Parketnummer : 20-001869-21 Uitspraak : 25 juli 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 juli 2021 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-090956-19 en 02-044465-21, tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van parketnummer 02-090956-19 ‘Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod’ en parketnummer 02-044465-21 ‘Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid en artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank twee personenauto’s verbeurd verklaard. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf, en in zoverre opnieuw rechtdoende, aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest. Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 02-044465-21 tenlastegelegde. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust, met inbegrip van de beslissing op het beslag, met verbetering en aanvulling van de gronden, behalve voor wat betreft de bewezenverklaring en de kwalificatie van het onder parketnummer 02-044465-21 tenlastegelegde en de opgelegde straf. In zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen. Bijgevolg zal het hof ook de met de opgelegde straf samenhangende strafoverwegingen en toepasselijke wettelijke voorschriften vervangen. Bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder parketnummer 02-044465-21 Met betrekking tot het tenlastegelegde onder parketnummer 02-044465-21 acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat: hij in de periode van 20 november 2018 tot en met 15 april 2019 te Etten-Leur heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, tweede en derde en vierde en vijfde lid, namelijk het in de uitoefening van een bedrijf of beroep opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 aanhef en onder A en B en C van de Opiumwet, te weten het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van: - grote hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II en - grote hoeveelheden van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte onder parketnummer 02-044465-21 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe in het bijzonder het volgende. Anders dan de rechtbank, acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de criminele organisatie tevens als oogmerk had het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van cocaïne en/of amfetamine. Weliswaar kan op basis van het dossier worden vastgesteld dat twee verdachten die ook deel uitmaken van de criminele organisatie, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , een keer een hoeveelheid cocaïne en een keer een hoeveelheid amfetamine opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland hebben gebracht, maar nu het in beide gevallen gaat om een eenmalige activiteit en uit de overige bewijsmiddelen veeleer blijkt van een criminele organisatie gericht op hennep, acht het hof niet bewezen dat het oogmerk van de criminele organisatie ook op deze misdrijven was gericht. Bewijsmiddelen Het hof neemt de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen over met uitzondering van de hieronder aangeduide woorden / zinnen / passages / alinea’s met betrekking tot het bewijs van het onder parketnummer 02-044465-21 bewezenverklaarde die zien op harddrugs (amfetamine en cocaïne). De bewijsmiddelen zijn opgenomen in Bijlage II bij het vonnis. De inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen die het hof wel overneemt wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd. De navolgende cursief weergegeven woorden / zinnen / passages / alinea’s uit de door de rechtbank met betrekking tot het onder parketnummer 02-044465-21 bewezenverklaarde gebruikte bewijsmiddelen neemt het hof niet over: pag. 18, 3e alinea, onder het kopje ‘Zaterdag 9 maart 2019: ‘Opmerking verbalisant: [medeverdachte 7] is op 15 maart 2019 afgevangen met een partij van 44,58 kg amfetamine, afkomstig uit de loods [adres 2] ’. pag. 19, 5e alinea, onder het kopje ‘Vrijdag 15 maart 2019’: ‘Amfetamine Tevens arriveerde die ochtend een Belgisch voertuig, [kenteken] bij de loods, met als bestuurder [medeverdachte 7] . [medeverdachte 7] loopt met een plastic tas het kantoor in. [medeverdachte 7] blijft die ochtend in de loods aanwezig tot de bestuurder van een bestelbus, [medeverdachte 8] bij de loods arriveert. Vanuit diens bestelbus worden een aantal tassen, oa door [medeverdachte 3] , overgeladen in het voertuig van [medeverdachte 7] . Nadien werd [medeverdachte 7] aangehouden en bleek de inhoud van de tassen in totaal 46 kg amfetamine te bevatten. Aanwezig waren hierbij [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] ’. pag. 20/21, 2e alinea, onder het kopje ‘Dinsdag 26 maart 2019’, onder het subkopje ‘Hasj / cocaïne: ‘/ cocaïne’ in het subkopje en ‘(…) 1 kilogram cocaïne (…)’. pag. 23, 3e alinea, in de conclusie volgend na het kopje ‘Maandag 15 april 2019’: ‘(…) 44,58 kg amfetamine en 1 kg cocaïne’. Voor de leesbaarheid en duidelijkheid van het arrest heeft het hof het vonnis waarvan beroep aan dit arrest gehecht en daarin de genoemde woorden / zinnen / passages / alinea's die het niet overneemt uit de bewijsmiddelen doorgehaald. Bewijsoverwegingen Met betrekking tot het onder parketnummer 02-044465-21 tenlastegelegde De verdediging heeft, op de gronden als verwoord in de pleitnota, vrijspraak bepleit van deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 11b van de Opiumwet. Deze gronden komen – kort gezegd – op het volgende neer. Niet kan worden bewezen dat sprake was van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur. Als al sprake was van een organisatie, kan niet worden bewezen dat die organisatie als oogmerk had het plegen van drugsdelicten. Bovendien is er geen bewijs dat de verdachte heeft deelgenomen aan die organisatie. De verdachte heeft geen aandeel gehad in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het bedoelde oogmerk en ook het vereiste opzet ontbrak bij de verdachte, aldus de verdediging. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Juridisch kader Aan de verdachte is tenlastegelegd het deelnemen aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 11b van de Opiumwet (als logische specialis van art. 140 van het Wetboek van Strafrecht). De organisatie had volgens het Openbaar Ministerie als oogmerk, kort gezegd: het voorbereiden en/of het in de uitoefening van een bedrijf of beroep opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of telen en/of bereiden en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep en hasj en/of het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van cocaïne en/of amfetamine. Bij de beoordeling van dit feit stelt het hof het volgende voorop. Eerst moet worden vastgesteld of sprake is van een ‘organisatie’. Onder ‘organisatie’ wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere rechts- dan wel natuurlijk persoon. Daarvoor is niet noodzakelijk dat binnen het samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan individuele leden gebonden waren en waarbij op de deelnemers druk werd, of kon worden, uitgeoefend zich aan die regels te houden. Evenmin is vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Gezagsverhoudingen (hiërarchie), rolverdeling, regels en een onder een gemeenschappelijke naam optreden tegenover derden kunnen sterke aanwijzingen zijn voor een samenwerkingsverband en daarmee een organisatie, maar zijn niet vereist om dit vast te kunnen stellen. Een organisatie zoals hiervoor bedoeld, wordt pas een criminele organisatie als vast komt te staan dat de organisatie het oogmerk heeft op het plegen van een misdrijf / misdrijven. Daarvoor is van belang dat gekeken wordt naar de misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd en aan het duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking, te weten de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten van de deelnemers gericht op het doel van de organisatie. Van belang hierbij is om op te merken dat het oogmerk van de organisatie niet hetzelfde is als het oogmerk van de deelnemer. In het deelnemen aan de organisatie ligt het opzet besloten. De deelnemer moet weten dat de organisatie het oogmerk heeft het plegen van een misdrijf / misdrijven. Niet vereist is dat de deelnemer opzet heeft op de door de organisatie beoogde of gepleegde, concrete misdrijven. Bij de vraag of sprake is geweest van deelneming aan een criminele organisatie is niet vereist dat vastgesteld wordt dat een verdachte voor alle tenlastegelegde feiten – in het kader van de criminele organisatie – verantwoordelijk is. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van deelneming bij de afzonderlijke de verdachte gaat er om of kan worden vastgesteld: - of de verdachte – in zijn algemeenheid – wist dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven (waarbij voorwaardelijk opzet niet voldoende is) en - of de verdachte een aandeel heeft gehad c.q. ondersteunende handelingen heeft verricht, gericht op verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Bij deze beoordeling speelt een belangrijke, maar geen beslissende rol of een verdachte wordt veroordeeld voor één van de afzonderlijke tenlastegelegde andere feiten in het kader van de criminele organisatie. In dit kader wordt nog opgemerkt dat niet vereist is dat komt vast te staan dat een persoon moet hebben samengewerkt met, althans bekend is geweest met alle andere natuurlijke en rechtspersonen die deel uitmaken c.q. uitmaakten van de organisatie. Beoordeling Het hof overweegt, gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank, het volgende. Naar het oordeel van het hof volgt uit de gebruikte bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, dat er in de periode van 20 november 2018 tot en met 15 april 2019 sprake is geweest van een gestructureerde samenwerking gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, tweede, derde, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet. Uit de camerabeelden blijkt dat alle zeven in de tenlastelegging genoemde verdachten in de periode van 21 februari 2019 tot en met 15 april 2019 zeer regelmatig, en sommigen zelfs vrijwel dagelijks, aanwezig zijn geweest in de loods aan [adres 2] en dat zij daar, in wisselende samenstellingen, activiteiten hebben verricht die verband houden met de handel in hennep en hasj. Deze activiteiten worden per dag beschreven in de gebruikte bewijsmiddelen. Het gaat dan onder meer om het uit-, in- en/of overladen van hennep en hasj en het keuren en herverpakken ervan. Voor zover de verdediging heeft betwist dat de verdachte een of meer van dergelijke gedragingen heeft begaan en/of dat hij alleen in de loods kwam om te ‘chillen’ zonder enige betrokkenheid te hebben gehad bij de drugshandel, vindt het zijn weerlegging reeds in de gebruikte bewijsmiddelen, in het bijzonder in de beschrijving van de camerabeelden. Het hof voegt daaraan toe, dat het bovendien niet geloofwaardig is dat als personen bezig zijn met verboden drugshandel in een loods, zij tegelijkertijd anderen toelaten in die ruimte om daar alleen te ‘chillen’. De handel in drugs gaat immers gepaard met grote risico’s voor de betrokkenen, vanwege de geldwaarde van die drugs, de veelal grote contante geldbedragen die in die handel omgaan en de kans op ontdekking door concurrenten of de politie. Om deze risico’s zo klein mogelijk te houden, zullen alleen rechtstreeks betrokkenen tot dit proces worden toegelaten en zullen pottenkijkers die alleen in de loods aanwezig willen zijn om te ‘chillen’ daarbij normaal gesproken niet worden getolereerd. Uit de bewijsmiddelen komt voorts naar voren dat de handel niet beperkt bleef tot enkele dagen, maar dat sprake was van een komen en gaan van leveranciers en afnemers èn een continu proces van ontvangst en levering van partijen drugs, waarbij iedere genoemde verdachte gedurende de gehele periode op vele dagen was betrokken. Gedurende 54 observatiedagen werden enkele tientallen afzonderlijke transacties waargenomen. Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof ook de duurzaamheid van de organisatie. Op de camerabeelden, zoals beschreven in de gebruikte bewijsmiddelen, is te zien dat er bijna dagelijks handelingen werden verricht die te maken hadden met de handel in softdrugs. Weliswaar zijn niet alle waargenomen pakketten afgevangen, maar nu de gedragingen van de verdachte en de medeverdachten met en rond die pakketten steeds vergelijkbaar waren met de gedragingen die zijn waargenomen bij de pakketten die wel zijn afgevangen en waarvan is vastgesteld dat die softdrugs bevatten en ook de verpakkingen van die pakketten telkens min of meer gelijk waren, heeft het hof geen enkele aanleiding om eraan te twijfelen dat al die pakketten telkens hasj of hennep bevatten en dat die gedragingen betrekking hadden op de handel daarin. De verdachte en de medeverdachten hebben ook niet verklaard dat het om iets anders zou gaan dan om hasj of hennep. Gelet op het bovenstaande stelt het hof vast dat er sprake was van stelselmatige activiteiten met een vaste modus operandi, waarbij alle verdachten, in wisselende samenstellingen, actief waren betrokken met het doel softdrugs te verhandelen. Daarmee staat voor het hof vast dat de handel in softdrugs het oogmerk was van de organisatie. Met de rechtbank stelt het hof verder vast dat ook de (verlengde) uitvoer van softdrugs tot het oogmerk van de organisatie behoorde. De loods waar de drugs werden verhandeld bevindt zich niet ver van de Belgische grens en gedurende het onderzoek zijn meerdere malen auto’s met Belgische kentekens de loods in- en uitgereden die hennep of hasj kwamen halen of brengen. Enkele malen is een auto met verdovende middelen die de loods had verlaten bovendien op weg naar België onderschept. Het hof is van oordeel dat de gedragingen met betrekking tot de softdrugs kunnen worden aangemerkt als te zijn begaan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, gelet op het grote aantal transacties in een betrekkelijk korte tijd, de hoeveelheid verhandelde drugs, de vaste manier van werken en de mate waarin de verdachten op elkaar waren ingespeeld. Een en ander is duidelijk niet het werk geweest van personen die ‘het erbij deden’, maar van professionals. Gelet hierop komt het hof tot de conclusie dat het samenwerkingsverband als een organisatie kan worden aangemerkt met een gestructureerd en duurzaam karakter. Alle verdachten hebben in de tenlastegelegde periode deelgenomen aan deze organisatie. De bijdrage die de verdachte leverde is naar het oordeel van het hof van voldoende intensiteit en duur geweest, waardoor hij kan worden aangemerkt als deelnemer van de organisatie. Het bewijs van het opzet van de verdachte, zowel op de deelname aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie volgt reeds uit de bewijsmiddelen. Bij het ontbreken van (voor het bewijs bruikbare) verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten omtrent ieders taken en verantwoordelijkheden kan op basis van alleen de camerabeelden een precieze gezagsverhouding en rolverdeling tussen de verdachten naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld. Wel kan worden vastgesteld dat sprake was van een structuur waarbij eenieder wist wat er gedaan moest worden. Samen met de anderen werd er op geroutineerde wijze gezorgd dat de handelingen die op dat moment van hen werden verwacht, werden uitgevoerd. Het hof merkt alle verdachten dan ook aan als deelnemer aan de criminele organisatie. Wat betreft de tenlastegelegde periode overweegt het hof als volgt. De aanleiding van het onderzoek ‘Verdejo’ is onder andere geweest de controle van een Chrysler Grand Voyager met verborgen ruimtes en met als bestuurder [betrokkene] op 20 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.