GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer : 200.328.041/01 zaaknummer rechtbank : C/01/354073 / FA RK 19-6237 beschikking van de meervoudige kamer van 7 november 2024 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. L.H.J.M. Cilissen te Geldrop, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. G. Raaben te Assen. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 18 mei 2021 en van 9 maart 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in principaal en incidenteel hoger beroep 2.1. De vrouw is op 7 juni 2023 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 9 maart 2023. Het beroepschrift bevat de bijlagen 1 tot en met 18. 2.2 De man heeft op 28 juli 2023 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met de producties 1 tot en met 12 ingediend. 2.3. De vrouw heeft op 20 september 2023 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep met de bijlagen 19 en tot en met 25 ingediend. 2.4. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: een V8-formulier van de zijde van de vrouw van 17 mei 2024, ingekomen op 22 mei 2024, met als bijlage een brief van diezelfde datum, waarin namens de vrouw wordt verzocht om de heer [getuige] van [bedrijf] te horen als getuige; een V6-formulier van de zijde van de vrouw van 28 juni 2024, ingekomen op diezelfde datum, met als bijlagen producties 13 tot en met 17,; een brief van de zijde van de vrouw van 2 juli 2024, met als bijlagen een meer leesbare versie van bij het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep ingediende producties 2 en 5. 2.5. De mondelinge behandeling heeft op 10 juli 2024 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd en overeenkomstig gepleit. 2.6. Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ingekomen: een V8-formulier van mr. Raaben van 3 oktober 2024, ingekomen op 4 oktober 2024, met als bijlage het rapport van [bedrijf] van 4 september 2024; een V8-formulier van mr. Cilissen van 18 oktober 2024, ingekomen op diezelfde datum. 3De feiten Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. partijen zijn op 31 mei 2006 te [plaats] met elkaar gehuwd in de wettelijke (algehele) gemeenschap van goederen; op 24 december 2019 is het verzoek van de vrouw tot echtscheiding bij de rechtbank ingekomen; bij beschikking van 18 mei 2021 heeft de rechtbank onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken; de echtscheidingsbeschikking is op 10 juni 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4De omvang van het geschil 4.1. Bij voornoemde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de beslissing met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap aangehouden. 4.2. Bij de bestreden beschikking van 9 maart 2023 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang: (abusievelijk nogmaals) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken; de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap gelast zoals overwogen in die beschikking en het meer of anders verzochte afgewezen. 4.3. De grieven van partijen hebben betrekking – met uitzondering van de peildatum ter zake de omvang en samenstelling van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap – op de afwijzing door de rechtbank van hetgeen zij “meer of anders verzocht” hebben. Het hof zal dit hieronder nader specificeren. 4.4. De vrouw verzoekt het hof, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 9 maart 2023 deels te vernietigen en opnieuw rechtdoende: I. te beslissen dat de man zijn aandeel in de tot de gemeenschap behorende cryptovaluta, voor zover thans bekend: 63.1403 ETH, aan de vrouw verbeurt, althans dat de tot de gemeenschap behorende cryptovaluta in gelijke helften tussen partijen worden verdeeld; II. de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 5.445,-- ter zake van de kosten die zij moest maken om een deskundigenrapport op te stellen met betrekking tot de tot de gemeenschap behorende cryptovaluta; III. de man te veroordelen om binnen een week na betekening van de te nemen beschikking aan de vrouw af te geven de Yamaha motorfiets in de staat zoals weergeven in bijlage 18; IV. de man te veroordelen om, in het geval een taxatie van de motoren, Aprillia MD VX 89, Kawasaki en KTM, niet meer kan plaatsvinden, aan de vrouw te betalen een bedrag van € 10.000,--, zijnde de helft van de geschatte waarde, althans een bedrag van € 1.025,-, althans een door het hof in redelijkheid te bepalen bedrag; V. de man te veroordelen om volledige en correcte informatie te verstrekken over alle accounts, wallets e.d. die op de peildatum tot de gemeenschap waarin partijen gehuwd waren behoorden. 4.5. De man heeft in het principaal hoger beroep verzocht tot afwijzing van hetgeen de vrouw verzoekt onder I, II, V van IV voor zover dit het bedrag van € 1.025,-- te boven gaat en tot referte van het bedrag van € 1.025,-- wat onder IV subsidiair verzocht is. In incidenteel hoger beroep heeft de man verzocht de vrouw te veroordelen tot betaling van € 10.800,-- aan de man, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek, zoals verwoord in haar petitum onder III, ingetrokken. 4.6. De vrouw heeft verzocht om het verzoek van de man in incidenteel hoger beroep af te wijzen. 5De motivering van de beslissing in principaal en incidenteel hoger beroep Echtscheiding 5.1. Het hof stelt allereerst vast dat de rechtbank bij de bestreden beschikking van 9 maart 2023 abusievelijk de echtscheiding tussen partijen opnieuw heeft uitgesproken. Immers, de rechtbank had dit reeds bij de door haar op 18 mei 2021 gegeven beschikking gedaan. Die beschikking is op 10 juni 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het huwelijk van partijen was derhalve al door echtscheiding ontbonden. Het hof zal daarom, overeenkomstig het door partijen tijdens de mondelinge behandeling daartoe gedane verzoek de door de rechtbank in de bestreden beschikking van 9 maart 2023 uitgesproken echtscheiding, vernietigen. Peildatum omvang en samenstelling 5.2. De rechtbank heeft de peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap in rov. 2.2.1 van de beschikking van 9 maart 2023 vastgesteld op 24 december 2019. De vrouw heeft hiertegen een grief gericht. Zijstelt dat partijen hebben afgesproken om voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap 23 december 2019 als peildatum te hanteren. De man erkent deze afspraak over de peildatum. Het hof zal daarom, 23 december 2019 hanteren als peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap. Yamaha 5.3. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep haar verzoek zoals hiervoor in rov. 4.4. weergegeven onder III, ingetrokken. Aldus behoeft dit geen verdere bespreking meer. Paragliders 5.4. De man heeft in het lichaam van zijn verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep de vrouw aangeboden om één van de twee paragliders die de man in zijn bezit heeft, aan de vrouw te doen toekomen. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangegeven dat zij de paraglider niet wil en dat de man deze mag behouden. Nu er ter zake geen verzoek aan het hof is voorgelegd, zal het hof met betrekking tot de paragliders ook niet beslissen. Vervoermiddelen (camper en Porsche) / Motoren (Aprillia MD VX 89, Kawasaki, KTM) 5.5. De rechtbank heeft over de vervoermiddelen het volgende overwogen: “2.2.20. De rechtbank stelt vast dat tot de vervoermiddelen behoren een Suzuki, een Smart, een camper en een Porsche en dat met betrekking tot deze laatste twee vervoermiddelen nog een geschil bestaat. Daar bestond eerder geen geschil over. Partijen hadden overeenstemming bereikt over toedeling van de Porsche aan de vrouw en toedeling van de camper met inboedel aan de man. Blijkens de stukken dateert deze overeenstemming van bijna driejaar geleden. Thans zijn partijen een andere mening toegedaan. De man stelt zich nu op het standpunt, althans dat leidt de rechtbank uit de stukken af, dat de vrouw door de verdeling van de Porsche en camper met inboedel voor een bedrag van € 10.000,- is overbedeeld en dat zij derhalve een bedrag van € 5.000,- aan de man dient te betalen. 2.2.21. De rechtbank stelt vast dat de Porsche en camper inmiddels (na de peildatum) zijn verkocht, zonder dat partijen met elkaar over de verkoop daarvan hebben gecommuniceerd. Gelet op de omstandigheid dat de vervoermiddelen inmiddels zijn verkocht en de door partijen ingenomen inconsistente standpunten (zoals in 2.2.20. weergegeven) kan de rechtbank niet vaststellen wat de waarde is en derhalve voor welk bedrag de ene of andere partij wordt overbedeeld. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat een taxatie, zoals door de man voorgesteld, niet tot een ander oordeel kan leiden. Zo zijn beide vervoermiddelen verkocht en is ook niet bekend waar de Porsche zich thans bevindt. Een taxatie behoort dan ook niet tot de mogelijkheden. 2.2.22. Het verzoek met betrekking tot de verdeling van de camper en inboedel en Porsche en het vaststellen van de overbedelingsvordering zal dan ook worden afgewezen.” Over de motoren heeft de rechtbank overwogen: “2.2.23. De rechtbank stelt vast dat de volgende motoren tot de gemeenschap behoren: Yamaha, Aprillia Atlantic 500, Aprillia MD VX 89, Kawasaki en KTM. Met betrekking tot deze laatste drie motoren bestaat nog een geschil. Tussen partijen is immers niet in geschil dat de Yamaha aan de vrouw wordt toebedeeld en de Aprillia Atlantic 500 aan de man, althans dat is wat de rechtbank uit de stukken afleidt. De drie motoren, waarover nog een verschil van mening bestaat, zijn inmiddels door de man verkocht. De KTM op 19 januari 2022 voor een bedrag van € 350,-, de Aprillia MD VX 89 op 4 januari 2021 voor een bedrag van € 1.200,- en de Kawasaki op 4 januari 2021 voor een bedrag van € 500,-. 2.2.24. Gelet op de omstandigheid dat de drie motoren waarover nog een geschil bestaat inmiddels zijn verkocht en de door partijen aan elkaar ingenomen tegenstrijdige standpunten kan de rechtbank niet vaststellen wat de waarde is en derhalve voor welk bedrag de man zou worden overbedeeld indien wordt uitgegaan van een toedeling aan de man. Zo stelt de vrouw dat de waarde van de Kawasaki € 10.000,- is en heeft de man deze motor voor een bedrag van € 500,- verkocht en stelt de vrouw dat de waarde van de Aprillia MD VX 89 € 9.000,- is en heeft de man deze motor voor een bedrag van € 1.200,- verkocht. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat een taxatie, zoals door de vrouw voorgesteld, niet tot een ander oordeel kan leiden. Zo zijn de motoren verkocht en is ook niet bekend waar deze zich thans bevinden. 2.2.16. Het verzoek met betrekking tot het vaststellen van de overbedelingsvordering ter zake de drie motoren zal dan ook worden afgewezen.” 5.6. Het meest verstrekkende standpunt van de man is dat partijen overeenstemming hadden over de verdeling van de motoren en de vervoermiddelen en dat deze overeenstemming is neergelegd in een (concept)convenant. De vrouw is daar later op teruggekomen, voor zover het de motoren betrof. De man heeft daarin aanleiding gezien om zich niet langer gebonden te voelen aan de (gemaakte afspraken over
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.