GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.322.093/01 arrest van 12 november 2024 in de zaak van 1de onderneming naar Duits recht [bedrijf appellante] , gevestigd te [plaats] (Duitsland), 2. [persoon A], 3. [persoon B] ,beiden wonende te [plaats] (Duitsland), appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, hierna gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) aan te duiden als [appellante] en zo nodig ieder afzonderlijk te noemen: [bedrijf appellante] , [persoon A] en [persoon B] , advocaat: mr. H.M. van Eerten te Zwolle, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [geïntimeerde] , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: J.M.A. Zandvoort te Veghel, op het bij exploot van dagvaarding van 24 januari 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 9 november 2022, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellante] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en [geïntimeerde] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer: C/01/375404/ HA ZA 21-717) Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven (met producties); de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (met producties); de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep tevens akte uitlating producties; de akte van [geïntimeerde] en de antwoordaktes van [appellante] . Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De kern van het geschil Kern van het geschil 3.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. [geïntimeerde] heeft bramen- en frambozenplanten verkocht en geleverd aan [appellante] . [appellante] heeft de facturen van [geïntimeerde] niet betaald omdat de geleverde planten volgens [appellante] ten tijde van de levering besmet waren met schimmelinfecties, waardoor [appellante] schade heeft geleden die de omvang van de factuurbedragen overtreffen. [appellante] vordert de ontbinding van de overeenkomsten die aan de facturen van [geïntimeerde] ten grondslag liggen en vordert veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een schadevergoeding, op te maken bij staat. 3.2. Het hof oordeelt dat de bramen- en frambozen niet beantwoordden aan de overeenkomst. [appellante] heeft recht op schadevergoeding, maar moet ook de factuur betalen. 4De feiten 4.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 4.2. [geïntimeerde] is een internationaal opererend bedrijf dat planten voor zacht fruit, waaronder frambozen en bramen verkoopt. [appellante] is een Duitse maatschap (Gesellschaft bürgerlichen Rechts) die is gespecialiseerd in de teelt van zacht fruit, met name bramen en frambozen. 4.3. Op 19 december 2017 heeft [appellante] per e-mailbericht aan [geïntimeerde] verzocht bramen- en frambozenplanten te leveren. 4.4. Bij e-mail van 9 januari 2018 heeft [geïntimeerde] een bericht aan [appellante] gestuurd. De overgelegde tekst van die e-mail vermeldt als bijlagen onder meer: “Leveringsvw sierteelt en vto Duits.pdf;”. Bij de e-mail zijn twee – door [appellante] te tekenen en te retourneren opdrachtbevestigingen (“Auftragbestätigung”) – als bijlage gevoegd. In die opdrachtbevestigingen staat steeds: “Mit der Unterzeichnung akzeptieren Sie der Allgemeinen Voraussetzungen und Bedingungen von “Sierteelt en Voedingstuinbouwopkweek van Plantum”.” En (in kleiner lettertype onderaan) staat onderaan de opdrachtbevestigingen: Voor al onze over[e]enkomsten, verkopen, leveringen en/of bewerkingen zijn de leveranciersvoorwaarden Sierteelt en Voedingstuinbouw Opkweek van Plantum NL van toepassing, gedeponeerd […] op 19 september 2002.” 4.5. Op 28 februari 2018 heeft [appellante] de ondertekende orderbevestigingen aan [geïntimeerde] geretourneerd. 4.6. Op 16, 18 en 20 juli 2018 en 9 augustus 2018 zijn 7700 bramenplanten en op 20 juli 2018 zijn 1900 frambozenplanten aan [appellante] geleverd. Op 28 juli 2018 heeft [geïntimeerde] nog een nalevering gedaan van 497 bramenplanten. De planten zijn door [appellante] opgehaald bij [geïntimeerde] en in een ongekoelde vrachtwagen vervoerd. 4.7. Bij factuur van 9 augustus 2018 heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 56.214,50 in rekening gebracht bij [appellante] voor geleverde bramen en frambozen. 4.8. Op 16 augustus 2018 heeft [persoon C] , werkzaam bij [geïntimeerde] , hierna: [persoon C] , de planten bij [appellante] bekeken. Op 17 augustus 2018 heeft [persoon C] aan [appellante] gemaild: “Ist es möglich das sie eine Kalkulation mache von die schlechte pflanzen Himbeeren Glenn Ample und Brombeeren. Ich habe gestern gesehen wie das aussieht aber für die Abrechnung hatte ich gerne ein Anzahl. In die Glenn Ample ist 50-60% schlecht oder Kaput, in die Brombeeren die nachgeliefert 5 canes Topfen sind auch ein paar Topfen mit botrytis” 4.9. Op 17 augustus 2018 heeft de Pflanzenschutzdienst van de Landwirtschafskammer Nordrhein-Westfalen monsters van frambozen- en bramenplanten genomen en onderzocht. Op 13 september 2018 heeft zij aan [appellante] bericht: “wie Sie den Prüfergenissen entnhemen können, hat unsere Diagnosebateilung an den Himbeeren nur den sekundär auftretenden Pilz Fusarium sp. fesstellen können. An dieser Kultur tritt der Schaderreger alleine nicht als primärer Schaderreger in Erscheinung. An den Brombeeren zeigte sich hingegen ein starker Befall mit dem Pilz Botrytis cinerea. Ein Befall kann so intensiv sein, dass Triebe komplett absterben.” 4.10. In opdracht van [appellante] heeft een deskundige op het gebied van land- en tuinbouw, [naam deskundige] de kas van [appellante] op 31 augustus 2018, 14 september 2018 en 26 november 2018 bezocht. Op 26 november 2018 waren daarbij ook twee medewerkers van [geïntimeerde] aanwezig. In zijn rapport van 20 februari 2019 schrijft hij (in het Duits, zoals vertaald en samengevat door het hof) dat er al enige weken na levering afgestorven scheuten en planten zichtbaar waren. Voor de bramen is de schade het gevolg van botrytis schimmel, voor de frambozen gaat het om vorstschade en Fusarium schimmel. [naam deskundige] schrijft dat de planten bij levering veel bladeren hadden: naar het oordeel van [naam deskundige] , speelt het niet ontbladeren voor opslag (door [geïntimeerde] ) een rol bij het ontstaan van botrytisschimmel, doordat die bladeren in de opslag rotten en dat gunstige omstandigheden creëert voor de verspreiding van de schimmel. Uit steekproeven volgt voor de bramen een verlies van 15% en voor de frambozen een verlies van 64,5% van de scheuten. 4.11. Bij factuur van 25 oktober 2018 is een bedrag van € 3.623,13 bij [appellante] in rekening gebracht voor de 497 nageleverde bramenplanten. 4.12. Op 19 februari 2019 heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 5.444,00 voor de 1900 frambozenplanten gecrediteerd aan [appellante] . 4.13. [appellante] heeft de facturen van [geïntimeerde] onbetaald gelaten. 4.14. Na de oogst zijn de bramen- en frambozenplanten vernietigd. 4.15. Bij email van 13 januari 2023 schreef [naam deskundige] aan [appellante] dat de schade aan de planten die hij heeft gezien op fotomateriaal van twee weken na levering, niet in twee weken kan zijn ontstaan. Hij zegt dat het gebrek (“Mängel”) – hoewel latent – in de planten bij levering aanwezig moet zijn geweest. 4.16. In opdracht van [appellante] heeft ook [persoon D] op basis van hem ter beschikking gestelde foto’s gerapporteerd. Hij schrijft in zijn rapport van 6 februari 2023: “Hierna zal worden toegelicht dat ertoe kan worden geconcludeerd dat deze Botrytis-infectie in de planten zat voordat ze op het bedrijf van [appellante] arriveerden; dat ze dus op de kwekerij of tijdens het bewaren bij [geïntimeerde] zijn geïnfecteerd. Een infectie kan plaats vinden door het oude blad te verwijderen en de planten daarna niet te behandelen met een fungicide om de wondjes van de oude bladeren af te dekken. De Botrytis infectie zit volgens de foto's vooral op deze oude bladwonden. […] Eind december wordt het plantmateriaal ingepakt en in de koeling gebracht. Frambozen en bramenplanten hebben zelfs bij -1°C nog een aanzienlijke ademhalingsactiviteit. Bij die ademhaling komt CO2, warmte en vocht vrij. Een volledig afgesloten zak kan zeker tijdens de inkoeling, wanneer de plant nog niet volledig koud is, leiden tot een ophoping van CO2, warmte en vocht waardoor schimmels zich kunnen verspreiden over het plantmateriaal en knoppen kunnen aangetast worden en niet meer uitlopen. Als inpakmateriaal gebruik je daarom best voldoende geperforeerd materiaal. Het ontbladeren van de planten voor koeling is bij lange bewaring aan te raden. […] Op de foto's is goed te zien dat een gedeelte van de scheuten niet is uitgelopen omdat de scheuten in de knoppen waaruit deze vrucht scheuten moeten ontstaan aangetast zijn door de schimmel Botrytis. Botrytis kan ook later in de productiefase ontstaan. We vinden de aantasting dan vooral op de bloemen en vruchten van de bramen. Een dergelijk schadebeeld is hier niet terug te zien en zou zich bovendien ook pas in een later stadium op het bedrijf van [appellante] hebben moeten manifesteren. Op de foto's is goed te zien dat een gedeelte van de scheuten nooit is uitgelopen, Dit is veroorzaakt door de Botrytis schimmel voordat de planten op het bedrijf van [appellante] zijn geleverd.” 4.17. In opdracht van [geïntimeerde] heeft [een consultancybureau] een rapport opgesteld. In het rapport van 5 juni 2023 staat: “[…] Botrytis kan in een bramenteelt een beperkte invloed hebben. Wanneer botrytis bij de plantenkweker is ontstaan tijdens de teelt of tijdens het bewaarproces in de koelcel zal dit altijd visueel zichtbaar zijn bij het ontvangen van de planten. Hoe langer planten bewaard worden in de koelcel des te groter het probleem kan worden. Bruine stukjes stengel of aangetaste knoppen zijn dan zeer goed waar te nemen bij het uitpakken van plantmateriaal. […]” 5Het geschil De procedure bij de rechtbank 5.1. In eerste aanleg vorderde [geïntimeerde] (in conventie) betaling van de openstaande facturen van € 54.393,63, vermeerderd met rente, incassokosten en proceskosten. Ook vorderde [geïntimeerde] het vonnis te voorzien van een certificaat betreffende een beslissing in burgerlijke en handelszaken conform art. 53 Verordening (EU) nr. 1215/2012 (hierna: herschikte Brussel 1-bis-verordening) en vertaalkosten. 5.2. In reconventie vorderde [appellante] de overeenkomsten die ten grondslag liggen aan de facturen van 9 augustus 2018 en 25 oktober 2018 te ontbinden en te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] door de levering van non-conforme bramen- en frambozenplanten in de periode juli-augustus 2018 toerekenbaar tekort is geschoten en gehouden is de schade die [appellante] dientengevolge heeft geleden te vergoeden, nader op te maken bij staat en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. 5.3. In het tussenvonnis van 8 december 2021 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast die is gehouden op 20 oktober 2022 en waarvan proces-verbaal is opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. 5.4. In het eindvonnis van 9 november 2022 heeft de rechtbank [appellante] (in conventie) veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 50.770,50 (de factuur van € 56.214,50 – creditfactuur € 5.444,00), vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Daarnaast is aan [geïntimeerde] het certificaat als bedoeld in art. 53 Brussel 1-bis-verordening verstrekt. De gevorderde vertaalkosten zijn afgewezen, bij gebrek aan onderbouwing. In reconventie zijn de vorderingen afgewezen met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. De procedure in hoger beroep In principaal hoger beroep 5.5. [appellante] voert in principaal hoger beroep drie grieven aan. [appellante] concludeert tot vernietiging van het bestreden eindvonnis voor zover daarbij de door [geïntimeerde] ingestelde vorderingen in conventie zijn toegewezen en die van [appellante] in reconventie zijn afgewezen en om opnieuw rechtdoende: A. de tussen partijen bestaande overeenkomst(en), zoals die ten grondslag liggen aan de facturen van 9 augustus 2018 en 25 oktober 2018 te ontbinden; B. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] jegens [appellante] door de levering van niet-contracts-conforme bramen- en frambozenplanten in de periode juli-augustus 2018 toerekenbaar tekort is geschoten en gehouden is de dientengevolge door [appellante] geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat; C. [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen [appellante] op basis van het bestreden vonnis reeds heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente; D. [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties, waaronder de nakosten. in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep 5.6. [geïntimeerde] grieft voorwaardelijk - onder de voorwaarde dat het hof anders oordeelt dan de rechtbank heeft gedaan in r.o. 2.7., waarin de rechtbank tot de conclusie komt dat het beroep op ontbinding op grond van art. 6:265 BW van de overeenkomst niet slaagt, dus voor zover het hof tot het oordeel komt dat het beroep op ontbinding op grond van art. 6:265 BW wel zou slagen – tegen de overweging in r.o. 2.11 en verder waar de rechtbank de gevorderde gerechtelijke ontbinding naar Nederlands recht beoordeelde. Ook vordert [geïntimeerde] om het bedrag van € 637,07 aan vertaalkosten, nu onderbouwd met een factuur (productie 13 bij memorie van antwoord), alsnog toe te wijzen. 6De beoordeling in principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep rechtsmacht 6.1. Appellanten (gedaagden in eerste aanleg) zijn gevestigd en wonen in Duitsland, zodat deze zaak een internationaal aspect heeft. Het hof moet daarom eerst – ambtshalve – de bevoegdheid van de Nederlandse rechter vast stellen. 6.2. In aanvulling op wat de rechtbank terecht overwoog over de gronden van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter, geldt dat [appellante] voor de rechtbank Oost-Brabant is verschenen, zonder zich te beroepen op het ontbreken van (internationale) bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Op grond van art. 26 lid 1 van de herschikte Brussel 1-bis-verordening is de Nederlandse rechter daarom bevoegd om over dit geschil te oordelen. toepasselijk recht 6.3. Terecht is de overweging van de rechtbank dat het Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken van 11 april 1980, Trb. 1986, 61 (hierna: het Weens Koopverdrag en CISG) van toepassing is op de koopovereenkomsten tussen partijen niet bestreden. Het hof neemt dit daarom ook als uitgangspunt. 6.4. In artikel 7 lid 2 CISG is bepaald dat vragen betreffende de door het verdrag geregelde onderwerpen, die in het verdrag niet uitdrukkelijk zijn beslist, worden opgelost aan de hand van de algemene beginselen waarop het verdrag berust, of bij ontstentenis van zodanige beginselen, in overeenstemming met het krachtens de regels van internationaal privaatrecht toepasselijke recht. Deze regels zijn voor deze situatie neergelegd in Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, PbEU 2008, L 177/6 (Rome I). Ter zitting in eerste aanleg hebben partijen een rechtskeuze gedaan voor Nederlands recht, voor kwesties die niet door het Weens Koopverdrag worden geregeld. Daarom worden deze kwesties op grond van art. 3 lid 1 Rome I (rechtskeuze) beheerst door (intern) Nederlands recht, met uitzondering van de beoordeling van de aansprakelijkheid van de maten van de maatschap naar Duits recht voor de schulden van die maatschap, omdat daarvoor het recht van het land waar de maatschap opgericht en gevestigd is van toepassing is, zie hierna onder 6.34. tekortkoming (bramen) 6.5. [geïntimeerde] betwist dat zij is tekortgeschoten bij de levering van de bramenplanten. In de bramenplanten is de schimmelinfectie botrytis aangetroffen. Dat heeft volgens het rapport van [naam deskundige] geleid tot een uitval van ongeveer 15% van de scheuten van de planten. 6.6. [geïntimeerde] betwist de bevindingen van [naam deskundige] en de Pflanzenschutzdienst in haar rapport van 13 september 2019 (zie onder 4.9 hiervoor) onvoldoende gemotiveerd. Daarmee staat vast dat op het moment dat de Pflanzenschutzdienst de op 17 augustus 2018 genomen monsters van de planten (steekproefsgewijs) onderzocht er botrytis is aangetroffen in de bramenplanten. Ook is niet voldoende gemotiveerd betwist dat botrytis de oorzaak is van de schade aan de bramenplanten. 6.7. [geïntimeerde] betwist dat de botrytis al aanwezig was in de planten op het moment van levering in de periode van 16 juli tot en met 9 augustus 2018. Dat blijkt volgens haar niet uit het rapport van [naam deskundige] . De rechtbank heeft dat betoog gevolgd en op die grond de vordering afgewezen. 6.8. [appellante] grieft tegen dat oordeel en legt in dat verband een aanvullende email van [naam deskundige] en het rapport van [persoon D] over. [geïntimeerde] voert aan dat zij niet kan vaststellen dat de foto’s die door [appellante] aan [naam deskundige] en [persoon D] zijn verstrekt, foto’s zijn van de door haar geleverde planten. Op die grond betwist [geïntimeerde] dat door haar geleverde planten op de foto’s te zien zijn. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat zij (ook) niet kan vaststellen dat de foto’s die aan [naam deskundige] zijn verstrekt, foto’s van de door haar aan [appellante] geleverde planten zijn. Het hof passeert deze verweren, omdat [geïntimeerde] dat verweer niet onderbouwt, en bijvoorbeeld niet uitlegt waarom zij niet heeft kunnen vaststellen dat het gaat om foto’s van door haar geleverde planten. Daarbij overweegt het hof dat medewerkers van [geïntimeerde] sinds in ieder geval augustus 2018 betrokken zijn geweest bij onderzoek naar de schade en ook de kas van [appellante] hebben bezocht, terwijl die kas volledig was bezet met plantmateriaal afkomstig van [geïntimeerde] . 6.9. [persoon D] vermeldt in zijn rapport dat de schimmel is aangetroffen in wondjes aan de planten die ontstaan bij het ontbladeren van de planten en dat daarbij – kennelijk – geen fungicide is aangebracht. [geïntimeerde] voert aan dat zij de planten niet ontbladerd heeft, zodat er aan haar kant geen sprake is geweest van een tekortkoming of non-conformiteit van de planten. Het hof verwerpt dit betoog. [persoon D] heeft het in zijn rapport over “oude bladwonden” en dus niet over bladwonden die zijn ontstaan kort voor of na levering van de planten door [geïntimeerde] aan [appellante] . Zowel [naam deskundige] (destijds) en [persoon D] (achteraf) hebben uit het schadebeeld kunnen afleiden dat de schimmel al op het moment van levering aanwezig moet zijn geweest in de planten. Daarnaast blijkt uit de in overweging 4.8 geciteerde e-mail van [persoon C] dat deze tijdens zijn bezoek aan het bedrijf van [appellante] zelf had vastgesteld dat de door [geïntimeerde] geleverde planten aangetast waren. Het hof passeert daarom dit verweer van [geïntimeerde] . [appellante] heeft tijdig geklaagd 6.10. Onder verwijzing naar het rapport van [een consultancybureau] (zie hiervoor onder 4.17) stelt [geïntimeerde] dat een eventuele besmetting met botrytis bij aflevering zichtbaar moet zijn geweest. Volgens [geïntimeerde] volgt daaruit dat er op het moment van levering geen besmetting met botrytis was, en in ieder geval heeft [appellante] over een eventueel gebrek niet binnen bekwame tijd geklaagd, aldus [geïntimeerde] . 6.11. Het hof overweegt als volgt. Op grond van art. 38 CISG moet de koper de gekochte zaken binnen een gelet op de omstandigheden zo kort mogelijke termijn keuren of doen keuren. De klachtplicht van art. 39 CISG houdt in dat de koper “binnen een redelijke termijn nadat hij dit heeft ontdekt of had behoren te ontdekken” de verkoper informeert. De keuringstermijn van art. 38 CISG is op zichzelf dus geen vervaltermijn. Wel volgt hieruit dat voor of in ieder geval kort na het transport [appellante] de bramen had moeten keuren. 6.12. Dat toen niet meteen is geklaagd, betekent niet dat er geen schimmel aanwezig was. De mogelijkheid bestaat dat de bramen toen niet of niet goed genoeg geïnspecteerd zijn. Wel is dat moment – uiterlijk steeds de dag van de levering – het moment waarop [appellante] de schimmel had behoren te ontdekken. De termijn van art. 39 CISG is dus op dat moment gaan lopen. 6.13. Op grond van het toepasselijke Nederlandse procesrecht (art. 150 Rv) heeft [geïntimeerde] hier de stelplicht en de bewijslast dat [appellante] niet binnen bekwame tijd geklaagd heeft omdat [geïntimeerde] hieraan het rechtsgevolg verbindt dat [appellante] haar recht om zich te beroepen op non-conformiteit heeft verwerkt. [geïntimeerde] stelt in de dagvaarding dat [appellante] niet binnen bekwame tijd geklaagd heeft, omdat [geïntimeerde] pas zeven maanden na levering, op 20 februari 2019, het rapport van [naam deskundige] aan [geïntimeerde] zou hebben verstrekt en daarvoor nimmer schriftelijk geklaagd zou hebben over de vermeende gebreken. 6.14. Een klacht hoeft echter niet schriftelijk te worden geuit en uit de email van [persoon C] (zie onder 4.8) volgt dat in ieder geval voor 16 augustus 2018 [geïntimeerde] al ervan op de hoogte was dat [appellante] klaagde over slechte bramenplanten. Ook staat (als onvoldoende onderbouwd betwist) vast dat de nalevering van 497 bramenplanten op 28 juli 2018, naar aanleiding van een klacht van [appellante] over de eerder geleverde bramenplanten is geweest. Tegen die achtergrond kan [geïntimeerde] niet volstaan met de stelling dat pas na zeven maanden schriftelijk is geklaagd en een verder niet onderbouwde betwisting dat [appellante] eerder of binnen bekwame tijd heeft geklaagd. Het hof zal het beroep van [geïntimeerde] op schending van de klachtplicht van art. 39 CISG daarom als onvoldoende onderbouwd passeren. tekortkoming (frambozenplanten) 6.15. Voor de frambozenplanten geldt dat [geïntimeerde] de factuur voor de levering van de frambozenplanten heeft gecrediteerd. Het geschil in conventie ziet dus niet op betaling van de frambozenplanten. Het hof acht onvoldoende weersproken dat ook de frambozenplanten niet voldeden aan de overeenkomst. In zijn e-mail van 17 augustus 2018 gaf [persoon C] van [geïntimeerde] het standpunt van [appellante] weer als “In die Glenn Ample [frambozen, hof] ist 50-60% schlecht oder Kaput,”, nadat hij de kas had bezocht, de planten had gezien en zonder daarbij enige kanttekening te plaatsen. Vervolgens heeft [geïntimeerde] de factuur voor de frambozenplanten volledig gecrediteerd. Als schadeoorzaak voor de frambozenplanten noemen [naam deskundige] en de Pflanzenschutzdienst vorstschade en een schimmel. Omdat [appellante] de frambozenplanten ongekoeld heeft getransporteerd en daarna in de kas heeft geplant, kan de vorstschade niet opgetreden zijn na levering op 20 juli 2018 aan [appellante] . Het beroep van [appellante] op de klachtplicht slaagt niet, op de gronden zoals hiervoor onder 6.14 overwogen. schadevergoeding 6.16. Het hof komt zodoende op basis van de rapportages van partijdeskundigen [naam deskundige] en [persoon D] tot de conclusie dat – gelet op het schadebeeld op de foto’s – de botrytis schimmel aanwezig moet zijn geweest in de bramenplanten toen die aan [appellante] zijn geleverd. Daarmee beantwoordden de planten niet aan de kwaliteit en hoedanigheid die tussen [geïntimeerde] en [appellante] is overeengekomen (art. 35 CISG). Dat betekent dat [appellante] aanspraak kan maken op schadevergoeding (art. 74 CISG). De grieven van [appellante] tegen het bestreden vonnis slagen in zoverre. Het verweer van [geïntimeerde] dat [appellante] zijn vorderingen alleen op het Nederlands Burgerlijk Wetboek baseert en dat de vorderingen daarom niet toewijsbaar zouden zijn, kan niet slagen. Op grond van art. 25 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), moet de rechter immers de rechtsgronden ambtshalve aanvullen. In haar memorie van grieven onder IV vordert [appellante] schadevergoeding. Daarbij vermeldt [appellante] artikel 6:96 BW als wettelijke grondslag. Aangezien echter het Weens koopverdrag geldt, begrijpt het hof dat de schadevergoeding is gebaseerd op artikelen 45 lid 1 sub b en 74 CISG. [geïntimeerde] wordt door het aldus begrijpen van de vordering niet benadeeld in haar verweer. 6.17. Uit de beslissing in conventie volgt, dat de geleverde bramenplanten niet voldoen aan de overeenkomst (in de woorden van [appellante] : niet contractsconform zijn) en dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die [appellante] daardoor geleden heeft. De gevorderde verklaring voor recht is daarom toewijsbaar, met uitzondering van de verwijzing naar artikel 6:96 BW, omdat in dit geval de schade aan de hand van het Weens Koopverdrag moet worden begroot. Een gedeelte van schade kan het hof al in deze procedure begroten. Op basis van de vordering zoals die is ingesteld en het partijdebat over de (hoogte van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.