← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2024:3735

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.295.607/01 arrest van 26 november 2024 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna: [appellante] , advocaat: mr. R.J. van der Heijden te Maastricht, tegen 1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] , hierna: [geïntimeerde sub 1] , advocaat: mr. T.J. Wittendorp te Maastricht Airport,

  1. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] , hierna: [geïntimeerde sub 2] , advocaat: mr. V.C.C. Lijten te Heerlen,
  2. [geïntimeerde sub 3], wonende te [woonplaats] (Hongarije), hierna: [geïntimeerde sub 3] , niet verschenen,
  3. [geïntimeerde sub 4], wonende te [woonplaats] , hierna: [geïntimeerde sub 4] , niet verschenen,
  4. [geïntimeerde sub 5], wonende te [woonplaats] , hierna: [geïntimeerde sub 5] , niet verschenen,
  5. erven van [vooroverleden dochter geintimeerde 6], a. [geïntimeerde sub 6a], wonende te [woonplaats] , hierna: ( [geïntimeerde sub 6a] [geïntimeerde sub 6b] , wonende te [woonplaats] , hierna: [geïntimeerde sub 6b] , [geïntimeerde sub 6c] , wonende te [woonplaats] , hierna: [geïntimeerde sub 6c] , allen niet verschenen, geïntimeerden, als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 30 november 2021, 12 september 2023 en 19 maart 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/264744 / HA ZA 19-276 gewezen vonnis van 23 december
  6. 8Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 12 september 2023; het proces-verbaal van de enquête van 31 januari 2024; de aantekening dat de verschenen partijen geen verdere getuigen meer wensen te horen; de memorie na enquête zijdens [geïntimeerde sub 1] van 25 juni 2024 met vijf producties; de antwoordmemorie na enquête zijdens [appellante] 6 augustus
  7. [geïntimeerde sub 2] heeft afgezien van het nemen van een memorie na enquête. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 9De verdere beoordeling 9.
  8. In het laatste tussenarrest van 19 maart 2024 is beslist dat het bepaalde in artikel 165, lid 2 Rv. de door [geïntimeerde sub 1] opgeroepen [getuige 1] niet ontslaat van de verplichting om, na behoorlijk te zijn opgeroepen, op datum en tijd als nader te bepalen ter zitting te verschijnen om als getuige gehoord te worden en is de zaak aangehouden voor uitlating van partijen over de voortzetting van het getuigenverhoor en de wenselijkheid van een getuigenverhoor aan de zijde van [appellante] . [geïntimeerde sub 1] heeft afgezien van een voortzetting van het getuigenverhoor. [appellante] heeft afgezien van een verhoor aan haar zijde. 9.
  9. In het tussenarrest van 12 september 2023 is [geïntimeerde sub 1] toegelaten tot het bewijs (van zijn stellingen) dat in de periode van 9 augustus 2013 tot 3 oktober 2014: [appellante] gelden tot een totaalbedrag van €42.963,03 ten eigen bate aan de RABO-rekening van moeder en/of de erven [wijlen echtgenoot] heeft onttrokken, en moeder door haar geestelijke gezondheidstoestand niet meer in staat is geweest om zelf haar eigen wil te bepalen en over haar bankzaken te beschikken. 9.
  10. Naar aanleiding van dit tussenarrest heeft [geïntimeerde sub 1] drie getuigen laten horen: [geïntimeerde sub 3] , [geïntimeerde sub 5] en zichzelf. Bij memorie na enquête heeft hij nog een aantal producties overgelegd. Het hof zal bij de verdere beoordeling tot de conclusie komen dat [geïntimeerde sub 1] in voldoende mate in het opgedragen bewijs is geslaagd, dat de grieven falen en dat het bestreden vonnis bekrachtigd moet worden. Daartoe overweegt het hof als volgt. Ten aanzien van het opnemen van bedragen 9.
  11. Het hof kan in zoverre met [appellante] meegaan dat er geen ‘onomstotelijk’ bewijs is dat zij in de relevante periode bedragen van de rekening van moeder heeft opgenomen. Beelden van camera’s bij de pinautomaat zijn er niet (meer) en geen van de gehoorde getuigen heeft zelf waargenomen dat zij bij de desbetreffende pinautomaat met de pas met [nummer] geld heeft opgenomen van de rekening van moeder. Dergelijk bewijs is echter niet nodig, wanneer op grond van andere feiten en omstandigheden de conclusie geen andere kan zijn dan dat zij, [appellante] , de gewraakte opnamen moet hebben gedaan. Het hof is van oordeel dat dergelijke feiten en omstandigheden zijn gebleken en heeft op grond daarvan de overtuiging gekregen dat [appellante] deze opnamen moet hebben verricht. Het hof baseert zich in dit verband op de navolgende feiten en omstandigheden: Moeder heeft gewoond aan de [adres] in [plaats] . In januari 2014 is moeder volgens een verklaring van haar huisarts, zoals weergegeven in een brief van [persoon B] van 14 mei 2024 (productie I bij memorie na enquête), opgenomen in het Atrium Medisch Centrum. Op 25 februari 2014 is moeder komen wonen in psychogeriatrisch zorgcentrum [XXX] , [adres] te [postcode] [plaats] , wat is bevestigd in een brief van [persoon C] van 18 april 2017 (productie G bij memorie na enquête) en door [geïntimeerde sub 1] in diens getuigenverklaring. Dit vindt ook bevestiging in de verklaring die [geïntimeerde sub 1] als getuige heeft afgelegd. Uit de overgelegde bankafschriften, waarvan het oudste (volgnr. 561) dateert van 24 januari 2012, volgt dat vanaf 9 augustus 2013 aanvankelijk om de week, maar vanaf begin november 2013 vrijwel dagelijks, althans om de twee, drie dagen, bedragen van € 250,= en € 300,= zijn opgenomen van de rekening van moeder met gebruikmaking van een pas met [nummer] bij een geldautomaat die als postcode heeft [postcode] [huisnummer] te [plaats] . De afstand van dit adres tot zorgcentrum [XXX] bedraagt volgens verklaring van [geïntimeerde sub 1] vier kilometer, volgens [geïntimeerde sub 3] in diens schriftelijke verklaring zelfs 4,7 kilometer. Dit pin-gedrag van na 9 augustus 2013 wijkt in zeer sterke mate af van hetgeen blijkt uit de rekeningafschriften van vóór 9 augustus 2013 en heeft plaatsgevonden tot in elk geval 3 oktober
  12. Op 29 november 2013 is de spaarrekening van moeder opgeheven en het saldo overgeboekt naar haar betaalrekening. Uit het rekeningafschrift met volgnummer 584 van 6 december 2013, bladnummer 2, blijkt dat op die dag vanaf de spaarrekening van moeder een bedrag op de betaalrekening is gestort van (voor zover leesbaar) € 29.249 ,= plus wat centen. Uit dit zelfde rekeningafschrift (bladnummer 3) volgt dat op 4 december 2013 naar aanleiding van een bestelling van 30 november 2013 een bedrag van € 25.000,= was klaargelegd om opgehaald te worden. Uit het volgende rekeningafschrift blijkt dat dit bedrag weer op de betaalrekening van moeder is gestort, omdat het geld niet is opgehaald. Het saldo van die rekening bedroeg per 31 december 2013 volgens dit afschrift € 29.212,
  13. Vervolgens loopt het saldo van de rekening terug tot € 870,60 op 6 oktober 2014 (rekeningafschrift 594). [geïntimeerde sub 1] heeft, gehoord als getuige, verklaard dat moeder nooit gebruik maakte van een pinautomaat, maar contant geld ging halen bij een bankmedewerker. Dat moeder op deze manier contant geld opnam, is bevestigd door [geïntimeerde sub 3] , die verklaard heeft dat hij hiervoor verschillende keren met moeder mee is geweest en dit zelf heeft gezien, en door [geïntimeerde sub 2] achter randnummer 4 van haar conclusie van antwoord in eerste aanleg. De inleidende dagvaarding is aan [appellante] betekend op het adres met de [postcode] , een postcode die in de nabijheid ligt van het bankfiliaal waar na 9 augustus 2013 de opnamen hebben plaatsgevonden. Pinopnamen door [geïntimeerde sub 2] zijn verricht vóór augustus 2013 en met een of meer bankpassen met andere nummers dan [nummer] . Blijkens schrijven van de Rabobank (overgelegd door [geïntimeerde sub 1] als productie 7 ten behoeve van de comparitie na antwoord in eerste aanleg als productie 7) heeft [geïntimeerde sub 2] een volmacht gehad voor moeders bankrekening van 15 mei 2012 tot 11 december
  14. [geïntimeerde sub 3] verklaart dat hij van de bank heeft vernomen dat er wel een bankpas met bijbehorende pincode is verstuurd aan het adres [adres] , de woning van moeder. Hij verklaart voorts van de medewerker van de bank te hebben vernomen dat deze pas telefonisch was aangevraagd. In zijn schriftelijke verklaring voert hij aan dat dat is gebeurd kort voordat moeder vanuit huis werd opgenomen. Tot en met volgnummer 565 van 16 mei 2012 zijn de rekeningafschriften verstuurd aan het adres [adres] te [plaats] . De volgnummers 566 tot en met 570 ontbreken. De volgnummers 571 (van 6 november 2012) tot en met 577 (van 6 mei 2013) zijn gestuurd aan het [adres] te [plaats] , blijkens de inleidende dagvaarding het woonadres van [geïntimeerde sub 2] . De volgnummers 578 (van 6 juni 2013) tot en met 596 (van 4 december 2014) zijn verstuurd aan het adres [adres] , hoewel moeder vanaf januari 2014 niet meer op dat adres verbleef. Vanaf 6 januari 2015 zijn de bankafschriften verstuurd aan het [adres] te [plaats] , de vestiging van psychogeriatrisch zorgcentrum [XXX] . [geïntimeerde sub 1] heeft als getuige verklaard dat [appellante] de contactpersoon was voor de thuishulporganisatie die moeder bijstond. Hij verklaart dat [appellante] de woning van moeder heeft ontruimd (in zijn woorden: leeg gehaald) en dat [appellante] zich heeft laten machtigen om de begrafeniskosten te betalen. [geïntimeerde sub 3] verklaart als getuige dat [appellante] hem heeft benaderd om de sleutel van de woning aan de [adres] af te geven, omdat zij ( [appellante] ) de huur daarvan had beëindigd. Voorts verklaart [geïntimeerde sub 3] op een vraag aan [appellante] hoe het zat met het tegoed op de rekening van moeder van haar te hebben gehoord dat dat goed zat en dat hij zich geen zorgen hoefde te maken. De overige erven wonen op aanzienlijke afstand van [plaats] : geïntimeerde sub 4 in [plaats] , geïntimeerde sub 5 in [plaats] en geïntimeerden sub 6 in [plaats] . Namens [appellante] heeft zich in eerste aanleg een advocaat gesteld, maar deze heeft zich aan de zaak onttrokken voordat namens [appellante] een conclusie van antwoord was genomen. Een nieuwe advocaat heeft zich in eerste aanleg niet namens haar gesteld, [appellante] heeft niet geantwoord en zij is ook niet verschenen ter comparitie om daar haar standpunt nader kenbaar te maken. Hoewel daartoe expliciet uitgenodigd door de raadsheer-commissaris bij gelegenheid van het gehouden getuigenverhoor, heeft [appellante] uitdrukkelijk verklaard niet als getuige een verklaring af te willen leggen. 9.5.
  15. Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof het navolgende af. [appellante] is de persoon geweest die (de meeste) mantelzorg aan moeder heeft verleend. Zij heeft voor haar boodschappen gedaan, was aanspreekpunt voor de thuiszorg, heeft de begrafenis(kosten) afgewikkeld en heeft zorg gedragen voor het beëindigen van de huur van de woning van moeder aan de [adres] . Op grond hiervan is aannemelijk dat [appellante] toegang heeft gehad tot de brievenbus van moeder, in elk geval aan de [adres] , en daarmee tot de bankafschriften van de betaalrekening van moeder. Hoewel [geïntimeerde sub 1] geen verklaring van de bank heeft overgelegd waaruit blijkt dat een bankpas met [nummer] aan [appellante] is verstrekt, heeft [appellante] evenmin een dergelijke verklaring overgelegd waaruit blijkt dat deze pas aan een ander dan aan haar is verstrekt, zoals bijvoorbeeld aan moeder zelf, aan [geïntimeerde sub 3] , aan [geïntimeerde sub 2] of aan [geïntimeerde sub 1] . Opnamen die [geïntimeerde sub 2] eerder heeft gedaan zijn niet met deze pas gedaan, ruim vóór het moment waarop de gewraakte opnamen zijn begonnen en (deels) gedurende een periode waarin zij een volmacht voor de rekening van moeder had. 9.5.
  16. In 2012 heeft een discussie tussen moeder en [geïntimeerde sub 2] over door [geïntimeerde sub 2] opgenomen bedragen geleid tot het intrekken van een volmacht door moeder. Daaruit leidt het hof af dat moeder bewust met haar financiën omging. [geïntimeerde sub 1] bevestigt dat in zijn getuigenverklaring. Vanaf augustus 2013, een maand of vier vóór de opname van moeder in een gezondheidsinstelling, zijn er met bijzonder grote regelmaat voortdurend bedragen contant gepind, waarvan bleek uit de gezonden rekeningafschriften. Dat week volstrekt af van de tot dan toe door moeder gevolgde praktijk om contant geld op te halen bij een bankmedewerker. Zowel [geïntimeerde sub 3] als getuige, als [geïntimeerde sub 2] in haar conclusie van antwoord, verklaren hier zelf enkele keren bij aanwezig te zijn geweest. Opvallend is overigens dat kort na aanvang van het afwijkend gedrag de spaarrekening is opgeheven (op 28 november 2013) en het saldo daarvan is overgemaakt naar de betaalrekening, waarna een dag later op een daartoe gedane bestelling € 25.000,= contant wordt klaargelegd, maar niet opgehaald. 9.5.
  17. Ondanks dat uit de bankafschriften bleek van een gewijzigd pin-gedrag en het opzeggen van de spaarrekening, is niet gebleken dat moeder daar ooit bezwaar tegen heeft gemaakt, hoewel uit het verleden blijkt dat zij scherp was op haar geld. Van dergelijke bezwaren is ook niets gesteld door [appellante] , hoewel zij indertijd de contacten met moeder onderhield. Of en wat moeder, voor zover daartoe nog in staat, met [appellante] heeft besproken over het beëindigen van een rentedragende spaarrekening en/of het verdwijnen van geld van haar rekening, blijft een raadsel. In elk geval heeft [appellante] zich niet als getuige laten horen om een verklaring af te leggen over het bestaan van en, zo ja, de inhoud van gesprekken met moeder over haar financiën, waaronder de besteding van de contant opgenomen bedragen en de gang van zaken omtrent het (niet) opnemen van € 25.000,= in contanten. 9.5.
  18. Het van de praktijk van moeder afwijkend pin-gedrag heeft zich na augustus 2013 ongewijzigd voortgezet nadat moeder was opgenomen in [XXX] , nota bene op een gesloten afdeling. Uit de getuigenverklaringen volgt genoegzaam dat moeder op dat moment al beperkt was in haar mobiliteit. [geïntimeerde sub 3] verklaart dat moeder de laatste maanden voor opname in een gezondheidsinstelling al niet meer in staat was om zelf boodschappen te doen, ook niet met een rollator. [appellante] merkt in de memorie van grieven op dat moeder naar aanleiding van haar vallen en daarbij opgelopen letsel en haar fysieke gesteldheid niet meer zelfstandig kon blijven wonen. Onverklaard blijft dan ook hoe het mogelijk zou zijn geweest dat moeder om de paar dagen, of zelfs om de dag, in staat zou zijn geweest om heen en terug acht, negen kilometer te overbruggen tussen haar verblijf en de desbetreffende pin-automaat om daar geld op te halen. [appellante] heeft ook geen getuigen uit kringen van het personeel van [XXX] laten horen die zouden hebben kunnen bevestigen dat moeder, ondanks de opname op een gesloten afdeling, fysiek in staat was om zelfstandig deze bedragen bij de bank uit een pin-automaat te halen. 9.5.
  19. Dit alles brengt het hof tot de overtuiging dat het niet moeder zelf is geweest, die na augustus 2013 de gewraakte pin-opnamen heeft verricht. De betwisting door [appellante] is niet onderbouwd met feiten en, gelet op het voorgaande, niet geloofwaardig. Ook het bij memorie van grieven aangevoerde scenario dat mogelijk een personeelslid uit één van de zorginstellingen de bankpas van moeder heeft misbruikt, is niet aannemelijk, omdat het afwijkende pin-gedrag al is begonnen voordat moeder in [XXX] of een andere gezondheidsinstelling was opgenomen. Bovendien is gesteld noch gebleken dat aangifte van fraude/misbruik is gedaan toen vanaf augustus, september 2013 bleek dat er ineens veel bedragen contant werden opgenomen. Dat sluit naar het oordeel van het hof ook uit dat een medewerker van de thuiszorg de bankpas van moeder heeft weggenomen om daarmee met grote regelmaat geldbedragen op te nemen. Dergelijk frauduleus gedrag had op zijn minst aanleiding moeten vormen om de desbetreffende bankpas te (laten) blokkeren. Dat is niet gebeurd. 9.
  20. Wanneer uitgesloten moet worden geacht dat moeder de bedragen zelf heeft opgenomen, is het de vraag wie dat dan wel heeft gedaan. Zoals hiervoor al overwogen, acht het hof het niet aannemelijk dat dit is gebeurd door een medewerker van de thuiszorg of één van de zorginstellingen waarin moeder heeft verbleven. Het hof acht het ook niet aannemelijk dat dit één van de geïntimeerden sub 4, 5 of 6 is geweest, omdat het hof zich niet kan voorstellen dat zij of één van hen, (vrijwel) dagelijks vanuit hun woonplaats naar [plaats] is/zijn gereden, soms ook op een vroeg tijdstip, om daar geld uit de pin-automaat te halen. De afstanden tussen hun woonplaatsen en [plaats] zijn daarvoor te groot. Overigens is dit scenario zo ook niet door [appellante] geschetst in de processtukken. 9.7.
  21. Uiteindelijk resten er dan vier potentiële personen: [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] en [appellante] . Van [geïntimeerde sub 1] staat in elk geval op grond van zijn verklaring en die van [geïntimeerde sub 3] vast dat hij moeder na haar opname in [XXX] niet meer heeft bezocht. Hij heeft dan ook in elk geval vanaf eind februari 2014 bij bezoek aan moeder geen toegang meer gehad tot de bankafschriften. Of dat daarvoor wel is geweest, heeft het hof niet aan [appellante] kunnen vragen. Dat [geïntimeerde sub 1] de pinopnamen heeft kunnen verdoezelen door de bankafschriften onder zich te nemen is dan ook niet aannemelijk. Overigens ligt in de omstandigheid dat [geïntimeerde sub 1] deze procedure is gestart besloten dat hij betwist de gewraakte opnamen te hebben verricht. Ten slotte overweegt het hof dat [appellante] ook niet concreet stelt dat [geïntimeerde sub 1] de gepinde bedragen heeft opgenomen. 9.7.
  22. Dat laatste geldt ook ten aanzien van [geïntimeerde sub 3] . Nergens is door [appellante] specifiek gesteld dat hij de pin-opnamen heeft verricht. Ook van [geïntimeerde sub 2] wordt niet gesteld dat zij vanaf augustus 2013 de mogelijkheid heeft gehad en benut om van de rekening van [erflaatster] (vrijwel) dagelijks € 250,= of € 300,= op te nemen. [geïntimeerde sub 2] heeft ook betwist dat zij ooit over de bankpas van moeder heeft beschikt of een eigen bankpas voor de rekening van moeder heeft gehad. Feiten of omstandigheden die erop zouden kunnen wijzen dat [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 3] en/of [geïntimeerde sub 2] deze bedragen opgenomen zouden hebben (zoals bijvoorbeeld onverklaarbaar grote uitgaven door [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 3] of [geïntimeerde sub 2] ) zijn door [appellante] niet aangevoerd. 9.7.
  23. Wanneer geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die erop wijzen dat [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 3] of [geïntimeerde sub 2] van augustus 2013 tot oktober 2014 de gewraakte pin-opnamen heeft of hebben verricht, rest als enige mogelijkheid dat [appellante] deze moet hebben verricht. Vanuit haar rol als mantelzorger kon zij beschikken over toegang tot de rekening van moeder en tot de rekeningafschriften van moeders bankrekening. In dit verband heeft [geïntimeerde sub 3] verklaard dat hij [appellante] nog voor het overlijden van moeder heeft gevraagd hoe het zat met het geld. Volgens [geïntimeerde sub 3] heeft [appellante] daarop geantwoord dat hij, [geïntimeerde sub 3] , zich daarover geen zorgen hoefde te maken omdat het veilig stond. Bovendien heeft [geïntimeerde sub 5] als getuige verklaard dat het [appellante] is geweest die de financiën van moeder verzorgde. [appellante] heeft de juistheid van deze verklaringen in haar antwoordmemorie na enquête niet betwist, zodat het hof van de juistheid van die verklaringen uitgaat. Daaruit volgt dat [appellante] inzicht moet hebben gehad in de bankgegevens van moeder. Onverklaard blijft dan waarom zij (als dat al door derden zou zijn gedaan) geen alarm heeft geslagen toen na augustus 2013 de (spaar)rekening van moeder min of meer werd leeggetrokken en bijvoorbeeld de desbetreffende bankpas heeft laten blokkeren. Kortom: tal van vragen rijzen waarop [appellante] geen antwoord heeft gegeven en ook niet heeft willen geven, gelet op haar weigering om als getuige een verklaring af te leggen. 9.7.
  24. Tot slot hierover nog dit. In het algemeen merkt het hof op dat hetgeen [appellante] op dit punt bij memorie van grieven aanvoert suggestief is en geen concrete stellingname. Zo voert zij achter nr. 38 aan: “ [geïntimeerde sub 1] toont echter op geen enkele wijze aan dat het [appellante] is geweest die deze opnames heeft gedaan. Het kan [erflaatster] zijn geweest die deze opnames zelf heeft gedaan, het kan iemand van de zorglocatie [XXX] zijn geweest, het kan een van de andere kinderen dan [appellante] zijn geweest. [geïntimeerde sub 1] toont in ieder geval op geen enkele wijze aan dat [appellante] kon beschikking over de bankpas van [erflaatster] en dat vervolgens [appellante] is geweest die deze opnames heeft gedaan.” 9.7.
  25. Met hetgeen [appellante] hier aanvoert wordt het door [geïntimeerde sub 1] gestelde niet, althans niet voldoende gemotiveerd, weersproken. Met het wijzen op de mogelijkheid van andere scenario’s is niet gesteld dat één of meerdere van die scenario’s ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De aannemelijkheid van één van die andere scenario’s wordt ook niet met feiten of omstandigheden onderbouwd. Zoals hiervoor al overwogen acht het hof geen van die scenario’s aannemelijk, maar eerder apert onaannemelijk. 9.7.
  26. De omstandigheid dat [geïntimeerde sub 1] niet aantoont dat [appellante] een bankpas heeft gehad, wordt pas relevant wanneer bij een voldoende deugdelijke betwisting bewijslevering aan de orde zou komen. Bovendien is niet relevant of [appellante] een eigen bankpas heeft gehad. Relevant is of zij met een bankpas die aan de rekening van moeder was gekoppeld de gewraakte pin-opnamen heeft verricht. Met de opmerking dat [geïntimeerde sub 1] dat niet heeft aangetoond, wordt niet voldoende ontkend dat zij dat heeft gedaan. Een dergelijke harde, expliciete ontkenning is in eerste aanleg niet aangevoerd en evenmin te vinden in de memorie van grieven of de antwoordmemorie na enquête en het hof heeft [appellante] daar ook niet op kunnen bevragen. 9.
  27. Op grond van het voorgaande komt het hof dan ook tot het oordeel dat [geïntimeerde sub 1] afdoende is geslaagd in het leveren van het bewijs dat [appellante] gelden aan de RABO-rekening van moeder en/of de erven [wijlen echtgenoot] heeft onttrokken. Het totaalbedrag van € 42.963,03 volgt uit het hiervan bij de inleidende dagvaarding gegeven overzicht en de daarbij ter onderbouwing als productie 14 overgelegde rekeningafschriften. Vastgesteld hebbende dat [appellante] dit bedrag opgenomen moet hebben, had het op haar weg gelegen om te verklaren over de bestemming van die gelden. In eerste aanleg heeft zij geen verweer gevoerd. Ook in hoger beroep heeft zij geen enkele verklaring gegeven (en willen geven) over de bestemming van deze gelden, ook niet nadat [geïntimeerde sub 5] had verklaard dat [appellante] de financiën van moeder regelde. Dat dit bedrag ten bate van moeder zelf zou zijn besteed is, gelet op haar opname in een zorginstelling, niet aannemelijk. Het hof is daarom van oordeel dat [appellante] , in het licht van wat wel is vastgesteld, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat dit bedrag ten eigen bate is opgenomen. De geestestoestand van moeder 9.
  28. Bij memorie van grieven heeft [appellante] aangevoerd dat moeder niet in een vergevorderd stadium van dementie verkeerde, nog steeds wist wat er gebeurde, haar eigen bankzaken nog kon beheren en haar bankzaken in eigen beheer heeft genomen. Dat laat zich echter niet rijmen met de verklaringen van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 5] , waaruit volgt dat [appellante] de financiën van moeder regelde en evenmin met het feit dat na de verhuizing naar [XXX] niet direct een adreswijziging aan de bank is doorgegeven. Vanaf haar opname in een zorgcentrum tot 6 januari 2015 zijn alle rekeningafschriften immers naar het adres [adres] gestuurd, zelfs nog maanden nadat de huur daarvan al was opgezegd door [appellante] , en pas vanaf 6 januari 2015 naar het vestigingsadres van [XXX] . 9.10.
  29. Hiervoor heeft het hof geconcludeerd dat [appellante] de gelden ten eigen bate van de bankrekening van moeder moet hebben opgenomen. De vraag of moeder nog wilsbekwaam was om zelf haar financiën te kunnen regelen, of dat zij door haar geestelijke gezondheidstoestand niet meer in staat is geweest om zelf haar eigen wil te bepalen en over haar bankzaken te beschikken is dan eigenlijk slechts relevant, wanneer vastgesteld kan worden dat moeder op de hoogte is geweest van het feit dat na augustus 2013 de spaarrekening is opgeheven en vervolgens van de betaalrekening een bedrag van uiteindelijk in totaal € 42.963,03 is opgenomen door een bijzonder groot aantal pin-opnamen. 9.10.
  30. Vastgesteld hebbende dat [appellante] de financiën van moeder regelde, moet [appellante] bekend zijn geweest met het opmerkelijke pin-gedrag na augustus 2013 en het opmerkelijke feit dat bij de bank direct na het opheffen van de spaarrekening een bestelling was geplaatst voor het ophalen van € 25.000,=, waaraan geen vervolg is gegeven door dat bedrag ook op te halen. Het had dan ook op haar weg gelegen, zeker naar aanleiding van de verklaringen van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 5] , om nader te verklaren wat zij met moeder heeft besproken ten aanzien van deze bestelling en de besteding van de daarna opgenomen bedragen. Dat zij daar met moeder over heeft gesproken, heeft zij echter niet gesteld en het hof heeft haar, het zij nogmaals herhaald, hier ook niet over kunnen bevragen. Het hof kan dus niet vaststellen dat moeder op grond van mededelingen van [appellante] wetenschap heeft gehad van een (poging tot) opname van € 25.000,= in contanten of via [appellante] op de hoogte is gekomen van het opmerkelijke pin-gedrag. 9.11.
  31. Dat sluit echter in beginsel nog niet uit dat moeder hier zelf van op de hoogte had kunnen komen door kennisname van de rekeningafschriften die aan haar werden toegezonden. In de periode tot de opname in een gezondheidsinstelling (in januari 2014) heeft moeder op het adres [adres] in elk geval nog de rekeningafschriften uit de periode van augustus 2013 tot en met december 2013 kunnen ontvangen. Vanaf haar opname in januari 2014 tot 6 januari 2015 zijn alle rekeningafschriften echter nog een jaar lang naar de [adres] gestuurd en pas vanaf 6 januari 2015 naar het vestigingsadres van [XXX] . In de periode van januari 2014 tot januari 2015 zijn de rekeningafschriften dus verzonden naar een ander adres dan dat waar moeder feitelijk verbleef. 9.11.
  32. Daarbij volgt uit de als productie 14 overgelegde bankafschriften dat de laatste huurtermijn aan Woningstichting De Voorzorg is betaald voor de periode 02-14 (rekeningafschrift 586 van 6 februari 2014). Rekeningafschrift 587 vermeldt geen huurbetaling meer. Het hof leidt daaruit af dat de huur voor de woning aan de [adres] al met ingang van maart 2014 was opgezegd. [geïntimeerde sub 3] verklaart dat [appellante] hem benaderd heeft voor het afgeven van een sleutel in verband met de opzegging van de huur. Daaruit volgt dat [appellante] die opzegging heeft verzorgd en dus op de hoogte was van het feit dat post op dat adres moeder in beginsel niet meer zou bereiken. Waar tussen maart 2014 en januari 2015 de rekeningafschriften zijn gebleven die ondanks de huuropzegging naar de [adres] zijn gezonden, blijft onverklaard. 9.11.
  33. Uit deze feiten vloeit voort dat niet vastgesteld kan worden dat de maandelijkse rekeningafschriften tussen januari 2014 en januari 2015 moeder bereikt hebben. Dat zij in die periode door kennisname van de rekeningafschriften op de hoogte had kunnen zijn van de pin-opnamen, kan dus niet worden vastgesteld. Toen het eerste rekeningafschrift aan het adres van [XXX] werd gestuurd, in januari 2015, was de betaalrekening van moeder al leeg getrokken. Van een saldo van € 29.249 ,= plus wat centen was immers op 6 oktober 2014 al niet meer over dan € 870,60 (rekeningafschrift 0594). Het eerste aan [XXX] verstuurde rekeningafschrift (volgnummer 0597) vermeldt een nieuw saldo van € 123,33 per 31 december
  34. 9.
  35. Geoordeeld hebbende dat [appellante] de gelden opgenomen moet hebben, zou de geestelijke gezondheid van moeder hoogstens relevant zijn voor de vraag of zij de opgenomen bedragen aan [appellante] heeft geschonken of anderszins heeft beoogd dat dit via [appellante] ten bate van haar zelf of ten bate van derden zou worden besteed. Dat is echter door [appellante] niet gesteld en volgt ook niet uit het door haar gevoerde verweer. Zij voert immers aan geen gelden aan de nalatenschap te hebben onttrokken (welk verweer niet slaagt) en niets van het opgenomen bedrag te hebben ontvangen. 9.13.
  36. Maar los van het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof uit de overgelegde bescheiden afdoende dat moeder ook niet meer heeft kunnen beslissen over de besteding van haar geld. Zo verklaart [geïntimeerde sub 3] zowel op schrift als ook als getuige dat moeder vanaf 2012 aan het aftakelen was en dat zij met name in de maanden voor haar opname vergeetachtig werd, haar kinderen niet meer herkende en verhalen vertelde die niet konden kloppen. Schriftelijk verklaart hij dat moeder was geplaatst op een gesloten afdeling waar alleen mensen lagen met dementie. [geïntimeerde sub 5] verklaart dat moeder, na haar opname in [XXX] , niet meer een gewoon gesprek voerde. 9.13.
  37. Namens de huisarts van moeder, [persoon A] , schrijft haar advocaat in een brief van 14 mei 2024 in antwoord op vragen van [persoon D] : “Samengevat kan cliënte, gezien het voorgaande, als volgt verklaren. Daarbij tekent cliënte aan dat zij geen verklaring geeft of kan geven over de geestelijke gezondheidstoestand van erflaatster, noch van de indruk die zij daarvan had

(5). Ook dat zou (opnieuw) neerkomen op een waardeoordeel, welk zij (…) niet kan geven. Wat betreft de (gevraagde) informatie opgesomd onder nummers 1 tot en met 4 kan cliënte evenwel als volgt verklaren. (…) Ik kan verder verklaren dat ik in maart 2013 een verwijzing voor erflaatster heb gemaakt naar Mondriaan Ouderen (ggz) te [woonplaats]. In mei 2013 heb ik een terugkoppeling van de betrokken gz-psycholoog/psychotherapeut van Mondriaan Ouderen (ggz) ontvangen. De conclusie van deze terugkoppeling luidt: Dementie NAO (29480A (DSM IV)). Verder wordt in deze terugkoppeling aangaande het afgesproken beleid aangegeven: “Alleen wonen is in toenemende mate risicovol en levert gevaarlijke situaties op. Alles wijst er op dat sprake is van een dementieel proces. Al langer bestaand, nu duidelijker. Schildklierlijden is mogelijk van invloed op de ernst van het beeld en is onder de aandacht van de huisarts. Er is reeds een zorgtrajectbegeleider betrokken. Geadviseerd wordt om toe te werken naar een opname in een passende omgeving, pg-afdeling van een verzorgingstehuis/verpleeghuis. Patiënte zelf kan met hulp van haar familie dit zelf opstarten. Zoals we reeds telefonisch bespraken zal er geen behandeling worden opgestart. Wij zullen het dossier afsluiten na het adviesgesprek.” In november 2013 worden door de thuiszorg zorgen geuit bij de praktijk, om dat erflaatster erg achteruit zou gaan. Hierop heb ik haar bezocht. Vervolgens heb ik contact gehad met een medewerker van MeanderGroep. Daarop volgend is een zzp-5 indicatie met BOPZ (artikel 60) aangevraagd door of vanuit MeanderGroep. Vanaf dat moment is door MeanderGroep ook actief gezocht naar een opnameplek. Voor zover bekend is niet aan mij teruggekoppeld of deze indicatie op dat moment is afgegeven. In januari 2014 wordt een bericht ontvangen dat erflaatster is opgenomen in het toenmalige Atrium Medisch Centrum (thans Zuyderland Medisch Centrum). Vanuit daar is erflaatster naar een tijdelijke plek in de [locatie] gegaan ( [locatie] ) en ter overbrugging naar het Sint Jans verpleeghuis (afdeling Lutteraderhof (pg)) in [plaats] gegaan. Deze opname(s) is (zijn), voor zo ver mij bekend, geregeld vanuit het ziekenhuis.” 9.13.
  1. Uit deze verklaring volgt in elk geval dat in mei 2013 door een deskundige (de betrokken gz-psycholoog/psychotherapeut van Mondriaan Ouderen (ggz)) de diagnose is gesteld ‘Dementie NAO (29480A (DSM IV))’, iets wat [appellante] dus in de memorie van grieven ten onrechte betwist. In november 2013 heeft de huisarts van moeder naar aanleiding van een melding van de thuishulporganisatie moeder bezocht en naar aanleiding van dat bezoek een terugkoppeling gegeven naar de thuishulporganisatie waarna door die organisatie een zzp-5 indicatie met BOPZ (artikel 60) is aangevraagd, wat [appellante] zich niet meent te kunnen herinneren. De zzp-indicatie (zorgzwaarte pakket) 5 betreft een indicatie voor intensieve zorg en begeleiding. Artikel 60 van de toentertijd van kracht zijnde Wet bijzondere opnemingen in psychiatrisch ziekenhuizen (Wet BOPZ) had betrekking op de opname en het verblijf in een verpleeginrichting van personen die geen blijk gaven van de nodige bereidheid ter zake (nu vervangen door artikel 21 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten, Wzd). De combinatie van een noodzaak tot opname met de zwaarste zorgindicatie en een aanvraag voor een artikel 60 BOPZ-procedure vormt een aanwijzing dat moeder zelf niet meer in staat of bereid was om in te stemmen met een vrijwillig verblijf in een verpleeginrichting, hoewel de noodzaak daartoe bestond. In elk geval volgt daaruit dat er wel degelijk – wederom anders dan [appellante] aanvoert (memorie van grieven nr. 22) – een reden bestond om moeder op een gesloten afdeling te plaatsen. Van een bewust verzet van moeder tegen opname is het hof overigens niet gebleken uit de processtukken en hetgeen de getuigen hebben verklaard. 9.13.
  2. Daarnaar gevraagd door [persoon D] , verklaart [persoon E] , specialist ouderengeneeskunde van Zorgcentrum Zuyderland in zijn brief van 16 januari 2024: “Ten aanzien van uw tweede sub-vraag, i.e. ‘heeft opname op een (gesloten) psychogeriatrische afdeling van zorgcentrum [XXX] alles met haar geestelijke gezondheidstoestand te maken gehad?’, bevestigt het medisch dossier dat één van de opname-indicaties inderdaad aan haar geestelijke gezondheidstoestand gerelateerd was.” 9.13.
  3. Wanneer het hof de hiervoor aangehaalde verklaringen in hun onderling verband beschouwt, blijkt daaruit dat in mei 2013 is vastgesteld dat moeder lijdend was aan dementie, dat haar toestand zodanig verslechterde dat in november 2013 de conclusie werd getrokken dat zelfstandig thuis wonen niet langer verantwoord was en opname met een zzp-5 indicatie in een verpleeginrichting noodzakelijk, dat daartoe een artikel 60 BOPZ-procedure nodig leek, dat moeder vervolgens uiteindelijk is opgenomen op een gesloten psycho-geriatrische afdeling van zorgcentrum [XXX] en dat zij tijdens haar verblijf aldaar verward was, deels haar eigen kinderen niet meer herkende en niet of nauwelijks nog in staat was om een gewoon gesprek te voeren. Het hof heeft op grond hiervan de overtuiging gekregen dat moeder vanaf medio 2013 niet meer in staat was om haar wil ten aanzien van haar financiën te bepalen. Een aanwijzing daarvoor is ook gelegen in het merkwaardig gedrag rondom het beëindigen van de spaarrekening en een (niet opgehaalde) bestelling van € 25.000,= in contanten. Het hof wordt verder in zijn overtuiging gesterkt door de omstandigheid dat [appellante] ongeloofwaardige scenario’s schetst ter verklaring van het pin-gedrag na augustus 2013 en niet bereid is gebleken om de vragen die hierover, en over hetgeen daarover mogelijk met moeder is besproken, tijdens het getuigenverhoor zijn gerezen als getuige te beantwoorden. De slotsom luidt dan dat, voor zover al zou blijken dat moeder op de hoogte is geweest van de pin-opnamen na augustus 2013, [geïntimeerde sub 1] ook afdoende is geslaagd in het leveren van het onder 2 opgedragen bewijs. 9.
  4. Gelet op het voorgaande falen de grieven 1 tot en met 4 en mist ook de daarop voortbouwende grief 5 doel. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. [appellante] heeft in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij te gelden en zal om die reden worden veroordeeld in de kosten van dit geding, met inbegrip van de kosten in het incident, te begroten op nihil. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] zullen vastgesteld worden op: griffierechten € 772,00 salaris advocaat € 5.532,50 (2,5 punten x tarief IV) getuigentaxen € 525,00 nakosten € 178,00 (plus verhoging conform de beslissing) Totaal € 7.007,
  5. De kosten aan de zijde van [geïntimeerde sub 2] zullen vastgesteld worden op: griffierechten € 772,00 salaris advocaat € 2.213,00 (1 punt x tarief IV) nakosten € 178,00 (plus verhoging conform de beslissing) Totaal € 3.163,
  6. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 10De uitspraak Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, zoals verbeterd bij herstelvonnis van 27 januari 2021; veroordeelt [appellante] om binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe aan respectievelijk [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] te betalen de proceskosten van dit hoger beroep, voor wat [geïntimeerde sub 1] betreft ten bedrage van € 7.007,50 en voor wat [geïntimeerde sub 2] betreft ten bedrage van € 3.163,00, en als [appellante] deze proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving voldoet en het arrest daarna wordt betekend dan moet [appellante] aan elk van hen € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening, met dien verstande dat de betekeningskosten slechts verschuldigd zijn aan de partij die opdracht heeft gegeven tot betekening van dit arrest; veroordeelt [appellante] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; verklaart de dit arrest uitvoerbaar bij voorraad; wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, R.J.M. Cremers en J. van der Steenhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 november
  7. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.