GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.245.855/03 arrest van 19 november 2024 in de zaak van 1 [appellant] ,wonende te [woonplaats] , 2. [appellante] ,wonende te [woonplaats] , appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellant] , [appellante] en gezamenlijk als [appellanten] , advocaat: mr. R.J. Verweij te Nijmegen, tegen 1 [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] , 2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] , geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en gezamenlijk als [geïntimeerden] . , advocaat: mr. A.P.M.A. Laeyendecker te Oss, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 23 augustus 2022 in het hoger beroep van het vonnis van 6 juni 2018 door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerden] . als gedaagden. 8Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 23 augustus 2022, waarbij het hof een comparitie van partijen heeft bepaald en partijen heeft geïnformeerd over een rechterswissel; de akte houdende uitlating van [appellanten] met één productie, en de antwoordakte houdende uitlating van [geïntimeerden] . Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. De in het tussenarrest van 23 augustus 2022 bepaalde comparitie van partijen heeft op verzoek van partijen niet plaatsgevonden. Het hof heeft partijen voorafgaand aan het wijzen van dit arrest dan ook nogmaals geïnformeerd over de rechterswissel en hen de mogelijkheid geboden om een nieuwe mondelinge behandeling te vragen. Partijen hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Het hof doet recht op hiervoor genoemde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Het hof tekent hierbij aan dat productie 12 bij de inleidende dagvaarding en een door [appellanten] bij akte van 31 mei 2017 overgelegde dvd met filmmateriaal niet zijn overgelegd en dus geen deel uitmaken van de stukken waar recht op wordt gedaan. 9De beoordeling Kern van de zaak 9.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellanten] exploiteren een melkveebedrijf in [plaats] en [geïntimeerden] . een autoschadeherstelbedrijf. Om één van hun weilanden te bereiken, maken [appellanten] gebruik van een erfdienstbaarheid om over het perceel van [geïntimeerden] . te gaan. Tussen partijen zijn geschillen ontstaan over de uitoefening van de erfdienstbaarheid. Hierover hebben partijen meerdere procedures gevoerd. In deze procedure gaat het over de vraag of [geïntimeerden] . de toegang tot hun perceel mogen afsluiten met hekken, of zij [appellanten] toegang moeten geven tot hun perceel en zo ja, op welke wijze. De vaststaande feiten 9.2. In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten: [appellanten] exploiteren een melkveebedrijf aan de [adres 1] te [plaats] . [geïntimeerden] . drijven een autoschadeherstelbedrijf aan de [adres 2] te [plaats] . Bij akte van toedeling van 6 april 2006 is de ruilverkaveling Lage Maaskant vastgesteld. Door deze ruilverkaveling zijn [appellanten] eigenaar geworden van de percelen, kadastraal bekend gemeente Oijen, [perceel 1] en [perceel 2] ( [sectieletter] , [sectienummer 1] en [sectienummer 2] ). Ten behoeve van deze percelen en ten laste van de percelen van [geïntimeerden] . , kadastraal bekend gemeente Oijen, [perceel 3] en [perceel 4] ( [sectieletter] , [sectienummer 3] en [sectienummer 4] ), is met de akte van toedeling een erfdienstbaarheid van weg gevestigd, om te komen en te gaan van en naar de openbare weg, genaamd [de openbare weg] , op de minst bezwarende wijze. De percelen [perceel 1] en [perceel 2] worden door [appellanten] gebruikt voor het weiden van koeien. In oktober 2006 hebben [geïntimeerden] . de toegang tot hun percelen, kadastraal bekend gemeente Oijen, [perceel 3] en [perceel 4] ( [sectieletter] , [sectienummer 3] en [sectienummer 4] ) vanaf de openbare weg afgesloten met een hek. Tussen partijen zijn problemen ontstaan over de uitoefening van de erfdienstbaarheid, in verband waarmee partijen al meerdere gerechtelijke procedures tegen elkaar hebben gevoerd. Bij vonnis van 29 mei 2008 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant [geïntimeerden] . veroordeeld om de erfdienstbaarheid te respecteren, meer in het bijzonder door iedere keer binnen vijf minuten na een telefonisch verzoek van [appellanten] daartoe, op alle dagen tussen 10.00 en 22.00 uur, zon- en feestdagen niet uitgezonderd, [appellanten] de vrije toegang te verschaffen tot de percelen, kadastraal bekend gemeente Oijen, [sectieletter] [sectienummer 3] en [sectienummer 4] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere keer dat [appellanten] hiermee in strijd handelen. Bij vonnis van 14 april 2009 zijn in een kort geding twee vorderingen van [geïntimeerden] afgewezen: de vordering tot veroordeling van [appellanten] tot het verwijderen van gierresten omdat de gierresten al waren verwijderd, en de vordering om te bepalen dat [appellanten] de erfdienstbaarheid op de minst belastende wijze moeten uitoefenen omdat deze te onbepaald is. Bij vonnis van 15 september 2010 heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerden] . tot opheffing van de erfdienstbaarheid afgewezen. Bij vonnis van 26 augustus 2016 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant de vorderingen van [appellanten] om [geïntimeerden] . te veroordelen tot het respecteren van de erfdienstbaarheid, tot verruiming van de tijden waarbinnen de verplichting uit het vonnis van 29 mei 2008 geldt en tot verwijdering en verwijderd houden van alle objecten en gedragingen die een onbelemmerd gebruik frustreren, afgewezen. In de zomer van 2016 hebben [geïntimeerden] . een tweede hek geplaatst, bij de doorgang van het perceel van [geïntimeerden] . naar het perceel van [appellanten] De procedure bij de rechtbank 9.3.1. In deze procedure vorderden [appellanten] in het geding bij de rechtbank in de zaak 16-460 veroordeling van [geïntimeerden] . tot betaling van € 181.000,- aan verbeurde dwangsommen, vermeerderd met wettelijke rente. In het geding bij de rechtbank in de zaak 16-792 vorderden [appellanten] veroordeling van [geïntimeerden] om: I. de erfdienstbaarheid te respecteren; II. ervoor zorg te dragen dat [appellanten] dit recht op alle dagen van de week en elk uur van de dag/nacht onbelemmerd kunnen gebruiken; III. te verwijderen en verwijderd te houden alle objecten die een onbelemmerd gebruik frustreren, met name de door [geïntimeerden] . geplaatste hekken op de weg en geparkeerde vrachtwagens; IV. zich te onthouden van alle gedragingen die een onbelemmerd gebruik frustreren op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding en met veroordeling van [geïntimeerden] . in de kosten van de procedure. 9.3.2. In het vonnis van 6 juni 2018 heeft de rechtbank: in de zaak 16-460 [geïntimeerden] . veroordeeld tot betaling van € 1.000,00 aan verbeurde dwangsommen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, en in de zaak 16-792 de vorderingen van [appellanten] afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de proceskosten. De procedure in hoger beroep 9.4.1. [appellanten] hebben in principaal hoger beroep vijf grieven aangevoerd. Zij hebben geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en het alsnog toewijzen van hun vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerden] . in de proceskosten. 9.4.2. [appellanten] hebben in hoger beroep hun eis gewijzigd/vermeerderd. [appellanten] vorderen nu om I. [geïntimeerden] . te veroordelen tot betaling van € 181.000,- aan verbeurde dwangsommen; II. [geïntimeerden] . : a. te veroordelen om de erfdienstbaarheid te respecteren door zich te onthouden van alle gedragingen die een onbelemmerd gebruik van de erfdienstbaarheid frustreren en ervoor zorg te dragen dat [appellanten] zonder voorafgaand contact met [geïntimeerden] . van dit recht op alle dagen van de week en elk uur van de dag onbelemmerd gebruik kunnen maken door te verwijderen en verwijderd te houden alle objecten die een onbelemmerd gebruik frustreren, met name de door [geïntimeerden] . geplaatste hekken op de weg en geparkeerde vrachtwagens, dan wel door [appellanten] de mogelijkheid te geven deze hekwerken zelfstandig en zonder medewerking van [geïntimeerden] . te openen, b. te verbieden om gedurende een periode van één jaar na betekening van het in deze te wijzen arrest op welke wijze dan ook (persoonlijk, schriftelijk of telefonisch) contact te hebben met [appellanten] op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding, met dien verstande dat bij samenloop slechts eenmaal de dwangsom verschuldigd zal zijn en met een maximum van € 500.000,-. 9.4.3. [geïntimeerden] . hebben de grieven van [appellanten] bestreden en in incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd. [geïntimeerden] . hebben geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor zover de vordering van [appellanten] ter zake verbeurde dwangsommen is toegewezen en tot afwijzing van alle vorderingen van [appellanten] 9.4.4. Tijdens de comparitie van partijen op 1 december 2020 hebben partijen afspraken gemaakt over de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid voor de duur van één jaar. Daarna zouden zij in overleg treden over continuering van de afspraken. Onderdeel hiervan was doorhaling van de procedure, waarbij gold dat de meest gerede partij de mogelijkheid had de zaak opnieuw op te brengen. Met de hiervoor onder 8 genoemde akte, hebben [appellanten] de zaak opnieuw opgebracht. Dit betekent dat het hof het principale en incidentele hoger beroep alsnog dient te beoordelen. 9.4.5. Met de grieven in het principale en incidentele hoger beroep is het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd. Het hof zal de grieven hieronder dan ook gezamenlijk behandelen aan de hand van de vorderingen van [appellanten] Zijn dwangsommen verbeurd? 9.5.1. Volgens [appellanten] hebben [geïntimeerden] . in het eerste half jaar van 2016 gedurende 181 dagen in strijd gehandeld met de veroordeling in het vonnis van de voorzieningenrechter van 29 mei 2008 om de erfdienstbaarheid te respecteren door [appellanten] iedere keer binnen vijf minuten na een telefonisch verzoek daartoe, vrije toegang te verschaffen. Hierdoor hebben [geïntimeerden] . een bedrag van € 181.000,- aan dwangsommen verbeurd. [geïntimeerden] . betwisten dat zij in strijd hebben gehandeld met de veroordeling in het vonnis van 29 mei 2008. 9.5.2. Vast staat dat de zoon van [appellanten] op 3 juni 2016 bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid is aangevallen door [geïntimeerde 1] en zijn zonen. [geïntimeerde 1] en zijn meerderjarige zoon zijn hiervoor strafrechtelijk veroordeeld en de minderjarige zoon van [geïntimeerde 1] is schuldig verklaard zonder strafoplegging. Naar het oordeel van het hof staat hiermee ook vast dat [geïntimeerden] . op 3 juni 2016 de veroordeling om de erfdienstbaarheid te respecteren, hebben geschonden. De veroordeling om de erfdienstbaarheid te respecteren, impliceert immers dat [appellanten] de erfdienstbaarheid veilig en ongestoord moeten kunnen uitoefenen. Dat [geïntimeerde 1] en zijn zonen zich zodanig hebben gedragen dat zij hiervoor strafrechtelijk zijn veroordeeld dan wel schuldig verklaard, betekent dat een veilige en ongestoorde uitoefening van de erfdienstbaarheid niet mogelijk was. Dat volgens [geïntimeerden] . de aanleiding voor het incident was dat [geïntimeerde 1] welbewust bijna werd aangereden door de zoon van [appellanten] , maakt dit niet anders. Dit laat immers onverlet dat veilige en ongestoorde uitoefening van de erfdienstbaarheid door [appellanten] niet mogelijk was. Het rechtvaardigt ook niet de strafrechtelijk verwijtbare handelwijze van [geïntimeerde 1] en zijn zonen. Aan het voorgaande doet niet af dat de zoon van [appellanten] het perceel na het incident wel heeft kunnen bereiken en ook weer verlaten. Ook dit is iets anders dan een veilige en ongestoorde uitoefening van de erfdienstbaarheid. 9.5.3. Volgens [appellanten] hebben [geïntimeerden] . in het eerste half jaar van 2016 bovendien voortdurend in strijd gehandeld met de veroordeling in het vonnis van 29 mei 2008. Telkens als [appellanten] gebruik wilden maken van de erfdienstbaarheid, werd de telefoon niet beantwoord of werd de hoorn op de haak gegooid en belemmerden [geïntimeerden] . de toegang tot de percelen door een vrachtwagen of door er zelf voor te gaan staan. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank hierover terecht en op goede gronden geoordeeld dat [appellanten] onvoldoende concreet hebben gemaakt dat hen daadwerkelijk de toegang werd geweigerd nadat zij daarom hadden verzocht. Ondanks dat zij dit in de memorie van grieven wel hebben aangekondigd, hebben [appellanten] ook in hoger beroep geen transcripties van de bewuste telefoongesprekken overgelegd. Zij hebben in hoger beroep wel drie foto’s overgelegd die volgens [appellanten] zijn gemaakt op 21 en 25 mei 2016 en 3 juni 2016. Hierop is te zien dat dat de doorgang wordt belemmerd doordat er een vrachtwagen op het perceel [geïntimeerden] . staat en/of doordat [geïntimeerde 1] zelf aanwezig is. [appellanten] hebben niet gesteld dat er uiteindelijk geen doorgang is verleend door [geïntimeerden] . en dit blijkt ook nergens uit. [geïntimeerden] . betwisten bovendien dat er geen doorgang is verleend. Dit alles maakt dat niet voldoende concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat [geïntimeerden] . in het eerste half jaar voortdurend in strijd hebben gehandeld met de veroordeling in het vonnis van 29 mei 2008, en ook niet dat [geïntimeerden] . op 21 en 25 mei 2016 in strijd met de veroordeling hebben gehandeld. Voor wat betreft de gebeurtenissen op 3 juni 2016 verwijst het hof naar rov. 9.5.2. hiervoor. Aan bewijslevering komt het hof gezien het voorgaande niet toe. 9.5.4. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.