GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.317.873/01 arrest van 29 oktober 2024 in de zaak van [appellant] , tevens handelend onder de naam [Autopoetsbedrijf ---], wonende te [woonplaats] , appellant, hierna ook te noemen: [appellant] , advocaat: mr. N.A.W.E. Jansen te Utrecht, tegen [geïntimeerde] , tevens handelend onder de naam [xxx], wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna ook te noemen: [geïntimeerde] , advocaat: mr. C.A.M.H. Vink te 's-Hertogenbosch, op het bij exploot van dagvaarding van 12 oktober 2022 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, gewezen vonnis van 13 juli 2022 tussen [appellant] als gedaagde en geïntimeerde als eiser. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9911177 CV EXPL 22-1640) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis van 13 juli 2022. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep van 12 oktober 2022; tussenarrest van 13 december 2022, waarbij een mondelinge behandeling na aanbrengen is bepaald; de mondelinge behandeling na aanbrengen, gehouden op 3 januari 2023; de memorie van grieven met producties (nr. 1 t/m 14) van 28 maart 2023; de memorie van antwoord met producties (nr. 11 t/m 24) van 23 mei 2023; het procesdossier in eerste aanleg en de mondelinge behandeling van 4 oktober 2023, waarbij mr. Jansen een pleitnota heeft overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De feiten 3.1. Op 3 maart 2020 zijn partijen mondeling een overeenkomst van opdracht (artikel 7:400 BW) overeengekomen. Een opdrachtbevestiging, offerte of een schriftelijke overeenkomst is niet aanwezig. 3.2. [geïntimeerde] heeft in zijn klantdossier op dezelfde dag (hof: eenzijdig) een samenvatting gemaakt van het gesprek tussen beide partijen (hierna: de interne gespreksnotitie van de kennismaking). “Op 3-3-2020 kennisgemaakt met [appellant] Auto Poets Bedrijf [Autopoetsbedrijf ---] Gestart 10/11 jaar geleden Huidige boekhouder nauwelijks contact mee Levert aan: + foto van kasboek + bonnen per post iedere twee weken Afgesproken: Boekhouding + btw voor € 200 per maand Heeft behoefte aan advies, zoals maandcijfers Zou graag kostprijsberekening maken (dus we moeten aantallen per product tracken, hem tijd laten schatten, en terugbrengen naar man-uren) Winst circa 30K per jaar, geschatte IB 2K + ZVW 1,5K Onttrekt € 1.750 per maand Kan privé rondkomen, samen met salaris vrouw. Privé hypotheek, verder geen schulden. (behalve wss Belastingdienst) Zakelijk hypotheek + crowdfunding + schulden bij familie en vrienden + Belastingdienst In kaart brengen + aflossingen instellen Vorige boekhouder: 2018 is recent afgerond door hem Voorstel is om hem 2019 te laten doen” 3.3. [geïntimeerde] heeft vervolgens de volgende drie facturen verzonden: [factuurnummer] Factuurdatum 31-10-2020 Omschrijving Boekhouding januari t/m september 2020 Omzetbelasting 2020 Loonadministratie 2020 Advieswerkzaamheden 2020 Totaal exclusief btw € 1.800,00 (€ 2.178,00 inclusief btw) [factuurnummer] Factuurdatum 28-06-2021 Omschrijving Boekhouding oktober t/m december 2020 Loonadministratie oktober t/m december 2020 Omzetbelasting 4e kwartaal 2020 Totaal exclusief btw € 600,00 (€ 726,00 inclusief btw) [factuurnummer] Factuurdatum 28-06-2021 Omschrijving Facturatie en debiteurenbeheer 2020 4.264,20 Betalingen en betalingsregelingen 2020 347,98 Advieswerkzaamheden (BBZ, TOZO, etc) 921,25 Diverse besprekingen 255,00 Totaal exclusief btw € 5.788,43 (€ 7.004,00 inclusief btw) 3.4. Bij brief van 12 juli 2021 heeft [geïntimeerde] een betalingsherinnering verzonden voor het totaal openstaande bedrag van € 9.907,74 (inclusief btw). 3.5. In een e-mail van 22 juli 2021 aan [appellant] heeft [geïntimeerde] een specificatie gegeven van de werkzaamheden waarvoor al gefactureerd was en daarbij het volgende geschreven: “(…) Voor het verwerken van de boekhouding hadden we € 200 per maand afgesproken. Over het gehele jaar komt dat uit op € 2.400. Je ziet dat de hoeveelheid werk al veel meer is geweest dan dat bedrag. Daarnaast heb je ons gevraagd om de wekelijkse facturatie voor je te verzorgen, herinneringen te sturen aan je klanten, betalingen voor je uit te voeren, betalingsregelingen in de gaten te houden etc. Voor deze werkzaamheden is geen vaste prijsafspraak en wordt dat dus gefactureerd tegen uurtarief. Nu wil ik je wel tegemoetkomen door de advieswerkzaamheden en besprekingen in mindering te brengen, totaal € 1.176,25 ex btw. Dat is onder de voorwaarde dat de rest deze maand betaald wordt. Is dat akkoord?” 3.6. Bij brieven van 26 juli en 3 augustus 2021 heeft [geïntimeerde] opnieuw betalingsherinneringen aan [appellant] verzonden voor het totaal openstaande bedrag van € 9.907,74 (inclusief btw). 3.7. In een e-mail van 9 augustus 2021 heeft [appellant] als volgt gereageerd: “(…) Voordat ik bij jullie mijn boekhouding heb ondergebracht hebben wij een vast bedrag van €200,- per maand afgesproken voor mijn gehele boekhouding inclusief facturatie en loonadministratie en dergelijke. Dit bedrag betaalde ik ook aan mijn boekhouder die voor jullie mijn boekhouding verzorgde. Dit is tijdens ons gesprek ook aan de orde gekomen. Hier was je ook mee akkoord gegaan. De facturatie is een onderdeel van mijn boekhouding net zoals mijn loonadministratie en wordt niet achteraf toegevoegd aan de boekhouding. Daarom aanvaard ik de extra kosten voor deze en de andere werkzaamheden die volgens jullie buiten de €200,- per maand vallen niet. Daarnaast is de verloning niet correct geweest. Ik heb meerdere malen een brief van het CAK en vervolgens van het CJIB ontvangen en deze bij jullie afgegeven om een deel van de loon van twee werknemers in te houden vanwege wanbetaling van de zorgverzekering. Hier heb ik vanuit jullie geen reactie op gehad waardoor ik nu door jullie nalatigheid flinke boetes heb moeten betalen. Ik heb nooit een terugkoppeling ontvangen over de stand van zaken van mijn bedrijf. Boekhouding is niet alleen het invoeren van facturen en de btw aangiftes indienen. Als cliënt verwacht ik van mijn boekhouder betrokkenheid, terugkoppeling van het resultaat. Maar in ieder geval een kort telefonisch of per email toelichting over hoe mijn onderneming zich financieel ontwikkelt of waar ik op moet letten en wat extra aandacht vereist. Hierbij geef ik nogmaals aan dat ik niet akkoord ga met de factuur waarop achteraf allerlei kosten op worden doorgevoerd die niet zijn afgesproken. Ik zal alleen tot betaling over gaan voor het bedrag wat wij hebben afgesproken van €200,- per maand voor de periode waarvoor jullie mijn boekhouding hebben verzorgd.” 3.8. Bij per e-mail verzonden brief van 21 december 2021 heeft de gemachtigde van [appellant] de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd op grond van dwaling. In deze brief staat onder meer het volgende: “(…) In een concept-dagvaarding van uw hand van 11 oktober 2021 komt een bedrag van 10.153,10 euro naar voren. Hierbij wijs ik - namens [appellant] / [Autopoetsbedrijf ---] - de claim van [geïntimeerde] / [xxx] af. (…) (…) Partijen hebben mondeling een vaste prijs-afspraak gemaakt, die juist geen ruimte bood voor het - zonder nader overleg - in rekening brengen van meerwerk. Ik concludeer dat [geïntimeerde] / [xxx] - bij of voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst - met [appellant] / [Autopoetsbedrijf ---] onvoldoende en/of onjuiste informatie heeft gegeven over de uit te voeren werkzaamheden en de prijs. Daarom vernietig ik in dit schrijven buitengerechtelijk de overeenkomst tussen partijen op grond van dwaling; zodat alle betalingen in het kader van de overeenkomst teruggedraaid moeten worden. (…) Geen overeenkomst bij juiste voorstelling van zaken. Indien [xxx] had gemeld dat hij meende dat zijn werkzaamheden niet zouden bestaan uit het verzorgen van de volledige boekhouding of dat het hem vrij zou staan, buiten het overeengekomen maandbedrag, naar eigen inzicht facturen te sturen voor meerwerk, was er nimmer een overeenkomst gesloten. De overeenkomst tussen partijen is daarom ontstaan onder invloed van dwaling. (…) Vernietiging op grond van dwaling. Ik vernietig hierbij de overeenkomst tussen partijen op grond dwaling en vorder terugbetaling van alle bedragen die onder de overeenkomst zijn voldaan. (…) Definitief oordeel. In dit schrijven heb ik mijn definitieve oordeel gegeven over de vorderingen vanuit mijn deskundigheid als advocaat.” 3.9. [geïntimeerde] heeft met deze vernietiging wegens dwaling ingestemd en twee (in de woorden van [geïntimeerde] :) ‘corrigerende’ facturen aan [appellant] verzonden voor bedragen ad € 3.730,00 (€ 4.513,30 inclusief btw) -hof: voor drie posten tegen uurtarief- en € 5.841,25 (€ 7.067,91 inclusief btw) -hof: voor vier posten tegen uurtarief-. In deze facturen worden de reeds gefactureerde bedragen (vgl. de facturen hiervoor onder 3.3.) in mindering gebracht. [factuurnummer] Factuurdatum 30-12-2021 Omschrijving Boekhouding 2020 2.501,25 Omzetbelasting 2020 125,00 Loonadministratie 2020 1.103,75 Reeds gefactureerd - 2.400,00 totaal exclusief btw € 1.330,00 btw 21% € 279,30 totaal inclusief btw € 1.609,30 [factuurnummer] Factuurdatum 31-12-2021 Omschrijving Facturatie en debiteurenbeheer 4.305,00 Betalingen en betalingsregelingen 360,00 Advieswerkzaamheden (...) 921,25 Diverse besprekingen 255,00 Reeds gefactureerd -5.788,43 totaal exclusief btw € 52,82 btw 21 % € 11,09 totaal inclusief btw € 63,91 3.10. [appellant] heeft een bedrag van € 2.178,00 aan (de gemachtigde van) [geïntimeerde] voldaan. 4De procedure bij de rechtbank 4.1. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg – kort weergegeven – gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat er sprake is van dwaling en dat [appellant] een redelijk loon verschuldigd is op grond van artikel 6:210 BW. Verder is gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen (aan hoofdsom + rente t/m 26 januari 2022 + buitengerechtelijke kosten, minus een betaling door [appellant] van € 2.178,00) een bedrag van € 10.853,10, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 11.580,95, en wordt veroordeeld in de proceskosten inclusief nakosten. [geïntimeerde] heeft aan zijn vorderingen in eerste aanleg – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] heeft [geïntimeerde] oorspronkelijk (begin maart 2020) gevraagd de boekhouding en btw aangiften te verzorgen van boekjaar 2020 voor € 200,00 ex btw per maand. [appellant] heeft vervolgens daarnaast gevraagd om aanvullende werkzaamheden, zoals het opstellen van de wekelijkse facturen en het klaarzetten van betalingen, die niet onder de prijsafspraak vielen en afzonderlijk zijn gefactureerd conform artikel 7:405 BW (productie 5: [factuurnummer] ). De gemachtigde van [appellant] heeft de overeenkomst (van opdracht) vervolgens vernietigd op grond van dwaling. [geïntimeerde] kan zich hierin vinden. Vernietiging dient alles terug te draaien wat de overeenkomst teweeg heeft gebracht. Na de vernietiging van de overeenkomst is de prijsafspraak vervallen. De dienstverlening die [geïntimeerde] heeft geleverd, in opdracht van [appellant] , kan echter -door de aard van de prestatie- niet teruggedraaid (hof: ongedaan gemaakt) worden. Voor deze werkzaamheden is een redelijk loon verschuldigd op grond van artikel 6:210 BW. Ter zake zijn door [geïntimeerde] twee corrigerende facturen aan [appellant] verzonden. € 4.513,30 voor de boekhouding en € 7.067,91 voor de overige werkzaamheden. [geïntimeerde] heeft niet meer dan marktconforme uurtarieven berekend voor zijn diensten. [geïntimeerde] heeft op grond van de urenspecificatie een redelijk loon te vorderen voor een bedrag van € 11.580,95 (het hof berekent het bedrag op € 11.581,21 maar zal zich conformeren aan het gestelde lagere bedrag) in hoofdsom. [geïntimeerde] heeft hierbij rekening gehouden met een uurtarief en registratie die marktconform is in de branche, aldus [geïntimeerde] . 4.2. [appellant] heeft in eerste aanleg niet tijdig een conclusie van antwoord genomen. 4.3. Bij e-mail van 24 mei 2022 heeft mr. Jansen de rechtbank verzocht alsnog een mondelinge behandeling in te plannen en/of een korte nadere termijn te gunnen. Volgens mr. Jansen heeft hij in deze zaak – per ongeluk – niet om uitstel verzocht in verband met klemmende omstandigheden (een familietragedie). 4.4. De kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, heeft bij vonnis van 25 mei 2022 de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Bergen op Zoom. 4.5. De kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Bergen op Zoom, heeft bij vonnis van 13 juli 2022 (waarvan beroep) voor recht verklaard dat er sprake is van dwaling en dat [appellant] aan [geïntimeerde] een redelijk loon verschuldigd is op grond van artikel 6:210 BW. De kantonrechter heeft [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 10.853,10 vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 9 februari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Tot slot is [appellant] veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] . De kantonrechter heeft daartoe geoordeeld: “2.3 De vordering van eiser is door gedaagde niet weersproken. Nu de vordering de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal deze worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 11.580,95 niet toewijsbaar is. [Autopoetsbedrijf ---] heeft een deelbetaling gedaan van € 2.178,00 die eerst in mindering strekt op de verschenen rente en de buitengerechtelijke kosten en daarna op de hoofdsom. Gelet op het vorenstaande is de gevorderde wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 9 februari 2022 slechts toewijsbaar over de restantvordering die na deelbetaling € 10.853,10 bedraagt. 2.4 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van eiser tot op heden worden begroot op: explootkosten € 112,30 salaris gemachtigde € 373,00 griffierecht € 244.00 totaal € 729,30.” Ter executie van dit vonnis heeft [geïntimeerde] beslag gelegd en vervolgens ook een verzoek tot faillietverklaring van [appellant] ingediend. Het faillissementsverzoek is uiteindelijk niet doorgezet. 5De procedure in hoger beroep 5.1. [appellant] heeft in hoger beroep gevorderd om, uitvoerbaar bij voorraad: I. het vonnis waarvan beroep te vernietigen en – opnieuw rechtdoende – alle vorderingen van geïntimeerde alsnog af te wijzen en geïntimeerde te veroordelen om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan geïntimeerde heeft voldaan aan [appellant] terug te betalen vermeerderd met de wettelijke rente; II. Primair. De overeenkomst op grond van prijsmisleiding (artikelen 6:193c lid 1 en 6:194 BW) of op grond van dwaling geheel te vernietigen en te bepalen dat alle bedragen moeten worden terugbetaald; Subsidiair. De overeenkomst op de voet van artikel 6:230 BW te verlagen tot € 100,00 per maand of zo nodig schattenderwijs te verlagen; dan wel de overeenkomst partieel te vernietigen; III. geïntimeerde te veroordelen tot het voldoen van een schadevergoeding op te maken bij staat – of te begroten in goede justitie op basis van kennis en ervaring – voor: 1) de tekortkomingen bij de uitvoering van de overeenkomst / schending van de zorgplicht van de boekhouder; 2) de onrechtmatig gelegde beslagen en 3) het misbruik van recht bij de faillissementsaanvraag en de beslagen. IV. te bepalen dat geïntimeerde veroordeeld wordt tot het vergoeden van de werkelijke proceskosten voor zover misbruik is gemaakt van recht en te bepalen dat [appellant] een akte neemt omtrent de hoogte van de werkelijke proceskosten en de overige kosten in verband met het misbruik van recht en een termijn te geven aan geïntimeerde om daarop te reageren en V. geïntimeerden te veroordelen in de (werkelijke) kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten. 5.1.1. [appellant] heeft in hoger beroep daartoe vier (genummerde) grieven aangevoerd. I. [appellant] stelt dat enkel opdracht is verleend voor het verzorgen van de volledige boekhouding voor € 200,00 per maand, dat de na beëindiging van de opdracht opgemaakte facturen van [geïntimeerde] niet voor vergoeding in aanmerking komen en dat er geen nadere afspraken zijn gemaakt over extra werkzaamheden. II. [appellant] beroept zich op dwaling (artikel 6:228 lid 1 sub a BW). Er was nimmer een overeenkomst gesloten als [geïntimeerde] had gemeld dat zijn werkzaamheden niet zouden bestaan uit het verzorgen van de volledige boekhouding of dat het hem vrij zou staan, buiten het overeengekomen maandbedrag, naar eigen inzicht facturen te sturen voor meerwerk. Ook de tekortkomingen had [appellant] niet behoeven te verwachten. [appellant] stelt ingevolge artikel 6:230 BW een prijsvermindering voor tot een bedrag van € 100,00 per maand. [geïntimeerde] meent, aldus [appellant] in de toelichting op deze tweede grief, dat de dwaling hem het recht geeft naar eigen inzicht uren te schrijven – ook buiten de door hem vernietigde afspraken –, maar constructies waarbij naar eigen inzicht uren gerekend kunnen worden zijn volgens [appellant] niet aanvaardbaar zonder een duidelijke kostenindicatie. [appellant] stelt dat de overeenkomst vernietigbaar is, omdat [geïntimeerde] zich schuldig heeft gemaakt aan oneerlijke handelspraktijken in de zin van artikelen 6:193b en 6:193c BW, dan wel aan misleiding in de zin van artikel 6:194 BW, nu een duidelijke kostenindicatie buiten het reguliere tarief ontbrak en [appellant] onvoldoende geïnformeerd was. III. [appellant] stelt dat in de uitvoering van de overeenkomst enkele tekortkomingen hebben plaatsgevonden met betrekking tot verloning en het pensioenfonds met boetes tot gevolg waarvoor [geïntimeerde] aansprakelijk is. IV. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] – hangende het hoger beroep – onrechtmatig geëxecuteerd en moet het doorzetten van het faillissementsverzoek worden aangemerkt als misbruik van recht. [appellant] heeft tot slot gesteld dat inzake prijsmisleiding de bewijslast op [geïntimeerde] rust (artikelen 6:193j en 6:195 BW). Ook heeft [appellant] verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad. 5.2. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord – kort weergegeven – geconcludeerd dat de vorderingen van [appellant] moeten worden afgewezen en dat de uitspraak waarvan beroep moet worden bekrachtigd. 5.2.1. [geïntimeerde] heeft daartoe aangevoerd dat het niet duidelijk is op welke rechtsoverwegingen de grieven van [appellant] betrekking hebben. [geïntimeerde] stelt dat [appellant] de memorie van grieven gebruikt om een verkapte conclusie van antwoord in te dienen. [geïntimeerde] voelt zich zodoende genoodzaakt om verweer te voeren tegen al hetgeen [appellant] in zijn memorie van grieven heeft gesteld -hierna in reactie zakelijk weergegeven per (genummerde) grief: I. [geïntimeerde] stelt dat [appellant] wel degelijk opdracht heeft gegeven voor de overige werkzaamheden (zoals de facturatie en debiteurenbeheer) en dat partijen geen termijnen zijn overeengekomen waarbinnen [geïntimeerde] aan [appellant] moest factureren. II. [appellant] heeft de vernietiging van de overeenkomst gevorderd. [geïntimeerde] stelt dat de overeenkomst echter reeds is vernietigd bij brief van 21 december 2021. Nu [geïntimeerde] heeft ingestemd met de vernietiging, kan daar niet op worden teruggekomen. De vernietiging die [appellant] opnieuw wenst, volgt [geïntimeerde] daarom niet. Er ontstaat voor partijen een verplichting tot ongedaanmaking (artikel 6:271 BW). Voor de geleverde prestaties moet een vergoeding in de plaats treden (ex artikel 6:272 BW). Nu aan de voorwaarden van artikel 6:210 BW wordt voldaan, staat vast dat voor de prestaties een vergoeding / redelijk loon verschuldigd is. De oorspronkelijke overeenkomst kan hierbij niet als uitgangspunt gelden, aangezien deze is vernietigd. Daarnaast zijn partijen het oneens over de interpretatie van de prijsafspraak uit die overeenkomst. De vergoeding moet derhalve opnieuw vastgesteld worden. Het hanteren van een uurtarief is de meest gebruikelijke manier voor het vaststellen van een vergoeding voor administratieve diensten (productie 15). [geïntimeerde] stelt dat zijn gehanteerde uurtarief (van € 50,00 tot € 85,00) redelijk is en dat deze tarieven ook binnen de verwachting van [appellant] moesten passen, mede omdat [appellant] voor de werkzaamheden steeds zelf opdracht heeft gegeven (zie hiervoor onder I). [geïntimeerde] betwist de stelling van [appellant] dat hij op basis van zijn afspraak met twee andere boekhouders mocht verwachten dat voor € 200,00 per maand naast de boekhouding ook de facturatie en andere overige werkzaamheden zouden worden verzorgd. [geïntimeerde] stelt dat een beroep op artikel 6:230 lid 2 BW niet meer openstaat, omdat de overeenkomst al is vernietigd. Om diezelfde reden staat vernietiging ook niet meer open op grond van prijsmisleiding. Overigens stelt [geïntimeerde] dat [appellant] niet kan worden gelijkgesteld aan een consument. III. [geïntimeerde] stelt dat de stelling – dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten – tardief is gevoerd omdat de overeenkomst al is vernietigd op grond van dwaling. [appellant] vordert schadevergoeding, waar tegenover [geïntimeerde] stelt dat op grond van artikel 353 lid 1 Rv een reconventionele vordering niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld. [geïntimeerde] heeft daarnaast de tekortkomingen betwist. IV. [geïntimeerde] stelt dat de executie niet relevant is in dit hoger beroep, omdat de executie geen onderdeel is van het bestreden vonnis. [geïntimeerde] had echter zeer goede – in de memorie van antwoord genoemde – redenen om tot executie over te gaan. Er is dan ook geen sprake van misbruik van recht. 6De beoordeling 6.1. Het hoger beroep is gericht tegen rov. 2.3 en 2.4 en de beslissing onder 3 van het vonnis waarvan beroep en de grieven leggen, nu de vorderingen in eerste aanleg niet zijn weersproken, het gehele geschil opnieuw voor in hoger beroep, aldus [appellant] . Het hof acht het toegestaan dat [appellant] , gebruikmakend van de herstelfunctie van het hoger beroep, op deze manier in feite (alsnog) verweer voert tegen de (in eerste aanleg toegewezen) vorderingen van [geïntimeerde] , echter slechts voor zover de grieven het debat ontsluiten. 6.2.1. Het geschil gaat -naar het oordeel van het hof- in de kern om de vaststelling van de door [appellant] al dan niet (gedeeltelijk) verschuldigde vergoeding voor door [geïntimeerde] uitgevoerde werkzaamheden. Dit is in het bijzonder aan de orde bij hetgeen is aangevoerd ter onderbouwing van het door [appellant] in hoger beroep gevorderde onder I. Het hof zal daarop allereerst ingaan. Grieven I en (gedeeltelijk) II 6.3. Dat oorspronkelijk -als gesteld door [geïntimeerde] - een overeenkomst van opdracht tussen partijen tot stand is gekomen is niet betwist door [appellant] . Tussen partijen staat ook niet ter discussie dat oorspronkelijk € 200,00 per maand (exclusief btw) voor ‘de boekhouding’ is afgesproken. Partijen verschillen wel van mening over de omvang van het begrip ‘de boekhouding’. [geïntimeerde] stelt dat € 200,00 per maand (exclusief btw) enkel voor sec de boekhouding is afgesproken, maar dat daaronder niet de werkzaamheden ten aanzien van de facturatie, het debiteurenbeheer en advieswerkzaamheden vallen, waarvoor, zo stelt [geïntimeerde] ook, [appellant] aanvullende/nadere opdrachten heeft verstrekt naast het doen van ‘de boekhouding’. [geïntimeerde] stelt dan ook oorspronkelijk overeenkomstig dat tarief (van € 200,- euro exclusief btw per maand) gefactureerd te hebben voor ‘de boekhouding’ (zie de facturen met nrs. 210763 en 10602 hiervoor onder 3.3.) en later daarnaast voor nadere werkzaamheden volgens uurtarief. Een en ander wordt door [appellant] betwist. Zij stelt dat partijen mondeling een vaste (all-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.