GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.323.936/01 arrest van 29 oktober 2024 in de zaak van 1 [de Maatschap] ,gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de maatschap,
(10)Verkoper verklaart dat het paard geschikt is voor het doel waarvoor het is aangeschaft, te weten sport (…)." 3.2.2. [geïntimeerde] heeft ten behoeve van de koopprijs op 25 juni 2021 een bedrag van € 25.000,00 overgemaakt naar [appellante 6] en op 26 juni 2021 een bedrag van € 25.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van de maatschap. Ook heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 5.000,00 als commissie aan [persoon A] voldaan. 3.2.3. Op 25 juni 2021 is het paard aan [geïntimeerde] geleverd. 3.2.4. Op 12 oktober 2021 is het paard onderzocht door [persoon B] . In haar verslag staat, onder meer, het volgende: " Klinische bevindingen : (…) Monsteren: Licht neurologisch afwijkend, wat hypometrisch achter. Zij maakt regelmatig bij overgang van draf naar stap tactfouten en vertraagde beweging achter, soms knuckling in de kogels, soms duidelijk hypometrisch. Kruisreflexen zijn niet vertraagd. Geen centrale neurologische afwijkingen. Op zachte volte start ze met een beweginskreupelheid van LV op rechtervolte en vice versa. Diagnose : - Lichte ataxie, graad 1 uit 5, verdacht van CVSM." 3.2.5. Op 18 oktober 2021 is het paard bij Dierenhospitaal [xxx] (hierna: [xxx] ) onderzocht door [persoon C] door een klinisch en neurologisch onderzoek en craniale zenuw-testen. In het verslag hiervan staat, voor zover van belang, het volgende: "Conclusie: paard heeft een ataxieklacht die neuroanatomisch gelinkt kan worden aan de cervicale halsregio. De bewegingskreupelheid kan mogelijk vanuit de plexus brachialis of uittredende zenuwen verklaard worden." 3.2.6. Op 1 november 2021 heeft [geïntimeerde] bij het paard een CT-scan laten uitvoeren bij [xxx] . 3.2.7. Op 18 november 2021 heeft [geïntimeerde] het paard bij Via Nova Equine aangeboden voor een CT-scan van de hals door [persoon D] . Hierbij was [persoon C] aanwezig. In het verslag van dit onderzoek staat, onder andere, het volgende: " Conclusie : Hals : 1. Duidelijke hypertrofie/osteoarthrose van het linker facetgewricht van C6-C7 met duidelijke vernauwing van het linker foramen intervertebrale met contact tussen het ventrale deel van het facetgewricht en het dorsolaterale caudale deel van het wervellichaam van C6 en mogelijks milde laterale compressie van de subarachoidale ruimte thv C6-C7 aan de linkerzijde. Gas in het linker facetgewricht, compatibel met vacuum fenomeen of een recente intra-articulaire inspuiting. 2. Matige hypertrofie/osteoarthrose van het rechter facetgewricht van C6-C7 met milde vernauwing van het rechter foramen intevertebrale. 3. Milde osteoarthrose van de facetgewrichten van C3-C4, C4-C5 en C5-C6. 4. Zeer milde dorsale subluxatie thv C3-C4, wellicht niet van klinisch belang. 5. Milde enthesopathie van de nekband. 6. Unilaterale transpositie van het ventrale deel van de rechter processus transversus from C6 to C7. Opmerking : De veranderingen thv de facetgewrichten, en dan met name het linker facetgewricht van C6-C7, zijn oudere letsels, mogelijks geheel of gedeeltelijk ontstaan tijdens de groei van het paard, en tonen geen tekenen van een recent actief proces. Dit type letsel kan voorbeenkreupelheden veroorzaken, stijfheid in de hals en mogelijks ook ataxie." 3.2.8. Op 9 december 2021 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] een brief aan [appellanten ] en [appellante 6] gestuurd waarin, voor zover van belang, het volgende staat: "(...) Het moge duidelijk zijn dat een paard met ataxie en/of een bewegingskreupelheid niet bereden kan worden en niet in de sport kan worden uitgebracht. Nu het Paard niet geschikt is om te berijden, laat staan om in de sport uit te brengen, beantwoordt het Paard niet aan de koopovereenkomst. Nu er sprake is van consumentenkoop en de problematiek van het Paard zich binnen zes maanden na aflevering heeft geopenbaard, is het bewijsvermoeden van art. 7:18 lid 2 BW van toepassing en wordt vermoed dat het Paard reeds bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde. Tevens is cliënte van mening dat er sprake is van (wederzijdse) dwaling nu 1) haar is voorgehouden dat het Paard gezond zou zijn, hetgeen niet het geval blijkt te zijn; en 2) in de koopovereenkomst is opgenomen dat het Paard geschikt is voor de sport en ook dit niet het geval blijkt te zijn. Indien cliënte van het voorgaande op de hoogte zou zijn geweest en dus een juiste voorstelling van zaken zou hebben gehad, zou zij de koopovereenkomst niet hebben gesloten. (…) Cliënte is van mening dat herstel niet mogelijk is en het Paard aldus blijvend ongeschikt is, hetgeen de ontbinding van de koopovereenkomst rechtvaardigt. Voor zover u van mening mocht zijn dat er geen sprake is van een blijvende onmogelijkheid tot nakoming uwerzijds, biedt cliënt u hierbij de mogelijkheid om de bij het Paard gebleken gebreken te doen verhelpen, uiterlijk binnen veertien dagen na heden . U dient dit schrijven dan ook tevens als een ingebrekestelling en sommatie tot herstel van uw wanprestatie te beschouwen. Bij gebreke van herstel van de bij het Paard geconstateerde gebreken binnen de gestelde termijn bent u jegens cliënte in verzuim, voor zover überhaupt rechtens vereist. Cliënte ontbindt reeds nu voor alsdan buitengerechtelijk de koopovereenkomst met u en sommeert u voor alsdan het Paard retour te nemen en om gelijktijdig de door cliënte aan u betaalde koopsom terug te betalen en de schade die cliënte tot op heden heeft geleden te vergoeden door middel van het overmaken van een bedrag van in totaal € 58.247,56 (...) uiterlijk binnen 14 dagen na heden, bij gebreke waarvan cliënte u, voor zoveel nodig, in gebreke stelt en u met onmiddellijke ingang de wettelijke rente aanzegt. Subsidiair roept cliënte reeds nu voor alsdan de vernietiging van de koopovereenkomst in op grond van dwaling." 3.2.9. [geïntimeerde] heeft op 30 december 2021 de voorzieningenrechter verlof gevraagd voor het leggen van conservatoir beslag op (het onverdeelde aandeel
- in)onroerende zaken van [appellanten ] en [appellante 6] in Nederland. Dit verlof is op 30 december 2021 verleend. Op 31december 2021 is beslag gelegd op alle (onverdeelde aandelen
- in)onroerende zaken waarvoor verlof is verleend. De vorderingen van [geïntimeerde] en de procedure bij de kantonrechter 3.3.1. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] in conventie na vermeerdering van eis (samengevat) gevorderd: - primair: te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] de op of omstreeks 25 juni 2021 ter zake [het paard] gesloten koopovereenkomst met de maatschap en [appellante 6] op 9 december 2021 dan wel per datum dagvaarding rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd althans deze te vernietigen op grond van dwaling; - subsidiair: te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] de op of omstreeks 25 juni 2021 ter zake [het paard] gesloten koopovereenkomst met de maatschap en [appellante 6] op 9 december 2021 dan wel per datum dagvaarding rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden althans deze te ontbinden op grond van non-conformiteit; - zowel primair als subsidiair: [appellanten ] en [appellante 6] hoofdelijk:
- i)te veroordelen tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van de koopsom voor het paard van € 50.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- ii)te gebieden om binnen een termijn van zeven dagen na terugbetaling van de koopsom van € 50.000,00 vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente, het paard bij [geïntimeerde] op te halen en weer in bezit te nemen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom; iii) te veroordelen om aan [geïntimeerde] binnen zeven dagen na dit vonnis een bedrag te voldoen van € 21.184,20 + PM zijnde de vergoeding van de door [geïntimeerde] geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- iv)te veroordelen om aan [geïntimeerde] een bedrag van € 1.486,84 aan buitengerechtelijke incassokosten te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- v)te veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen de beslagkosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.3.2. [geïntimeerde] heeft aan haar vorderingen, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [appellanten ] en [appellante 6] het paard aan haar hebben verkocht als geschikt om deel te nemen aan dressuurwedstrijden op hoog niveau en dat zij daarbij hebben medegedeeld dat het paard zeer recent röntgenologisch was gekeurd en daarbij was goed bevonden en gezond was. Bij het paard is echter hypertrofie/osteoarthrose, ataxie en kreupelheid geconstateerd, waardoor het paard niet geschikt is om te worden bereden of in de sport te worden uitgebracht, aldus [geïntimeerde] . [geïntimeerde] stelt dat zij de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd op grond van dwaling en buiten gerechtelijk heeft ontbonden op grond van non-conformiteit. 3.4. [appellanten ] en [appellante 6] hebben in het opgeworpen incident gevorderd dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van [geïntimeerde] kennis te nemen, de zaak op grond van artikel 71 Rv in de stand waarin deze zich bevindt te verwijzen naar de sector civiel recht van de rechtbank en [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten van het incident. [appellanten ] en [appellante 6] hebben in reconventie, samengevat, gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot opheffing van de door haar gelegde conservatoire beslagen op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. 3.5. Partijen hebben over en weer verweer gevoerd, waarop hierna, voor zover in hoger beroep van belang, nader zal worden ingegaan. 3.6. Bij tussenvonnis van 4 mei 2022 heeft de kantonrechter, voor zover in hoger beroep van belang, in het incident voorlopig geoordeeld dat [appellant 2] ongeacht of hij in de hoedanigheid van privépersoon of in de hoedanigheid van maat in de maatschap de overeenkomst heeft gesloten en [appellante 6] , voor zover zij ook partij is bij de koopovereenkomst, in de uitoefening van een beroep of bedrijf het paard hebben verkocht aan [geïntimeerde] , zodat sprake is van een consumentenovereenkomst. Op grond daarvan heeft de kantonrechter zich bevoegd geacht om van de vorderingen van [geïntimeerde] kennis te nemen en heeft zij de vordering in incident afgewezen. [appellanten ] zijn veroordeeld in de proceskosten van het incident en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.7.1. Bij vonnis van 23 november 2022 heeft de kantonrechter in conventie geoordeeld geen reden te zien om terug te komen op haar voorlopig oordeel dat tussen partijen sprake is van een consumentenovereenkomst en geoordeeld dat [geïntimeerde] de koopovereenkomst heeft gesloten met [appellante 6] en met de maatschap (rechtsoverweging 4.1 - 4.3). De kantonrechter heeft in conventie verder geoordeeld dat [geïntimeerde] tijdig heeft geklaagd bij [appellanten ] en [appellante 6] over het door haar gestelde gebrek bij het paard en haar onderzoeksplicht niet heeft verzaakt (rechtsoverwegingen 4.4. en 4.6.). De kantonrechter heeft geoordeeld dat het paard door de geconstateerde ataxieklachten niet beantwoordt aan de overeenkomst in de zin van artikel 7:17 lid 2 BW en dat deze klachten zich binnen zes maanden na aflevering van het paard hebben geopenbaard, zodat op grond van artikel 7:18 lid 2 BW (oud) wordt vermoed dat de non-conformiteit al bij aflevering bestond. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben [appellanten ] en [appellante 6] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat het gebrek een gevolg is van of zijn oorsprong vindt in een handelen of nalaten dat dateert na aflevering, waardoor is komen vast te staan dat ten tijde van de levering het paard niet beantwoordde aan de overeenkomst. Dit betekent, aldus de kantonrechter, dat [geïntimeerde] met haar brief van 9 december 2021 de koopovereenkomst gelet op artikel 7:22 lid 1 sub a BW in samenhang met lid 2 (oud) heeft kunnen ontbinden en heeft ontbonden, waardoor voor partijen een verbintenis is ontstaan tot ongedaanmaking van de al door hen ontvangen prestaties (rechtsoverwegingen 4.5., 4.7., 4.8.). [geïntimeerde] komt naar het oordeel van de kantonrechter op basis van artikel 6:277 BW vergoeding toe van de schade die zij heeft geleden door de ontbinding van de koopovereenkomst wegens de tekortkoming van [appellanten ] en [appellante 6] (rechtsoverweging 4.11). Op grond van ongerechtvaardigde verrijking komt [geïntimeerde] vergoeding van door haar gemaakte kosten na 9 december 2021 toe (rechtsoverweging 4.13.). De kantonrechter heeft vervolgens in conventie, samengevat: voor recht verklaard dat [geïntimeerde] de op of omstreeks 25 juni 2021 ter zake het paard gesloten koopovereenkomst met de maatschap en [appellante 6] op 9 december 2021 rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden; [appellanten ] en [appellante 6] hoofdelijk veroordeeld tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van de koopsom voor het paard van € 50.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim zijnde 23 december 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening; [appellanten ] en [appellante 6] geboden om na terugbetaling van de koopsom het paard bij [geïntimeerde] op te halen en weer in bezit te nemen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag(deel) dat zij hiermee in gebreke blijven met een maximum van € 10.000,00; [appellanten ] en [appellante 6] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 19.724,20 aan schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente, ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim zijnde 23 december 2021 voor een bedrag van € 15.800,35 en 20 oktober 2022 voor een bedrag van € 3.923,85 tot aan de dag van de algehele voldoening en te vermeerderen met de nog te verschijnen kosten voor de stalling van het paard en de hoefsmid tot de dag van teruglevering van het paard, te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim tot aan de dag van de algehele voldoening; [appellanten ] en [appellante 6] hoofdelijk veroordeeld om aan [geïntimeerde] een bedrag van € 1.472,24 aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW; [appellanten ] en [appellante 6] hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente; en het meer of anders gevorderde afgewezen. 3.7.2. In reconventie heeft de kantonrechter overwogen dat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [geïntimeerde] als beslaglegger ingeroepen recht. De kantonrechter heeft op die grond de vordering van [appellanten ] en [appellante 6] tot opheffing van het door [geïntimeerde] gelegde conservatoire beslagen afgewezen en [appellanten ] en [appellante 6] veroordeeld in de proceskosten en nakosten in reconventie, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.7.3. De kantonrechter heeft de uitgesproken veroordelingen in conventie en in reconventie uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vorderingen en de procedure in hoger beroep 3.8. [appellanten ] en [appellante 6] voeren vier grieven aan tegen het tussenvonnis van 4 mei 2022 (de grieven I tot en met IV) en dertien grieven (de grieven V tot en met XVII) aan tegen het eindvonnis van 23 november 2022. Zij concluderen tot vernietiging van deze vonnissen, en tot, opnieuw rechtdoende, alsnog afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties en met veroordeling van [geïntimeerde] tot (terug)betaling aan [appellanten ] en [appellante 6] van een bedrag, uitvoerbaar bij voorraad, van € 78.585,30 alsmede tot betaling van een bedrag van € 1.000,00 per maand vanaf 30 november 2022 tot de datum van teruglevering van het paard aan [geïntimeerde] en, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van de schade als gevolg van de door [geïntimeerde] onrechtmatig gelegde conservatoire beslagen, nader op te maken bij staat. 3.9. [geïntimeerde] bestrijdt de grieven en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [appellanten ] en [appellante 6] , bekrachtiging van de bestreden vonnissen en veroordeling van [appellanten ] en [appellante 6] in de kosten en nakosten van het hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente. De beoordeling in hoger beroep Contractspartijen 3.10.1. De grieven I en II gaan over de vraag of sprake is van een consumentenkoop en daarmee samenhangend over de vraag welke partij(
- en)de koopovereenkomst met [geïntimeerde] is (zijn) aangegaan. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. [appellanten ] betogen met grief I dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant 2] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zodat is voldaan aan de definitie van consumentenkoop. Volgens [appellanten ] heeft [appellant 2] in privé als verkoper de koopovereenkomst met [geïntimeerde] gesloten en is het paard niet, zoals [geïntimeerde] betoogt, gekocht van de maatschap en [appellante 6] . Met grief II betogen [appellanten ] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat voor zover [appellante 6] partij is bij de overeenkomst ook zij heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf. 3.10.2 Het hof overweegt hierover het volgende. Aan [appellanten ] en [appellante 6] kan worden toegegeven dat de koopovereenkomst zelf alleen [appellant 2] als verkoper vermeldt. [appellant 2] heeft ook als enige de koopovereenkomst op iedere pagina geparafeerd en op de laatste pagina getekend zonder dat daarbij is vermeld dat hij dat (mede) ‘in naam van’ of ‘namens’ de maatschap heeft gedaan. De naam van de maatschap wordt in de overeenkomst nergens genoemd, de namen van de andere maten evenmin. Ook de naam van [appellante 6] komt in de overeenkomst nergens voor. Dit is echter niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag met welke partij(
- en)[geïntimeerde] de koopovereenkomst heeft gesloten. Wie als partij bij een overeenkomst kan worden aangemerkt, is namelijk ook afhankelijk van wat partijen tegenover elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort ook de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn (HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615). Maatschap partij bij overeenkomst? 3.10.3. Bij de beantwoording van de vraag of [appellant 2] (privé of als maat) dan wel de maatschap als verkoper de overeenkomst met [geïntimeerde] heeft gesloten neemt het hof het volgende in aanmerking. Niet in geschil is dat [appellant 2] voorafgaande en tijdens het sluiten van de overeenkomst al bij [geïntimeerde] bekend was als een van de maten van de maatschap. Daarnaast heeft de maatschap volgens het overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel als bedrijfsactiviteit het ‘fokken en houden van paarden en ezels’. Als niet (voldoende) weersproken staat vast dat de maatschap zich ook daadwerkelijk (onder meer) bezighoudt met het houden, fokken en verkopen van paarden. Dit maakte zij ook naar buiten toe kenbaar: ten tijde van het sluiten van de overeenkomst van partijen profileerde de maatschap zich op Instagram en Facebook als ‘Fokkerij van dressuur en springpaarden – In en verkoop – Zadelmak maken – Betuigen – Uitbrengen in de sport – Ring en sjezenrijden’. Ook uit verschillende (media)berichten onder andere op [website] , [website] en [website] blijkt dat de maatschap handelt in paarden. Verder is de overeenkomst tussen partijen door [appellant 2] getekend op de locatie van de maatschap in aanwezigheid van [appellante 3] (geïntimeerde 3) die ook maat is in de maatschap en heeft [geïntimeerde] op verzoek van [appellant 2] de helft van de koopsom overgemaakt naar een rekening ten name van de maatschap. Ten slotte voert [appellant 2] niet aan en blijkt evenmin dat hij tegenover [geïntimeerde] uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij het paard als privépersoon aan haar verkocht. Uit deze omstandigheden heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof redelijkerwijs mogen afleiden dat [appellant 2] bij het sluiten van de koopovereenkomst als maat van de maatschap handelde en dat [geïntimeerde] dus met de [appellant 2] als maat van de maatschap een koopovereenkomst voor het paard sloot. De omstandigheid dat het paard op het moment van de verkoop niet bij de maatschap maar al jarenlang op de accommodatie van [naam] in [plaats] was gestald, doet daaraan niet af. Niet valt in te zien waarom de maatschap het paard daar niet had kunnen stallen. Ook het betoog van [appellanten ] met grief 5 dat het paard geen onderdeel uitmaakte van de voorraad van de maatschap, doet aan het voorgaande niet af, nu dat niet wegneemt dat [geïntimeerde] er op mocht vertrouwen dat [appellant 2] bij het sluiten van de koopovereenkomst als maat van de maatschap handelde. 3.10.4. Dit betekent echter nog niet dat ook de overige maten aan de overeenkomst tussen partijen zijn gebonden en wel om het volgende. Artikel 7A:1681 luidt als volgt: “Het beding dat eene handeling voor rekening der maatschap is aangegaan, verbindt slechts den vennoot die dezelve aangegaan heeft, maar niet de overige, ten zij de laatstgenoemde hem daartoe volmagt hadden gegeven, of de zaak ten voordeele der maatschap gestrekt hebbe.” Dat een beding als in dit artikel genoemd is overeengekomen is door [geïntimeerde] niet voldoende onderbouwd. In de koopovereenkomst is niet de naam van de maatschap noch de naam van de andere maten, dan die van [appellant 2] , genoemd. Indien [geïntimeerde] wil betogen dat de omstandigheid dat de maatschap de helft van de koopsom heeft ontvangen voldoende is om de overige maten, op grond van baat, als partij bij de koopovereenkomst aan te merken, gaat dat betoog niet op. Zoals uit voornoemd artikel blijkt is voor binding, als gevolg van baat, van de maten vereist een beding dat de koopovereenkomst voor rekening van de maatschap is aangegaan. Dat wordt niet anders, indien er vanuit zou moeten worden gegaan dat [appellant 2] niet alleen eigenaar is van het paard, maar tezamen met [appellante 6] , ( [appellante 6] en [appellant 2] hebben dat overigens ter mondelinge behandeling in hoger beroep betwist, zie ook hierna), dan wel het paard onderdeel uitmaakt van de voorraad van de maatschap. 3.10.5. Voor zover [geïntimeerde] heeft willen betogen dat sprake is van gewekte schijn, omdat de maatschap de helft van de koopsom heeft ontvangen, gaat dat betoog evenmin op. Schijn moet worden gewekt door de onbevoegd vertegenwoordigde. Dat de maten gezamenlijk die schijn hebben gewekt is onvoldoende onderbouwd. Evenmin is onderbouwd dat sprake is van schijn die voor risico van de maatschap (de gezamenlijke maten) als onbevoegd vertegenwoordigde maten komt, de ontvangst van (een deel) van de koopsom op de bankrekening van de maatschap is daartoe niet voldoende. Ook de omstandigheid dat de koopovereenkomst op de locatie van de maatschap is uitgeprint en ondertekend is niet voldoende. Zonder nadere toelichting, die [geïntimeerde] niet heeft gegeven, is evenmin voldoende dat, naar [geïntimeerde] stelt, [appellant 2] sprak van ‘wij’ en ‘ons’. Het moge zo zijn dat [appellant 2] van de bankrekening van de maatschap gebruik heeft gemaakt en van de locatie (en wellicht printer) van de maatschap, maar dat betekent niet dat schijn door of voor risico van de overige maten is gewekt. Indien [appellant 2] de bankrekening van de maatschap en de locatie van de maatschap als maat heeft gebruikt is dat onvoldoende voor toerekening aan de overige maten (de maatschap). 3.10.6. Op grond van het bovenstaande komt het hof tot de conclusie dat [appellant 2] , ook al bevat de koopovereenkomst geen beding dat deze voor rekening van de maatschap is aangegaan, als maat van de maatschap moet worden aangemerkt als partij bij de overeenkomst en niet ook de overige maten. [appellante 6] partij bij overeenkomst? 3.10.7. [appellante 6] kan naar het oordeel van het hof echter niet (ook) als verkopende partij worden aangemerkt. De door [geïntimeerde] in dat verband aangevoerde omstandigheden dat [appellante 6] het paard trainde en met het paard deelnam aan dressuurwedstrijden, aanwezig is geweest bij de bezichtiging en het proefrijden van het paard door (de dochter van) [geïntimeerde] en vervolgens is meegereden naar de locatie van de maatschap waar de koopovereenkomst is getekend en ook aanwezig was bij de levering van het paard aan [geïntimeerde] , is hiervoor onvoldoende. Gelet op het feit dat [appellante 6] het paard intensief trainde, komt het het hof niet vreemd voor dat zij bij dit alles aanwezig was. Zij had immers veel ervaring met het paard en was daardoor bij uitstek degene die [geïntimeerde] en haar dochter informatie kon geven over het paard. Weliswaar heeft [geïntimeerde] de helft van de koopsom voor het paard aan [appellante 6] betaald, maar [appellanten ] en [appellante 6] geven hiervoor als verklaring dat [appellante 6] het paard niet alleen trainde en verzorgde, maar ook alle kosten daarvan op zich nam en dat zij en [appellanten ] daarom met elkaar hadden afgesproken dat [appellante 6] bij verkoop van het paard de helft van de koopsom zou ontvangen. Dit weerspreekt [geïntimeerde] niet, dan wel onvoldoende. [geïntimeerde] verwijst nog naar een telefoongesprek dat zij met [appellant 2] op 13 oktober 2021 heeft gevoerd en waarin [appellant 2] tegen haar zou hebben gezegd dat [appellante 6] mede-eigenares was van het paard. Uit de door [geïntimeerde] overgelegde geluidsopnames van dit gesprek blijkt dit naar het oordeel van het hof echter niet. De eigendom van het paard is op geen enkel moment – ook niet indirect – onderwerp van gesprek. Het gesprek gaat niet over [appellante 6] en haar naam wordt niet genoemd. [appellant 2] spreekt slechts in algemene zin over 'wij' en 'ons'. Voor zover hij daarmee al zou doelen op meerdere eigenaren van het paard, kan dit evenzeer zien op de maatschap en/of haar maten. Het feit dat [appellant 2] tijdens dat gesprek sprak van ‘wij’ en ‘ons’ acht het hof daarom niet van betekenis. [geïntimeerde] voert ook verder geen feiten en omstandigheden aan waaruit zij redelijkerwijs heeft mogen afleiden dat naast de maatschap ook [appellante 6] als verkopende partij de overeenkomst met haar heeft gesloten. Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [geïntimeerde] , voor zover gericht tegen [appellante 6] , hierom al moeten worden afgewezen. Conclusie 3.10.8. Het hof gaat er bij de verdere beoordeling dus van uit dat [appellant 2] als maat van de maatschap het paard aan [geïntimeerde] heeft verkocht. Dit betekent dat grief I, gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de maatschap partij is bij de koopovereenkomst, in zoverre slaagt. Grief II, gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante 6] partij is bij de koopovereenkomst, slaagt. Hieruit volgt ook dat het hof de vorderingen van [geïntimeerde] hierna (slechts) zal beoordelen, voor zover zij zijn gericht tegen [appellant 2] als maat van de maatschap. De vorderingen zullen worden afgewezen, voor zover zij zijn gericht tegen de overige maten van de maatschap en tegen [appellante 6] . Hierna zal dus enkel nog de vordering van [geïntimeerde] op [appellant 2] aan de orde zijn en wordt slechts [appellant 2] en niet [appellanten ] genoemd. Wel of geen consumentenkoop 3.11. Met de grieven I en III tot en met VI komt [appellant 2] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van een consumentenkoop. 3.11.1. Het hof stelt hierbij voorop dat een koop als consumentenkoop kan worden aangemerkt als deze betrekking heeft op een roerende zaak en wordt gesloten tussen een verkoper die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een koper, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (artikel 7:5 lid 1 BW). Hoewel het paard geen zaak is (artikel 3:2a lid 1 BW), zijn op het paard wel de bepalingen met betrekking tot zaken van toepassing (artikel 3:2a lid 2 BW). 3.11.2. Nu het hof hiervoor heeft geoordeeld dat niet [appellant 2] in privé maar [appellant 2] als maat van de maatschap als verkopende partij moet worden aangemerkt, handelt in deze zaak de verkoper in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Volgens [appellant 2] is echter geen sprake van een consumentenkoop, omdat [geïntimeerde] zelf als koper handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Zij voeren in dat verband aan dat de dochter van [geïntimeerde] , die het paard berijdt, zich bezighoudt met professionele activiteiten, aangezien uit de LinkedIn-pagina van de dochter blijkt dat zij werkzaam is als paardrij-instructeur. Het hof gaat hieraan echter voorbij. [appellant 2] heeft de overeenkomst immers gesloten met [geïntimeerde] en niet met haar dochter. Bovendien brengt [geïntimeerde] tegen het voorgaande in dat haar dochter de LinkedIn-pagina heeft aangemaakt voor een stageopdracht en er verder niets mee heeft gedaan - wat naar het oordeel van het hof ook wordt bevestigd door het feit dat zij geen activiteiten, artikelen, bijlagen of documenten op de pagina heeft geplaatst en slechts enkele volgers heeft - en dat haar dochter in haar inkomen voorziet als gediplomeerd wimperstyliste. Dit wordt ook niet door [appellant 2] weersproken. Voor zover [appellant 2] stelt dat [geïntimeerde] zelf zich bezighoudt met de in- en verkoop van paarden en zich aanbiedt als paardrij-instructeur, onderbouwt hij deze stelling niet nader. Het hof gaat er dan ook van uit dat [geïntimeerde] de koopovereenkomst als natuurlijk persoon, niet handelend in beroep of bedrijf heeft gesloten. De conclusie is dan ook dat sprake is van een consumentenkoop. Grieven I in zoverre en III tot en met VI falen. Klachttermijn 3.12. Grief VII ziet op het meest verstrekkende verweer van [appellant 2] , inhoudende dat [geïntimeerde] te laat heeft geklaagd over het door haar gestelde gebrek aan het paard en dat daarom al haar vorderingen moeten stranden. Juridische maatstaf 3.12.1. Het hof overweegt hierover het volgende. Op grond van artikel 6:89 BW kan [geïntimeerde] als schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien zij niet binnen bekwame tijd nadat zij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken bij [appellant 2] als schuldenaar daarover heeft geprotesteerd. Een vaste klachttermijn kan daarbij niet worden gehanteerd, ook niet als uitgangspunt. De vraag of [geïntimeerde] op tijd heeft geklaagd moet worden beantwoord onder afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van alle relevante omstandigheden, waaronder het antwoord op de vraag of [appellant 2] , zoals hij stelt, door het tijdsverloop nadeel lijdt. In dit verband moet rekening worden gehouden met aan de ene kant de voor [geïntimeerde] ingrijpende rechtsgevolg van het te laat klagen (verval van al haar rechten ten aanzien van het gebrek) en aan de andere kant de concrete belangen waarin [appellant 2] is geschaad door het tijdstip waarop is geklaagd, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. De tijd die is verstreken tussen het tijdstip dat bekendheid met het gebrek bestaat of redelijkerwijs diende te bestaan en dat van het protest vormt in die beoordeling weliswaar een belangrijke factor, maar is niet doorslaggevend (vgl. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, r.o. 4.2.4 tot en met 4.2.6). 3.12.2. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten die een beroep op artikel 6:89 BW kunnen dragen, rusten in beginsel op [appellant 2] , omdat het door hem gevoerde verweer dat niet tijdig is geklaagd, een bevrijdend verweer is. Het ligt dan ook op zijn weg om voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit kan volgen op welk moment [geïntimeerde] heeft ontdekt of bij een redelijkerwijs van haar te vergen onderzoek had behoren te ontdekken dat de verrichte prestatie niet aan de overeenkomst beantwoordt en dat het tijdsverloop vanaf dat moment tot aan het moment waarop [geïntimeerde] geklaagd heeft, zo lang is geweest dat niet kan worden gesproken van een tijdige klacht als bedoeld in artikel 6:89 BW (vgl. HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593, r.o. 5.6.3). Toepassing maatstaf 3.12.3. [appellant 2] stelt dat [geïntimeerde] te laat bij hem heeft geklaagd, omdat het paard al op 25 juni 2021 was geleverd. Desondanks heeft zij [appellant 2] hierover pas medio oktober 2021 ingelicht. Dit is naar de mening van [appellant 2] veel te laat. Hij voert in dat verband aan dat in de rechtspraktijk een termijn van twee maanden wordt aangehouden en dat hij door het late klagen in zijn verkopersbelangen is geschaad, omdat hij bij een tijdige kennisgeving zelf het paard had kunnen onderzoeken en [geïntimeerde] had kunnen adviseren. 3.12.4. Anders dan [appellant 2] kennelijk meent, kan het tijdstip waarop [geïntimeerde] bekend werd of redelijkerwijs bekend diende te zijn met het gestelde gebrek aan het paard, niet zonder meer worden vastgesteld op kort na de levering van het paard aan haar op of omstreeks 25 juni 2021. [geïntimeerde] voert in dat verband aan dat haar kort na de levering bleek dat het paard lastig in te buigen was naar links, niet liep op twee teugels en moeite had met het maken van overgangen en dat zij vervolgens het paard op advies van de aankoopbemiddelaar [persoon A] heeft getraind onder begeleiding van een professionele amazone. Volgens [geïntimeerde] werd het paard na deze training gemakkelijker te rijden, maar bleven de linker buiging en de overgangen een probleem, zakte het paard af en toe door de achterbenen, kwam het scheef uit de stal en was de motoriek niet in orde. Naar aanleiding hiervan heeft [geïntimeerde] het paard op 12 oktober 2021 door [persoon B] laten onderzoeken en op 18 oktober 2021 is het paard bij Dierenhospitaal [xxx] voor een second opinion aangeboden en in dat kader onderzocht door [persoon C] Zij constateerden bij het paard neurologische afwijkingen en ataxie respectievelijk bewegingskreupelheid. Deze gang van zaken weerspreekt [appellant 2] niet, zodat het hof daarvan uitgaat. Het hof is van oordeel dat het enkele feit dat [geïntimeerde] kort na de levering constateerde dat het paard niet lekker liep, niet meebrengt dat zij op dat moment reeds had moeten concluderen dat het paard kreupel was, ataxieklachten had en/of niet geschikt was als dressuurpaard. Dit kon immers ook andere oorzaken hebben, zoals bijvoorbeeld de wijze van berijding. [geïntimeerde] heeft ter mondelinge behandeling in hoger beroep nader toegelicht dat zij een ervaren instructrice om advies heeft gevraagd en dat zij "iets voelde", maar dat zij ook niet precies kon aangeven wat er aan de hand zou kunnen zijn. Het moment van ontdekking van het gestelde gebrek kan dan ook niet worden bepaald op het moment van levering of kort daarna. 3.12.5. Voor zover [appellant 2] stelt dat [geïntimeerde] het door haar gestelde gebrek al eerder had kunnen ontdekken en dat zij het paard al eerder had moeten laten onderzoeken door een dierenarts, omdat zij al kort na de levering problemen met het paard constateerde, gaat het hof hieraan voorbij. Het gaat hier immers om een levend dier waarbij niet kan worden uitgesloten dat de verandering van omgeving mede van invloed kan zijn op de prestaties van dat dier. Daarnaast staat vast dat [appellant 2] voorafgaande aan de verkoop van het paard aan [geïntimeerde] heeft medegedeeld dat het paard recent röntgenologisch was gekeurd en was goed bevonden, niets mankeerde en gezond was en geschikt was voor het aankoopdoel, te weten de dressuursport. Gelet op de aard van de mededelingen (geruststellende verklaringen over de aan- en afwezigheid van bepaalde eigenschappen van het paard) en mede gelet op de ervaring van [appellant 2] met paarden gezien de activiteiten waarmee hij zich binnen de maatschap bezighoudt (het fokken en houden van (dressuur- en spring)paarden), mocht [geïntimeerde] afgaan op de juistheid van de door [appellant 2] gedane mededelingen. Onder bovengenoemde omstandigheden hoefde een eerder onderzoek van het paard dan ook niet van [geïntimeerde] te worden verwacht. 3.12.6. Nu [geïntimeerde] medio oktober 2021 ermee bekend werd en redelijkerwijs bekend diende te zijn dat het paard vanwege een afwijking (mogelijk) niet geschikt was voor het gebruik als dressuurpaard, moet ervan worden uitgegaan dat op dat moment de klachttermijn is gaan lopen. Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde] kort daarna hierover contact heeft opgenomen met [appellant 2] . Hieruit volgt dat geen sprake is van een te laat klagen door [geïntimeerde] . Daarom al kan het beroep van [appellant 2] op de klachttermijn van artikel 6:89 BW niet slagen. Daar komt bij dat als al sprake zou zijn geweest van enig tijdsverloop tussen de ontdekking van het (gestelde) gebrek en de klacht, niet kan worden gezegd dat daardoor de mogelijkheid tot onderzoek verloren is gegaan en [appellant 2] in zijn bewijspositie is geschaad. [appellant 2] heeft immers na het bestreden vonnis het paard teruggeleverd gekregen en vervolgens zelf daadwerkelijk laten onderzoeken. Grief VII faalt dus. Non-conformiteit 3.13. Grief VIII gaat over de vraag of het paard aan de koopovereenkomst beantwoordt. Bij de beantwoording van deze vraag geldt als uitgangspunt dat het paard de eigenschappen moet bezitten die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat het paard de eigenschappen bezit die nodig zijn voor het overeengekomen gebruik (vgl. artikel 7:17 lid 2 BW). Artikel 10 van de koopovereenkomst bepaalt dat “(…) verkoper verklaart dat het paard geschikt is voor het doel waarvoor het is aangeschaft, te weten sport (…)”. Op grond hiervan en op grond van de door [appellant 2] gedane mededelingen over de gezondheidstoestand van het paard mocht [geïntimeerde] verwachten dat het paard geschikt was voor de (dressuur)sport. Dit is op zich ook niet tussen partijen in geschil. 3.13.1. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat het paard een gebrek heeft, te weten een vernauwing in de halswervels (osteoarthrose) die ataxie veroorzaakt en dat dit gebrek al aanwezig was bij de levering van het paard. Ter zitting is namens [geïntimeerde] uitgelegd dat ataxie een verzamelnaam is voor onregelmatige bewegingen van het paard en dat daaronder ook begrepen is wat in de volksmond kreupelheid wordt genoemd. Het hof zal hierna als verzamelterm ook spreken van bewegingsonregelmatigheid. Volgens [geïntimeerde] maakt dit gebrek het paard ongeschikt voor de dressuursport, althans verhoogt het gebrek het risico op toekomstige beperkingen voor de dressuursport, en voldoet het paard daardoor niet aan de overeenkomst. [geïntimeerde] onderbouwt haar stelling met een rapport van [persoon B] van 12 oktober 2021, een rapport van [persoon C] ( [xxx] ) van 18 oktober 2021 en een rapport van Via Nova Equine van 19 november 2021. [persoon B] en [persoon C] hebben beiden, kort gezegd, ataxieklachten respectievelijk bewegingskreupelheid geconstateerd bij het paard. [persoon C] heeft in haar rapport nog geconstateerd dat de ataxieklacht neuroanatomisch kan worden gelinkt aan de cervicale halsregio. Via Nova Equine heeft op basis van een CT-scan van de hals van het paard een vernauwing in de halswervels (osteoarthrose) vastgesteld waardoor kreupelheid, stijfheid in de hals en mogelijk ook ataxie kan worden veroorzaakt en in haar rapport aangegeven dat de veranderingen ter hoogte van de facetgewrichten oudere letsels zijn die mogelijk geheel of gedeeltelijk zijn ontstaan tijdens de groei van het paard en geen tekenen vertonen van een recent actief proces. 3.13.2. Hiertegenover voert [appellant 2] gemotiveerd aan dat geen sprake is van de door [geïntimeerde] gestelde neurologische problemen/ataxieklachten bij het paard. [appellant 2] onderbouwt deze betwisting (onder meer) met wedstrijduitslagen, waaruit zou blijken dat het paard na de teruglevering goed presteert in de dressuursport, en met een rapport van de faculteit diergeneeskunde van de KU Leuven van 2 december 2022, waaruit blijkt dat op 2 december 2022 een elektrofysiologisch onderzoek (MEP-test) is uitgevoerd bij het paard en dat op grond van dit onderzoek geen neurologische aandoening bij het paard kan worden vastgesteld. 3.13.3. Gelet op het voorgaande acht het hof deskundigenonderzoek noodzakelijk om de vraag te kunnen beantwoorden of bij het paard sprake is van een gebrek waardoor het paard niet de eigenschappen bezit die [geïntimeerde] op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten. Het hof is voornemens aan de te benoemen deskundige de volgende vragen voor te leggen: Is er op dit moment bij het paard sprake van ataxie/kreupelheid, dan wel in het algemeen van bewegingsonregelmatigheid? Zo ja, wat is daarvan de oorzaak? Met betrekking tot de vernauwing van de halswervels: - levert deze vernauwing op dit moment klachten op? - geeft deze vernauwing risico op problemen bij het paard in de toekomst? - zo ja: welke problemen? - hoe groot is dit risico in percentages? 4. Kan het paard gelet op de antwoorden op de vorige vragen geschikt worden geacht voor de dressuursport? Zo ja: op welk niveau? 5. Geeft het onderzoek de deskundige overigens nog aanleiding voor het maken van opmerkingen? 3.13.4. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen om zich bij akte uit te laten over het aantal, de deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - de persoon van de te benoemen deskundige(n). Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige(
- n)voor te leggen vragen. Het hof begrijpt uit de gedingstukken dat het nog steeds mogelijk is eventueel een onderzoek aan het paard zelf te verrichten. 3.13.5. Het voorschot op de kosten van de deskundige(
- n)als bedoeld in artikel 195 Rv zal voorlopig ten laste van [geïntimeerde] als eisende partij worden gebracht. Het hof ziet geen reden daarvan aftewijken, daar op [geïntimeerde] de bewijslast van haar stelling dat het paard een gebrek heeft waardoor het niet beantwoordt aan de koopovereenkomst rust, omdat zij zich beroept op de rechtsgevolgen daarvan. 3.13.6. Zoals hiervoor is overwogen, moet de koopovereenkomst tussen partijen worden aangemerkt als een consumentenkoop als bedoeld in artikel 7:5 lid 1 BW. Komt op grond van het deskundigenrapport vast te staan dat het paard een gebrek heeft waardoor het niet geschikt is als dressuurpaard, dan wordt op grond van artikel 7:18 lid 2 (oud) BW (dat op grond van het overgangsrecht nog van toepassing is op de onderhavige overeenkomst) vermoed dat het paard al bij de aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde. Het gebrek bij het paard (de vernauwing in de halswervels) heeft zich immers medio oktober 2021 geopenbaard, dus binnen zes maanden na de levering van het paard aan [geïntimeerde] op 25 juni 2021. Het is dan aan [appellant 2] om tegen dit wettelijk vermoeden tegendeelbewijs te leveren (zie HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1666, r.o. 3.2), waartoe hij alsdan in de gelegenheid zal worden gesteld. 3.14. Iedere verdere beoordeling en beslissing zullen worden aangehouden. 4De uitspraak Het hof: verwijst de zaak naar de rol van 26 november 2024 voor akte aan de zijde van [geïntimeerde] met de hiervoor in 3.13.4 vermelde doeleinden, waarna [appellant 2] in de gelegenheid zal worden gesteld hierop bij antwoordakte te reageren; voor het overige wordt iedere beslissing aangehouden. Dit arrest is gewezen door mrs. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy, F.C. Alink-Steinberg en J.M.W. Werker en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 oktober 2024. griffier rolraadsheer .