Parketnummer : 20-001538-23 Uitspraak : 13 november 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 31 mei 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-031706-22 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, locatie Norgerhaven, te Veenhuizen. Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het impliciet primair tenlastegelegde (het medeplegen van moord), het impliciet subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘het medeplegen van doodslag’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van het voorarrest. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 25.464,15, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige gedeelte is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De verdachte is veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken proceskosten, tot heden begroot op nihil. Voorts is de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Tevens heeft de rechtbank beslist op het beslag. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de beslissing op het beslag en, in zoverre opnieuw rechtdoende, geen beslissing zal nemen ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen. De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van het impliciet primair tenlastegelegde (moord) vrijspraak bepleit. Voort wat betreft het impliciet subsidiair tenlastegelegde (doodslag) is aangevoerd dat geen sprake is van medeplegen. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging verzocht te beslissen overeenkomstig het oordeel van de rechtbank. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 27 januari 2022 te Goes, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, van het leven heeft beroofd, door met een (vuur)wapen een schot/kogel af te vuren in (de richting van) de rug/hals van die [slachtoffer] , tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden. Vrijspraak van het impliciet primair tenlastegelegde (moord) Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat uit het procesdossier noch het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het besluit om met een vuurwapen te schieten in de richting van het slachtoffer [slachtoffer] , ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden. Het hof acht het aannemelijk dat de verdachte heeft gehandeld in een gemoedsopwelling en dat hij geen gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn daad en zich daarvan rekenschap te geven. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte niet heeft gehandeld met voorbedachte raad. Het hof zal de verdachte vrijspreken van de impliciet primair tenlastegelegde moord. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 27 januari 2022 te Goes [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een (vuur)wapen een kogel af te vuren in (de richting van) de rug van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op gronden zoals nader verwoord in de pleitnota bepleit dat geen sprake is van medeplegen. Daartoe heeft de raadsman het navolgende aangevoerd. Het enkele feit dat de verdachte een vuurwapen heeft meegenomen en samen met medeverdachte [medeverdachte] naar de afspraak met het slachtoffer is gegaan, is onvoldoende om te spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. Er is voorafgaand aan het incident geen plan gemaakt door de verdachte en de medeverdachte. De verdachte wist vrijwel niets van het conflict tussen medeverdachte [medeverdachte] en het slachtoffer en had van [medeverdachte] gehoord dat ze gingen praten. [medeverdachte] was daarnaast niet eens op de hoogte van de aanwezigheid van het vuurwapen en heeft niet deelgenomen aan het schietincident. Dat de medeverdachte opdracht heeft gegeven aan de verdachte om te schieten, volgt enkel uit de verklaringen van getuige [getuige 1] , die naar de mening van de verdediging niet betrouwbaar zijn en niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd. De verklaringen van [getuige 1] bevatten tegenstrijdigheden, zijn op meerdere punten inconsistent en vinden bovendien geen steun in de overige bewijsmiddelen, terwijl de verklaring van de verdachte steun vindt in de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] . De verdachte heeft telkens verklaard dat hij schrok van het conflict dat ontstond tussen medeverdachte [medeverdachte] en het slachtoffer en dat hij in paniek raakte. In die paniek heeft hij het vuurwapen gepakt en zonder na te denken onmiddellijk eenmaal geschoten. Nu de verklaringen van [getuige 1] op zichzelf staan en terzijde moeten worden geschoven, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat sprake is geweest van medeplegen van doodslag en dient de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken, aldus de raadsman. Voor wat betreft de doodslag heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof overweegt als volgt. Vaststelling van de feiten Het hof stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting het navolgende vast. Op 27 januari 2022 hebben medeverdachte [medeverdachte] en het (latere) slachtoffer [slachtoffer] met elkaar afgesproken. Het initiatief daartoe ging uit van het slachtoffer [slachtoffer] . De aanleiding voor de afspraak was een conflict rondom hun ex-vriendinnen. De medeverdachte en het slachtoffer hebben elkaar op 27 januari 2022 uiteindelijk rond 22.30 uur op de parkeerplaats Het Schenge in Goes getroffen. De verdachte is daar met medeverdachte [medeverdachte] in zijn auto naartoe gegaan. [slachtoffer] is samen met zijn vrienden [getuige 1] en [getuige 2] gekomen. Nadat [slachtoffer] en de medeverdachte [medeverdachte] zijn uitgestapt, lopen zij naar elkaar toe. [slachtoffer] begint medeverdachte [medeverdachte] meteen te slaan. Medeverdachte [medeverdachte] verweert zich niet. In de tussentijd zijn nog twee vrienden van [slachtoffer] aan komen rijden, te weten [getuige 3] en [getuige 4] . [getuige 1] en [getuige 4] stappen tegen het einde van het gevecht uit de auto’s. [slachtoffer] keert na afloop van het gevecht de rug naar medeverdachte [medeverdachte] en loopt weg. De verdachte, die in de tussentijd eveneens is uitgestapt, haalt op dat moment zijn vuurwapen tevoorschijn en schiet op korte afstand in de richting van de weglopende [slachtoffer] . Hij wordt daarbij in zijn rug geraakt. [slachtoffer] is later die avond als gevolg van het schot in zijn rug overleden. De verdachte heeft bekend dat hij zijn doorgeladen vuurwapen uit zijn broeksband pakte en eenmaal heeft geschoten in de richting van het slachtoffer [slachtoffer] . Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de verdachte de schutter is geweest en zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag. Medeplegen? Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van doodslag op het slachtoffer [slachtoffer] . Betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander, gericht op het voltooien (gezamenlijk uitvoeren) van het delict. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, is van belang de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Uit het procesdossier volgt dat de getuigen [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 4] na het overlijden van het slachtoffer nog diezelfde nacht door de politie zijn gehoord. Getuige [getuige 1] heeft twee dagen na het incident via WhatsApp voor het eerst informatie aan de politie verstrekt over het schietincident, waarna hij vijf dagen later is gehoord door de politie. De genoemde getuigen zijn daarnaast ook op een later moment in het onderzoek gehoord door de rechter-commissaris. De bij het schietincident aanwezige getuige [getuige 3] is direct na het incident en nog voor zijn verhoor bij de politie samen met de politie naar de plaats delict gereden. Aldaar heeft de getuige aangewezen waar de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en het slachtoffer stonden. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij “bam bam” hoorde en het slachtoffer toen naar hem riep dat hij was beschoten. Bij zijn eerste verhoor bij de politie, diezelfde nacht, heeft [getuige 3] verklaard dat hij zag dat een schietbeweging werd gemaakt en dat hij een knal hoorde. Slachtoffer [slachtoffer] kwam daarop aanrennen naar zijn auto en riep “ik ben geraakt, ik ben geraakt, breng me naar het ziekenhuis, ik ga dood”. [getuige 3] is toen naar het ziekenhuis gereden met het slachtoffer, terwijl hij de politie aan de lijn had. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft getuige [getuige 3] op de vraag of hij tegen familieleden van [slachtoffer] zou hebben gezegd dat door medeverdachte [medeverdachte] “schiet hem” is gezegd, verklaard dat hij zich dit echt niet kan herinneren. [getuige 3] heeft verder verklaard, net als bij de politie, dat medeverdachte [medeverdachte] en het slachtoffer al met elkaar ruzie hadden toen hij aan kwam, dat er ineens werd geschoten en dat het slachtoffer riep dat hij was geraakt. Op de vraag of hij nog iemand anders dan het slachtoffer ervoor heeft horen roepen, heeft de getuige verklaard dat hij dat niet meer weet. Het dossier bevat naast de verklaringen van [getuige 3] bij de politie en de rechter-commissaris ook de auditu-verklaringen (zogenaamde “van horen zeggen”-verklaringen) van onder meer [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] en [getuige 8] . [getuige 3] zou in de periode na het incident tegen deze familieleden van [slachtoffer] hebben verteld dat medeverdachte [medeverdachte] “schiet hem” zou hebben gezegd tegen de verdachte. Het hof stelt vast dat [getuige 3] in zijn verhoor bij de politie zeer kort na het schietincident niets heeft verklaard over het door [medeverdachte] tegen de verdachte zeggen “schiet hem”. Ook niet toen hij met de politie naar de plek van het schietincident is gereden en daar heeft verteld wat er is voorgevallen. Nadat [getuige 3] door de rechter-commissaris is geconfronteerd met de verklaringen van de familieleden heeft hij verklaard dat hij zich echt niet kan herinneren dat hij dit tegen hen heeft gezegd. Gelet hierop is het hof van oordeel dat aan de eigen verklaringen van [getuige 3] meer gewicht moet worden toegekend dan aan de de auditu-verklaringen van de vier hierboven genoemde familieleden, waardoor deze laatste verklaringen niet bruikbaar zijn voor het bewijs. De bij het schietincident aanwezige getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij mensen zag vechten, dat hij uit de auto stapte en er op dat moment werd geschoten. Hij hoorde iemand zeggen dat hij was geraakt. Bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft [getuige 4] verklaard dat hij zag dat [slachtoffer] (het hof: [slachtoffer] ) met hem meeliep richting de auto en dat hij op dat moment een knal hoorde. [slachtoffer] zei “ik ben geraakt”. Op de vraag of hij behalve [slachtoffer] iemand iets heeft horen roepen, heeft getuige [getuige 4] verklaard dat hij dit niet heeft gehoord. De bij het schietincident aanwezige getuige [getuige 2] heeft bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat hij zag dat het slachtoffer en medeverdachte [medeverdachte] aan het vechten waren, dat [slachtoffer] terugliep naar de auto en dat hij toen een knal hoorde, gevolgd door [slachtoffer] die riep dat hij was geraakt. [getuige 2] heeft verder verklaard dat er geschreeuwd is, maar dat hij niet weet wat er is gezegd. De bij het schietincident aanwezige getuige [getuige 1] heeft voorafgaand aan zijn verhoor bij de politie via WhatsApp-berichten verteld dat ‘ [medeverdachte] ’, medeverdachte [medeverdachte] , tegen zijn vriend, de verdachte, zou hebben gezegd “wtf doe je schiet hem” en dat hij, [getuige 1] , vanaf dat moment niks meer heeft meegekregen. Bij zijn verhoor bij de politie heeft [getuige 1] verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] “wtf doe je schiet hem” zou hebben gezegd en dat de verdachte direct schoot. Later in het verhoor heeft [getuige 1] verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] ook nog zou hebben gezegd “maak het af”. Bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft [getuige 1] verklaard dat het enige dat medeverdachte [medeverdachte] heeft gezegd is “schiet hem”. In hetzelfde verhoor heeft [getuige 1] op een later moment verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] zou hebben gezegd “what the fuck doe je, schiet hem” en dat hij het heel hard schreeuwde. Het hof concludeert dat [getuige 1] verklaringen heeft afgelegd die er in de kern op neerkomen dat medeverdachte [medeverdachte] woorden heeft gebruikt met de strekking dat er op het slachtoffer [slachtoffer] moest worden geschoten door de verdachte. Het hof hecht waarde aan de verklaringen van getuigen [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 2] , die direct na het incident afzonderlijk van elkaar zijn verhoord en daarbij niets hebben verklaard over het door medeverdachte [medeverdachte] tegen de verdachte zeggen/roepen ”schiet hem” noch hebben verklaard dat die [medeverdachte] voorafgaand aan het schot iets zou hebben geschreeuwd waaruit zou moeten blijken dat de verdachte moest schieten. Ook de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] hebben ontkend dat [medeverdachte] tegen de verdachte zou hebben geroepen “schiet hem”. Al het voorgaande brengt met zich dat alleen de verklaringen van [getuige 1] overblijven als bewijsmiddel voor de door medeverdachte [medeverdachte] gebruikte woorden erop neerkomend dat de verdachte op het slachtoffer moest schieten. Het hof acht deze enkele verklaringen van de getuige [getuige 1] onvoldoende voor een bewezenverklaring van het medeplegen van de tenlastegelegde doodslag op [slachtoffer] . Uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt geen ander steunbewijs voor de door de getuige [getuige 1] afgelegde verklaringen. Met betrekking tot de audiovisuele opnames van de nabij de plaats delict gelegen [bedrijf] overweegt het hof in het bijzonder dat op deze opnames voorafgaand aan het schot is te horen “hee hee hee rustig aan” en na het schot “stoppen, stoppen, ik ben geraakt”. Er zijn geen woorden te horen met de strekking zoals door getuige [getuige 1] genoemd. Wat er ook zij van de stelling van de advocaat-generaal dat op deze audiovisuele opnames mogelijk niet alle geluid is opgenomen, de opnames bieden daarmee geen steun aan de verklaring van de getuige [getuige 1] , integendeel. Daarbij komt, zo overweegt het hof ten overvloede, dat indien wel voldoende bewijs voor de door [getuige 1] verklaarde bewoordingen van medeverdachte [medeverdachte] in het dossier voorhanden zou zijn, dit nog niet zonder meer met zich brengt dat er daarmee is voldaan aan de voor het medeplegen van doodslag vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] niet worden aangenomen. Er zijn ook geen aanknopingspunten voor het medeplegen door de verdachte van het tenlastegelegde met een ander dan de medeverdachte [medeverdachte] . Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het aan hem tenlastegelegde medeplegen. Het verweer van de verdediging slaagt. Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] , door met een (vuur)wapen een kogel af te vuren in de rug van [slachtoffer] , ten gevolge waarvan hij is overleden. Voorwaardelijk verzoek Indien het hof het TCI proces-verbaal en de MMA-melding zal bezigen tot het bewijs, heeft de verdediging verzocht de anonieme bronnen te horen als getuigen. Nu het hof het TCI proces-verbaal en de MMA-melding niet voor het bewijs bezigt, behoeft het voorwaardelijk verzoek geen verdere bespreking. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: doodslag Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen straf Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In het bijzonder overweegt het hof als volgt. Ernst van het feit Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag. De verdachte is op 27 januari 2022 met een vriend van hem meegegaan naar een parkeerplaats in Goes, omdat die vriend een ruzie met het slachtoffer [slachtoffer] zou gaan uitpraten. Het slachtoffer is na het uitstappen meteen begonnen met slaan, waarna de verdachte op enig moment op korte afstand het slachtoffer in de rug heeft geschoten. Hij is vervolgens samen met zijn vriend weggegaan, zonder enig omkijken naar het slachtoffer. Vrienden van het slachtoffer hebben zich bekommerd om het slachtoffer en zij hebben hem zwaargewond naar het ziekenhuis gebracht, waar hij kort na aankomst overleed. De verdachte heeft door zijn handelen op een verschrikkelijke en abrupte wijze het leven van het slachtoffer ontnomen. Doodslag behoort tot een van de zwaarste categorieën van strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht kent, nu het opzettelijk benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven, is. Het is zeer kwalijk dat het slachtoffer, dat nog jong was en in de bloei van zijn leven, dat recht is ontnomen. De verdachte heeft niet alleen het leven van het slachtoffer ontnomen, hij heeft ook diens nabestaanden, in het bijzonder de moeder en broer van het slachtoffer, onherstelbaar verdriet aangedaan. Dat dit leed nog altijd voortduurt blijkt alleen al op indringende wijze uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring van de broer van het slachtoffer. Het gezin waarin hij samen met het slachtoffer opgroeide was zeer hecht, vooral door ingrijpende gebeurtenissen die eerder binnen het gezin hadden plaatsgevonden. Het hof acht het kennelijke gemak waarmee de verdachte de gehele dag met een doorgeladen vuurwapen in de broeksband heeft rondgelopen en zo ook de bewuste avond naar de afspraak met het slachtoffer is gegaan zeer verontrustend. Niet alleen is het voorhanden hebben van een vuurwapen, maar ook het daadwerkelijke gebruik daarvan op de openbare weg, waarvan meerdere personen ongewild getuige zijn geweest – bij een conflict waarbij de verdachte niet eens direct betrokken was en dat bovendien was afgelopen – een zeer ernstig feit. De afloop in deze zaak illustreert op trieste wijze tot welke gevolgen het dragen van een vuurwapen, zeker in conflictsituaties, kan leiden. Bovendien is het buitengewoon laf dat de verdachte op het slachtoffer heeft geschoten op het moment dat hij met de rug naar hem toe gekeerd was. Het hof weegt deze feiten en omstandigheden in strafverzwarende zin mee. Het hof acht het voorts kwalijk dat de verdachte ruim een jaar lang geen verklaring heeft afgelegd en pas kort voor de inhoudelijke behandeling bij de rechtbank is gaan verklaren, nadat hij kennis had genomen van het complete strafdossier. Hoewel de verdachte daarbij heeft bekend te hebben geschoten, heeft hij geen volledige openheid van zaken gegeven. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte zelfs meermalen op vragen aangaande het schietincident geantwoord dat hij niet zeker durfde te zeggen hoe een en ander is gegaan. Gelet op het feit dat deze zaak over een – ook voor de verdachte – zeer ingrijpende gebeurtenis gaat, acht het hof echter niet geloofwaardig dat de verdachte zich heel veel niet meer kon herinneren. Persoonlijke omstandigheden Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 juni 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor strafbare feiten in de geweldssfeer is veroordeeld. De verdachte liep ten tijde van het tenlastegelegde echter nog wel in een proeftijd voor een andersoortig strafbaar feit. Dit weerhield hem er kennelijk niet van opnieuw in de fout te gaan. Voorts heeft het hof kennis genomen van het door GGZ Fivoor opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 24 maart 2023 en het door GGZ Verslavingszorg Noord-Nederland opgemaakte aanvullende reclasseringsrapport d.d. 15 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.