en de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld op € 19.202 overeenkomstig de koerslijst van EurotaxGlass’s. 4.7. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur daarmee in strijd met het vertrouwensbeginsel handelt. 4.8. Het hof volgt belanghebbende niet in dit standpunt. De inspecteur kan vertrouwen hebben gewekt wanneer belanghebbende redelijkerwijs de indruk mocht hebben dat de inspecteur bewust een standpunt had bepaald. Uit de brieven van 17 september 2021 en 8 oktober 2021 valt op geen enkele wijze te lezen dat de inspecteur het taxatierapport heeft beoordeeld. Hij heeft slechts aangegeven dat in de aangifte is uitgegaan van een onjuiste CO2-uitstoot. De inspecteur heeft zich daarbij gebaseerd op de gegevens van de RDW. Op geen enkele wijze valt hieruit af te leiden dat de inspecteur het taxatierapport inhoudelijk heeft beoordeeld en zich heeft geconformeerd aan de door de taxateur vermelde schadebedragen. Het hof is dan ook van oordeel dat de inspecteur de omvang van de schade en daarmee de handelsinkoopwaarde in het kader van interne compensatie ter discussie mag stellen. 4.9. Het hof stelt voorop dat de verschuldigde BPM met betrekking tot gebruikte personenauto’s wordt berekend met inachtneming van een vermindering. Deze vermindering is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs en de BPM op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van die vermindering rusten op de belastingplichtige. De vermindering heeft tot doel om bij de heffing van BPM ter zake van gebruikte personenauto’s rekening te houden met een (bij benadering) reële waardedaling van het desbetreffende voertuig. 4.10. De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit - met inachtneming van bepaalde voorwaarden - kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken, namelijk door een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel door een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling BPM voorziene afschrijvingstabel. Hetgeen hiervoor onder 4.9 is overwogen brengt mee dat de belastingplichtige die kiest voor één van die methodes, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk dient te maken die meebrengen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.