Parketnummer : 20-000432-24 Uitspraak : 13 november 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 januari 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-266738-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2000, ten aanzien van wie in een Informatiestaat SKDB-persoon d.d. 17 oktober 2024 als voornamen en achternaam zijn vermeld: [verdachte] , en die volgens deze SKDB-staat is geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1990, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, thans – blijkens opgave van verdachte ter terechtzitting - uit anderen hoofde verblijvende in [detentieadres] , die naar eigen waarneming van het hof ter terechtzitting van 30 oktober 2024 dezelfde gelaatskenmerken vertoont als en zeer sterk gelijkt op de man die is afgebeeld op de onderstaande gelaatsfoto, gemaakt op 5 april 2024 en opgenomen in bovengenoemde Informatiestaat SKDB-persoon d.d. 17 oktober 2024, waarin tevens is opgenomen een scan d.d. 24 juli 2021 van een vreemdelingen ID-bewijs, gedateerd 10 juni 2021, op naam van [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedag 1]
- De verdachte heeft ter terechtzitting van 30 oktober 2024 verklaard dat hij de persoon op bovenstaande gelaatsfoto is en dat zijn naam [verdachte] is. Redenen waarom het hof ervan uitgaat dat de ter terechtzitting in hoger beroep verschenen verdachte dezelfde persoon betreft als de veroordeelde verdachte die hoger beroep heeft ingesteld. Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake ‘diefstal door twee of meer verenigde personen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. De raadsman heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak voor het bestanddeel ‘in vereniging’ bepleit. Meer subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met verbeterde lezing van de bewezenverklaring, met uitzondering van de opgelegde straf. In dat verband zal het hof ook de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen. Bewezenverklaring Het hof acht – evenals de politierechter – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. Het hof leest de bewezenverklaring verbeterd, met dien verstande dat de bewezenverklaring als volgt komt te luiden: dat verdachte op 12 oktober 2023 te Roermond tezamen en in vereniging met een ander jassen, die aan [bedrijf] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen. Verbetering, aanvulling en uitwerking bewijsmiddelen De politierechter heeft volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, nu de verdachte het tenlastegelegde feit destijds ter terechtzitting had bekend. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte dit feit echter alsnog ontkend. Het hof is mitsdien gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering en zal daarom de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring van de feiten verbeteren en uitwerken. Verbetering Het hof schrapt het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel ‘de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende: “Het is juist dat ik de jas gestolen heb”. Uitwerking en aanvulling Hierna wordt, tenzij anders vermeld, steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , agent van politie, registratienummer PL2300-2023162572, gesloten d.d. 13 november 2023, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, doorgenummerde dossierpagina’s 1 t/m
- Proces-verbaal van aangifte d.d. 12 oktober 2023, dossierpagina 6, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [aangever] namens het slachtoffer [bedrijf] : Plaats delict: Roermond Pleegdatum: 12 oktober 2023 Hierbij doe ik aangifte van diefstal van twee jassen uit onze winkel in de outlet. Ik ben namens de eigenaar bevoegd om aangifte te doen. Ik was in de winkel aan het werk en ik was al een tijd met de twee verdachten aan het praten. Zij zijn langere tijd in de winkel geweest. Op een gegeven moment waren die twee personen weer weg. Op een gegeven moment werd ik aangesproken door een klant die zei dat die twee jongens jassen gestolen hadden. Ik heb daarna ook contact gehad met de beveiliging en heb de beelden van de beveiliging van de outlet ook gezien. Daarop waren de twee personen te zien die de jassen hadden gestolen. Ze kwamen zonder jassen de winkel in en gingen met jassen de winkel uit. Die twee personen waren samen en stonden ook samen te praten en kwamen ook samen binnen. Ik doe hierbij aangifte en aan niemand werd toestemming gegeven om de goederen te ontvreemden.
- Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 oktober 2023, dossierpagina 9, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] : Wij kregen omstreeks 12:30 uur het verzoek van het Operationeel-Centrum om te bellen met de beveiliging van de Designer Outlet te Roermond. Aldaar zou zich een persoon met huisverbod op het terrein bevinden. Wij belden met de outlet en hoorden dat er een persoon herkend werd die een huisverbod had en vaker winkeldiefstallen zou plegen op de outlet. Hij zou samen met een onbekende man zijn. Terwijl wij belden met de beveiliging hoorden we dat de beveiliging middels cameratoezicht zicht hield op de personen. Wij hoorden dat de personen op enig moment de winkel " [bedrijf] " in gingen. Wij hoorden vervolgens dat kort daarna de personen weer de winkel uit kwamen lopen, dit keer droegen ze beiden een jas die ze eerder niet droegen toen ze de winkel in gingen. Wij hadden nog steeds de beveiliging aan de telefoon die ons navigeerde richting de twee verdachten. Wij troffen de mannen vervolgens aan. De beveiliging bevestigde telefonisch dat we de juiste verdachten hadden. Wij hielden de twee mannen staande en controleerden hun identiteit. Het bleek te gaan om: - [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 1998; - [verdachte] , geboren op [geboortedag 1]
- Hierop volgend hielden wij beide verdachten aan ter zake winkeldiefstal en huisvredebreuk. Wij brachten samen met een andere patrouille beide verdachten over naar het politiebureau te Roermond. Beide verdachten droegen de jassen nog. Tijdens de insluitingsfouillering bleek dat de beveiligings labels nog aan beide jassen vastzaten.
- Proces-verbaal van bevindingen bekijken camerabeelden d.d. 13 november 2023, dossierpagina 14, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] : Camerabeeld 1 Op 12 oktober 2023 ontving ik camerabeelden van het outletcentrum Roermond. Deze beelden zijn van een winkeldiefstal bij de winkel [bedrijf] . De beelden zijn opgenomen met de beveiligingscamera's van het outletcentrum. Deze camera staat gericht op de ingang van de [bedrijf] winkel. De tijdstippen die beschreven worden, betreffen de tijden van het filmpje en dus niet de daadwerkelijke tijden. Op het camerabeeld zie ik om 00.06 rechtsboven twee personen lopen. Ik zie dat een van deze personen een wit trainginspak draagt met een nektasje. Ik zie dat de persoon een trainingspak van het merk Juventus draagt. Ik zie dat de andere persoon een grijs trainingspak daagt van het merk under armor. Ik zie op het camerabeeld dat de personen de [bedrijf] binnenlopen. Camerabeeld 2 Op het camerabeeld zie ik om 00.23 de twee bovengenoemde personen de [bedrijf] kledingwinkel uit lopen. Ik zie dat de personen beiden een jas in hun handen hebben. Ik zie dat de persoon met het under armor trainingsvest een zwart met gele camouflage jas aantrekt. Ik zie op het camerabeeld dat de persoon met het witte Juventus trainingsvest een zwarte jas aantrekt. Om 00.46 zie ik de personen uit het camerabeeld verdwijnen.
- Eigen waarneming van het hof gedaan aan de hand van de aan het dossier toegevoegde camerabeelden: Het hof heeft op de tot het procesdossier behorende camerabeelden met de bestandsnaam “12-10-2023 Diefstal jassen [verdachte] - [medeverdachte] _1” waargenomen dat een kleinere en een grotere man, beiden gekleed in een trainingspak, samen door een druk winkelgebied lopen. Op tijdstip 00:37 duwt de kleinere man de grotere man een winkel met een rode luifel in. Op tijdstip 00:40 zijn beide mannen in deze winkel verdwenen. Het hof heeft op de camerabeelden met de bestandsnaam “12-10-2023 Diefstal jassen [verdachte] - [medeverdachte] ” waargenomen dat beide mannen op tijdstip 00:04 vanonder de rode luifel(s) van de winkel het beeld weer in komen lopen. Wanneer zij verder in beeld zijn komen lopen (tijdstip 00:22), is te zien dat de kleinere man bezig is een jas aan te trekken en dat de grotere man ook een jas in zijn handen heeft, die hij vervolgens ook aantrekt. De mannen lopen ondertussen samen verder door het winkelgebied en verdwijnen op tijdstip 00:49 uit beeld. Aanvulling van de bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken nu er geen link is tussen de jas die verdachte aan had en de gestolen jas waarvan aangifte is gedaan. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat er geen sprake is van het plegen ‘in vereniging’. Het hof overweegt, in aanvulling op hetgeen de politierechter reeds met betrekking tot dit verweer heeft overwogen, als volgt. Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen stelt het hof vast dat beide verdachten samen op pad waren, dat verdachte de medeverdachte de winkel van [bedrijf] in duwde, dat zij die winkel beiden zonder jas naar binnen gingen, dat zij ook in de winkel continu samen waren, samen met de winkelbediende hebben gesproken en vervolgens samen de winkel verlieten, beiden met een jas in hun handen die zij vervolgens aantrokken. Tijdens de insluitingsfouillering bleek dat aan deze jassen nog de beveiligings labels zaten. Het hof leidt uit het voorgaande af dat dit de twee gestolen jassen zijn die aangeefster in haar aangifte heeft genoemd. Naar het oordeel van het hof is gelet op het voorgaande sprake van een nauwe en bewuste samenwerking die in de kern neerkomt op een gezamenlijke uitvoering. Het hof acht daarmee ook het bestanddeel ‘in vereniging’ wettig en overtuigend bewezen. De verweren van de raadsman worden verworpen in al hun onderdelen. Op te leggen straf De advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich tezamen en in vereniging met de medeverdachte heeft schuldig gemaakt aan diefstal van twee jassen bij [bedrijf] te Roermond. Het betreft een diefstal van twee uitzonderlijk dure jassen. Door deze jassen te stelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de eigenaar. Winkeldiefstallen leveren voor winkeliers veel overlast en ergernis op en hinderen hen in de bedrijfsvoering. Ook de maatschappij ondervindt schade van winkeldiefstallen, doordat de kosten hiervan uiteindelijk door de consumenten worden betaald. De verdachte heeft kennelijk enkel gehandeld met het oog op zijn eigen financieel gewin. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 september 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde al meermalen eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van winkeldiefstallen in vereniging, tot voorwaardelijke en onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen. Deze veroordelingen hebben de verdachte er blijkbaar niet van weerhouden om nogmaals een winkeldiefstal in vereniging te plegen. Het hof weegt die omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de strafoplegging. Tevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en het justitiële verleden van de verdachte, in verband met een juiste normhandhaving en gelet op de straffen die door dit hof in soortgelijke gevallen worden opgelegd, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht het hof, in afwijking van de straf die de politierechter heeft opgelegd en de eis van de advocaat-generaal, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken; bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het bovenstaande. Aldus gewezen door: mr. G.J. Schiffers, voorzitter, mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. M.M. Koevoets, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier, en op 13 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken. De SKDB-staat d.d. 17 oktober 2024 zal worden aangehecht aan dit arrest.