GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.334.380/01 arrest van 3 december 2024 in de zaak van 1 [appellant 1] , voorheen vennoot van [de V.O.F.] ,wonende te [woonplaats ] , 2. [appellant 2] , voorheen vennoot van [de V.O.F.] ,wonende te [woonplaats ] , appellanten, hierna aan te duiden als [appellanten] (in enkelvoud), advocaat: mr. D. Uygul te Rotterdam, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats ] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. M.F. van de Burgt te Uden, gemeente Maashorst, op het bij exploot van dagvaarding van 26 oktober 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 27 juli 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8682994 / 20-3705) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de memorie van grieven tevens wijziging van eis met producties; de memorie van antwoord; de mondelinge behandeling van 2 oktober 2024, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd; de bij H12-formulier van 20 september 2024 door [appellanten] toegezonden producties 17 tot en met 20 die bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding zijn gebracht. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling De feiten 3.1. Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen (kenbare) grieven gericht. De door de kantonrechter vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Daarnaast staan nog enige andere feiten vast. 3.2.1. [geïntimeerde] bezat de internetonderneming [de V.O.F.] . [de V.O.F.] is een webshopbedrijf dat vrijetijdsartikelen verkoopt gericht op sport. Vanaf januari 2020 hebben partijen met elkaar gesproken over een mogelijke overname van [de V.O.F.] door [appellanten] 3.2.2. Op 7 februari 2020 heeft [geïntimeerde] de onderneming (de activa en passiva van [de V.O.F.] ) verkocht aan [appellanten] voor een koopsom van € 19.000,00. Dit bedrag diende in twee termijnen te worden betaald. € 9.500,00 op 7 februari 2020 en € 9.500,00 op 15 april 2020. De schriftelijke koopovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) is overgelegd als productie 1 bij de dagvaarding in eerste aanleg. 3.2.3. [appellanten] heeft de eerste termijn van de koopprijs betaald. Na overname van de onderneming op 7 februari 2020 is [appellanten] eind maart 2020 gestopt met de activiteiten van de onderneming. 3.2.4. Bij brief van 31 maart 2020 aan [geïntimeerde] (productie 4 bij de dagvaarding, eerste aanleg) heeft [persoon A] namens [appellanten] onder meer het volgende geschreven: " […] Inmiddels is er een aantal maanden verstreken sinds de formele overnamedatum en is cliënt tot een onaangename ontdekking gekomen. Deze ontdekking behelst de uitkomst van een Instagram analyse [...] waaruit blijkt dat maar liefst de helft (!) van de 15.000 volgers van [de V.O.F.] op Instagram gekochte volgers zijn! De volgers zijn niet authentiek en komen uit verre landen zoals Iran, Brazilië, India, Turkije en Indonesië. Aan deze landen is nog nooit enige bestelling geleverd (en er valt ook niet te verwachten dat dit ooit zal gebeuren vanwege de afstand, nog los van het feit dat de volgers gekocht zijn). Voor cliënt was het grote aantal volgers een belangrijke overweging om over te gaan tot koop van [de V.O.F.] tegen de overeengekomen prijs. Het grote aantal volgers suggereerde immers een solide fan basis en bovendien naamsbekendheid onder een breed publiek. In retroperspectief blijkt een groot deel van deze "solide fan basis” helemaal niet te bestaan, en is slechts sprake van naamsbekendheid onder een zeer beperkt publiek. Het is cliënt uit betrouwbare bron ook gebleken dat u bewust instagramvolgers heeft gekocht (zij heeft daarvan ook bewijs) om de onderneming [de V.O.F.] groter te doen laten lijken. Cliënt voelt (en is!) volkomen op het verkeerde been gezet voor wat betreft de (vermeend) aanwezige goodwill van [de V.O.F.] [...]. Als verkoper had u een mededelingsplicht, gelijk cliënt als koper een onderzoeksplicht had. Uit vaste jurisprudentie volgt evenwel dat de mededelingsplicht van u als verkoper boven de onderzoeksplicht van cliënt als koper gaat. U heeft uw mededelingsplicht geschonden m.b.t. de echtheid van de instagram volgers. Het aantal volgers op instagram is een belangrijke graadmeter voor (potentiële) clientèle en kennelijke bekendheid onder een relatief groot publiek van het merk. Nu achteraf blijkt dat een groot deel van die "graadmeter" nep is, dan valt daarmee ook een groot deel van de goodwill van de onderneming weg. Het had in dit geval dus zeker op uw weg gelegen om mijn cliënt voorafgaand aan de overeenkomst te informeren over de status van de volgers (en daarbij aan te geven dat het gros hiervan dus 'gekochte' volgers betreft). Had cliënt op de hoogte geweest van deze informatie, dan had de overeenkomst niet, althans met in de huidige vorm, overeengekomen worden. Op grond van het voorgaande komt cliënt dan ook een beroep op dwaling toe. Een geslaagd beroep op dwaling (...) brengt vernietigbaarheid van de koopovereenkomst met zich mee. Indien cliënt de overeenkomst buitengerechtelijk zou vernietigen dan heeft dit terugwerkende kracht wordt de koop geacht nooit te hebben plaatsgevonden. U dient de reeds betaalde koopprijs aan cliënt terug te betalen, en cliënt zal [de V.O.F.] weer aan u terug over dragen. Vernietiging van de koopovereenkomst brengt dus verregaande gevolgen met zich mee. Er is evenwel ook een tussenoplossing. Deze is gelegen in artikel 6:230 BW, welk artikel bepaalt dat de overeenkomst, met opheffing van het geleden nadeel, in stand wordt gelaten. Deze optie zou erop neerkomen dat de overeenkomst (en daarmee de koop) weliswaar in stand wordt gelaten, maar dat de koopprijs wordt verminderd overeenkomstig het geleden nadeel. Een dergelijk wijzigingsvoorstel dient vanuit uw kant te worden gedaan, voordat cliënt een beroep op de vernietiging van de overeenkomst zou doen op grond van dwaling. (...) Voorstel -Cliënt stelt u in de gelegenheid om een wijzigingsvoorstel te doen, welk voorstel inhoudt dat de initiële koopprijs wordt verminderd met een bedrag van € 5.000,00 (bestaande uit de helft van de vermeende goodwill plus gemaakte juridische kosten); -Cliënt voldoet, uiterlijk 15 april 2002, het restantbedrag van € 4.500,00 ten titel van de overname; -Partijen verlenen elkaar na uitvoering van bovenstaande acties finale kwijting over en weer. […]” 3.2.5. Bij brief van 6 april 2020 heeft [persoon B] (van Sendwood Legal) dit voorstel namens [geïntimeerde] afgewezen en heeft hij namens [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op betaling van de tweede termijn van de koopprijs van € 9.500,00 vermeerderd met de kosten voor juridische bijstand. 3.2.6. Daarop heeft [persoon A] bij brief van 22 mei 2020 namens [appellanten] de koopovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd op grond van dwaling en verzocht om terugbetaling van de eerste termijn van de koopprijs. De procedure bij de kantonrechter 3.3.1. In de onderhavige procedure vorderde [appellanten] in conventie bij de kantonrechter om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst is vernietigd bij schrijven van 22 mei 2020, althans de koopovereenkomst te vernietigen wegens dwaling; II. [geïntimeerde] te veroordelen om binnen 7 dagen na dagtekening van het vonnis aan [appellanten] te betalen een bedrag van € 9.500,00, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag; III. [geïntimeerde] te veroordelen om binnen 7 dagen na dagtekening van het vonnis aan [appellanten] te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.028,50, dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag; IV. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de hiervoor genoemde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van voldoening; V. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedure en de nakosten. 3.3.2. Aan deze vordering heeft [appellanten] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat de door hem betaalde goodwill van € 8.548,00 voor een belangrijk deel betrekking had op Instagramvolgers van [de V.O.F.] . [geïntimeerde] heeft in aanloop naar de verkoop van de onderneming [de V.O.F.] groter laten lijken door Instagram volgers aan te kopen. Hiervoor is onder meer gebruik gemaakt van een bot genaamd ‘Instaranker’. Als gevolg hiervan bestond het gros van de Instagramvolgers niet uit unieke en echte volgers, maar uit ‘nep’-volgers, aldus [appellanten] Hierdoor is [appellanten] om de tuin geleid en heeft [geïntimeerde] zijn mededelingsplicht geschonden. [appellanten] is op grond van een bewust gecreëerde onjuiste voorstelling van zaken overgegaan tot koop van [de V.O.F.] voor een bedrag van € 19.000,00. Als [appellanten] voorafgaand aan de koop door [geïntimeerde] juist en volledig was geïnformeerd over de realiteit van het (grote) aantal Instagramvolgers, zou [appellanten] nooit tot koop van de onderneming voor deze prijs zijn overgegaan. Hierdoor is gedwaald omtrent de waarde van de onderneming, aldus nog steeds [appellanten] 3.3.3. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in reconventie veroordeling gevorderd van [appellanten] tot betaling van een bedrag van € 10.647,90, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2020 tot aan de dag van voldoening. [geïntimeerde] heeft aan deze vordering in reconventie ten grondslag gelegd dat [appellanten] als koper gehouden is tot nakoming van de betaling van de tweede termijn van de koopsom en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten. [appellanten] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de reconventionele vordering van [geïntimeerde] . 3.3.4. In het tussenvonnis van 5 november 2020 heeft de kantonrechter een mondelinge behandeling van partijen gelast, die op 21 juni 2021 via een digitale verbinding heeft plaatsgevonden. 3.3.5. In het tussenvonnis van 9 december 2021 heeft de kantonrechter een deskundigenonderzoek bevolen ter beantwoording van de volgende vragen:“1. Is het al dan niet juist dat de volgers van [de V.O.F.] op Instagram ten tijde en voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst van 7 februari 2020 in belangrijke of overwegende mate waren gekocht? Zo ja, kunt u uitleggen en onderbouwen hoe dat in zijn werk is gegaan en of dat invloed heeft op de kwaliteit van die volgers? 2. Kunt u al dan niet onderschrijven de stelling van [appellanten] dat destijds ongeveer de helft van de volgers op Instagram nep was of in ieder geval niet authentiek of echt was. Hoe beoordeelt u in dit verband de analyses van het Instagramaccount van [de V.O.F.] die partijen in het geding hebben gebracht, waarbij meer in het bijzonder aandacht moet worden besteed aan het volgende: a. Welke verschillen tussen deze analyses (in data) vallen u op en hoe verklaart u deze verschillen? b. Hoe verklaart u de pieken en dalen in de volgersaantallen? c. Kunnen deze schommelingen veroorzaakt zijn door marketinggelden die zijn vrijgemaakt, bijvoorbeeld voor de inzet van een influencer? d. Hoe verklaart u het feit dat een groot aantal volgers uit landen als Iran, Brazilië, India, Turkije en Indonesië afkomstig is? e. Welke conclusies kunt u aan de hand van deze analyses trekken wat betreft het percentage volgers dat uit daadwerkelijke personen bestaat? 3. Zijn er overigens punten die u zelfstandig naar voren wilt brengen?” 3.3.6. Door de kantonrechter is bij tussenvonnis van 11 augustus 2022 als deskundige benoemd mevrouw S. ([naam]) Loth van S. Loth B.V. te Amstelveen. Zij heeft op 2 januari 2023 haar definitief deskundigenbericht (hierna: het deskundigenrapport) ingediend. Ter zake de onder rechtsoverweging 3.3.5. opgesomde vragen aan de deskundige komt zij tot onder meer de volgende bevindingen:- Vraag 1: “Ik vind geen bewijs voor voornamelijk gekochte accounts, of überhaupt gekochte accounts, bots of fake accounts. De genoemde tool Instaranker, wat bewijs zou zijn van gekochte accounts, biedt niet de mogelijkheid volgers te kopen. Wel om beter gevonden te worden. [ …]” - Vraag 2: “Ik vind geen bewijs dat volgers gekocht zijn, en ook niet dat buitensporig veel volgers nep/bots zijn. Zeker niet de helft gelet op de engagement rate en likes op goede marketingcontent, zoals met influencers.” - Vraag 3: “[…] Er wordt gesteld dat het grote aantal volgers op een social media account reden is tot koop van een webshop. Allereerst was het aantal volgers niet bijzonder groot. 15.000 is zeker aanzienlijk, maar niet groot. […]” 3.3.7. In het eindvonnis van 27 juli 2023 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellanten] in conventie afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten in conventie. In reconventie heeft de kantonrechter [appellanten] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 10.647,90, vermeerderd met de wettelijke rente over € 9.500,00 vanaf 22 oktober 2020 tot aan de dag van voldoening. De kantonrechter heeft [appellanten] veroordeeld in de proceskosten in reconventie. De procedure in hoger beroep 3.4. [appellanten] heeft in hoger beroep een hoofdgrief met vijf subgrieven aangevoerd. [appellanten] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het toewijzen van zijn in hoger beroep gewijzigde vorderingen. Na eiswijziging vordert [appellanten] om bij arrest, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair: A) voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst (terecht) is vernietigd bij schrijven d.d. 22 mei 2020, dan wel deze koopovereenkomst te vernietigen wegens dwaling; subsidiair: B) voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst onder bedrog tot stand is gekomen en/of de koopovereenkomst te vernietigen wegens bedrog; meer subsidiair: C) voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst niet overeenkomt met het geleverde (non-conform) en/of de koopovereenkomst gedeeltelijk te vernietigen en/of een koopprijsvermindering vast te stellen van € 9.500,00; nog meer subsidiair: D) vast te stellen dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellanten] door hen niet te voorzien van een juiste voorstelling van feiten en/of dusdanig heeft gehandeld waardoor [appellanten] na de verkoop van de onderneming schade hebben geleden, waarvoor [geïntimeerde] aansprakelijk is en deze schade minimaal te schatten op € 9.500,00, dan wel een door het hof vast te stellen bedrag, of nog nader te onderzoeken bedrag; en: E) de vordering in reconventie niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen en [geïntimeerde] te veroordelen al hetgeen [appellanten] als gedaagde in reconventie in eerste aanleg ter uitvoering van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling; en: F) [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.5. [appellanten] heeft in hoger beroep zijn eis gewijzigd zoals is weergegeven onder rechtsoverweging 3.4. [geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijzing van [appellanten] Het hof ziet geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis. 3.6. [appellanten] komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het beroep op dwaling niet slaagt. [appellanten] heeft een hoofdgrief met vijf subgrieven geformuleerd, waarmee hij beoogt het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. Het hof zal de grieven gezamenlijk per onderwerp behandelen. Het deskundigenrapport 3.7. Volgens [appellanten] heeft de kantonrechter het deskundigenrapport onvolledig en/of onjuist geïnterpreteerd. De kantonrechter had het deskundigenrapport niet mogen gebruiken voor de verwerping van het beroep op dwaling door [appellanten] Bovendien zijn de bevindingen van de deskundige innerlijk tegenstrijdig. Ook om die reden had de kantonrechter het deskundigenrapport ter zijde moeten schuiven en had de kantonrechter de door [appellanten] en [geïntimeerde] overgelegde rapportages bij zijn oordeel moeten betrekken. 3.8. Het hof stelt het volgende voorop. De bewijswaardering van informatie van een deskundige die is verkregen met toepassing van de wettelijke bepalingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over het deskundigenbericht is overgelaten aan de rechter. De rechter heeft een beperkte motiveringsplicht bij zijn beslissing de zienswijze van de deskundige al dan niet te volgen. Wel moet de rechter bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen zal volgen, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. Als partijen daarbij, door zich te beroepen op de uiteenlopende zienswijzen van de door hen geraadpleegde deskundigen, voldoende gemotiveerde standpunten hebben ingenomen en voldoende duidelijk hebben aangegeven waarom zij het oordeel van (een) door de rechter benoemde deskundige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.