GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.335.755/01 arrest van 5 november 2024 in de zaak van [XXX] Houthandel en Zagerij (voormalige) V.O.F., tevens gehandeld hebbende en ook thans h.o.d.n. [XXX] Houthandel, gevestigd te [vestigingsplaats] , [appellant] , wonende te [woonplaats] , [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellanten, hierna gezamenlijk aan te duiden als [XXX] en ieder afzonderlijk als [XXX] Houthandel, [appellant] , respectievelijk [appellante] , advocaat: mr. H.B. Voskamp te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , tevens handelende onder de naam [handelsnaam] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. M.J. Rubberg te Echt, gemeente Echt-Susteren. als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 16 april 2024 in het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/376501 / HA ZA 21-790 gewezen vonnissen van 23 februari 2022, 30 november 2022 en 22 november 2023. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 16 april 2024 en de daarin vermelde stukken; de memorie van antwoord met producties; het proces-verbaal van de op 17 september 2024 gehouden mondelinge behandeling, waarbij [XXX] spreekaantekeningen heeft overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 6De verdere beoordeling 6.1. Deze zaak betreft een vordering tot betaling van een viertal facturen uit 2014. Het hof is van oordeel dat [XXX] de verschuldigdheid daarvan onvoldoende heeft betwist en dat met redelijke mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [XXX] gedurende de verjaringstermijn van deze vordering meerdere malen heeft toegezegd de facturen te zullen betalen, waarmee de verjaringstermijn tijdig is gestuit. Het hof zal dat hierna toelichten. De feiten 6.2. In overweging 3.1 tot en met 3.3 van het tussenvonnis van 30 november 2022 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds voldoende gesteld en anderzijds niet (voldoende) betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze feiten voor zover relevant in hoger beroep. 6.2.1. [XXX] bestaat uit een (voormalige) vennootschap onder firma met [appellant] en [appellante] als vennoten. De vennootschap onder firma is ontbonden en per 16 december 2021 voortgezet door een besloten vennootschap. De onderneming van [XXX] richt zich op de im- en export van hout en de bewerking en verkoop van hout(-producten). [geïntimeerde] drijft als eenmanszaak een mechanisatiebedrijf op het gebied van landbouw, bosbouw en industrie. [geïntimeerde] heeft een tijd lang onderhouds- en reparatiewerkzaamheden verricht aan de voertuigen en machines van [XXX] . 6.2.2. [geïntimeerde] heeft vier facturen aan [XXX] gestuurd met op alle vier de factuurdatum 9 mei 2014. Deze facturen vertegenwoordigen bedragen van respectievelijk € 1.692,03, € 9.452,17, € 9.930,81 en € 17.324,74 en daarmee een totaal factuurbedrag van € 38.399,75 inclusief BTW. [XXX] heeft de vier facturen op of kort na 9 mei 2014 ontvangen. 6.2.3. Op 21 juni 2016 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] per WhatsApp bericht: “[geïntimeerde] ik bel morgen” 6.2.4. Op 23 juni 2017 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] per WhatsApp bericht: “Goedemorgen [appellant] , adres waar t hout moet zijn is (…) laat ff weten hoe laat.gr.. [geïntimeerde]” 6.2.5. Op 29 augustus 2017 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] bericht per WhatsApp: “Ik ben nu niet thuis bel zodra ik thuis ben gr. [appellant]” 6.2.6. Op 13 februari 2019 heeft [geïntimeerde] [appellant] gebeld. [appellant] heeft op 14 februari 2019 [geïntimeerde] gebeld. Zij hebben toen een gesprek van 1:44 minuten gevoerd. 6.2.7. Op 20 maart 2019 heeft [appellant] [geïntimeerde] gebeld. 6.2.8. Op 13 februari 2020 heeft [appellant] per WhatsApp aan [geïntimeerde] bericht: “bellen lukt nu niet bel terug na het weekend ben er dan weer gr. [appellant]” 6.2.9. Op 4 maart 2020 heeft [geïntimeerde] [XXX] schriftelijk aangemaand tot betaling. 6.2.10. [XXX] heeft een advocaat ingeschakeld die om nadere informatie heeft gevraagd. De advocaat van [geïntimeerde] heeft de advocaat van [XXX] op 16 juni 2020 de desbetreffende vier facturen toegestuurd. 6.2.11. Op 8 maart 2021 heeft [geïntimeerde] [appellant] gesproken. Uit het geluidsfragment van dit gesprek (hierna: het geluidsfragment), blijkt dat partijen onder meer het volgende hebben besproken: “(…) [geïntimeerde] : Hoe gaan we dat nou doen [appellant] ... die facturen? [appellant] : Ja volgens mij kom ik d’r onderuit. [geïntimeerde] : Nou dat vind ik een bietje, nee, dat vind ik niet netjes hè. [appellant] : Dat ben ik ook met jou eens. [geïntimeerde] : Wat hedde gij altijd beloofd? [appellant] : Dat ik ze zou betalen, ja ja. [geïntimeerde] : Ik ben best bereid om wat te laten vallen. [appellant] : Wat wilde gij laten vallen? [geïntimeerde] : 10 duizend euro. [appellant] : Dan is het nog? [geïntimeerde] : Iets van 27 denk ik. [appellant] : 10 laten vallen. [geïntimeerde] : Ik wil gewoon een factuur, van die van negen duizend … [appellant] : Ja [geïntimeerde] : Die wil ik wel dat ik die wegdoe. [appellant] : Ja.. Morgen komt die advocaat. [geïntimeerde] : Ja, je kan wel een hoop trammelant maken, [appellant] , maar daar hebben niks aan. Gij niet en ik niet. [appellant] : Nee, dat ben ik ben ik met jou eens. [geïntimeerde] : Dat is toch heel simpel, of niet? [appellant] : Ikke... Morgen bel ik jou.” (…) [geïntimeerde] : … Er zat er nog ene bij van .. hier, zie die wil ik best laten vallen, echt, dat ben ik best bereid om dat te doen. [appellant] : Ik denk wel dat dat goed komt. [geïntimeerde] : Ik wil dat opgelost hebben dus. [appellant] : Ja. Morgen bel ik jou. (…)” De procedure in eerste aanleg 6.3.1. In eerste aanleg vorderde [geïntimeerde] onder meer [XXX] hoofdelijk te veroordelen om het bedrag aan openstaande facturen van in totaal € 38.399,75 te betalen en om de buitengerechtelijke kosten van € 2.639,99 te betalen. Daaraan heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd werkzaamheden voor [XXX] te hebben verricht die met de facturen in rekening zijn gebracht, die [XXX] onbetaald heeft gelaten. 6.3.2. [XXX] heeft betwist met [geïntimeerde] een overeenkomst in de gestelde orde van grootte te zijn aangegaan en heeft betwist de facturen te hebben ontvangen. Subsidiair heeft [XXX] aangevoerd dat de facturen zijn betaald. [XXX] heeft zich beroepen op verjaring. 6.3.3. De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] in hoofdsom toegewezen in een uitvoerbaar bij voorraad verklaard eindvonnis en [XXX] veroordeeld in de proceskosten. In het tussenvonnis van 30 november 2022 heeft de rechtbank daartoe overwogen dat [XXX] met de stelling zich de opdracht niet te kunnen herinneren en de facturen niet te hebben ontvangen, de vordering van [geïntimeerde] onvoldoende heeft betwist. Het had op de weg van [XXX] gelegen om na te gaan of zij de facturen, zoals door haar vermoed wordt, inderdaad niet heeft ontvangen. De betwisting van [XXX] strookt bovendien niet met de inhoud van het geluidsfragment, aldus de rechtbank. Ten aanzien van de subsidiaire stelling dat zij de facturen heeft voldaan, heeft [XXX] naar het oordeel van de rechtbank niet aan haar stelplicht voldaan. In het eindvonnis van 22 november 2023 heeft de rechtbank overwogen dat met een redelijke mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [XXX] via [appellant] na 4 maart 2015 heeft beloofd de vordering van [geïntimeerde] ten bedrage van € 38.399,75, althans de daaraan ten grondslag liggende vier facturen van 9 mei 2014, te zullen betalen. De verjaring van de vordering is als gevolg van de erkenning gestuit en de vordering van [geïntimeerde] is volgens de rechtbank dus niet verjaard. De procedure in hoger beroep 6.4.1. [XXX] heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemde tussenvonnissen en tegen het eindvonnis en heeft een incidentele vordering ingediend teneinde de uitvoerbaarverklaring van het bestreden eindvonnis te schorsen. 6.4.2. Het hof heeft in het tussenarrest in incident van 16 april 2024 de uitvoerbaarverklaring van het bestreden eindvonnis geschorst en de beslissing over de proceskosten aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. 6.4.3. [XXX] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden tussenvonnis en eindvonnis en tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad. Daartoe heeft [XXX] negen grieven aangevoerd. Met de eerste drie grieven betwist [XXX] het bestaan en de omvang van de vordering. De grieven 4 tot en met 8 richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de verjaring is gestuit. De laatste grief bouwt voort op de eerdere grieven en betreft de toegewezen buitengerechtelijke incassokosten. 6.4.4. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging met veroordeling van [XXX] in de kosten van het hoger beroep bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest. 6.4.5. [XXX] heeft geen grieven gericht tegen het tussenvonnis van 23 februari 2022, zodat het hoger beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het hof zal hierna de grieven gezamenlijk behandelen. Het bestaan en de hoogte van de vordering 6.5.1. Vaststaat dat [XXX] de vier facturen met een totaalbedrag van € 38.399,75 op of vlak na 9 mei 2014 heeft ontvangen. Op de facturen staat gespecificeerd aangegeven op welk soort werkzaamheden ze zien, hoeveel tijd daaraan is besteed en welke (hulp)middelen in rekening zijn gebracht. [geïntimeerde] heeft op de zitting in eerste aanleg toegelicht dat de facturen niet alleen zien op machines, maar ook op een kapotte koppelingsbak van een bestelbus en een gemaakte as. 6.5.2. [XXX] heeft betwist dat de facturen correct zijn en toegelicht dat [appellante] direct na ontvangst van de facturen bij [geïntimeerde] heeft gemeld de facturen niet te erkennen en dat [geïntimeerde] daarop toezegde hierop te zullen terugkomen. Volgens [XXX] waren de werkzaamheden al eerder betaald en stond er nog hooguit een bedrag van enkele duizenden euro’s open. 6.5.3. Het hof constateert dat [XXX] in hoger beroep opnieuw heeft nagelaten te onderbouwen op welk deel van de facturen (welke posten daarvan) haar verweer (dat al is betaald of dat de factuur anderszins niet correct
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.