← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2024:3866

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 5 december 2024 Zaaknummer: 200.342.720/01 Zaaknummers eerste aanleg: 10897709 BM VERZ 24-1052 en 10897710 MS VERZ 24-157 in de zaak in hoger beroep van: [de zoon] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de zoon, advocaat: mr. C. Gelijn. Als belanghebbenden zijn aangemerkt: [de dochter] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de dochter, advocaat: mr. J. Visser, [de betrokkene] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de betrokkene. De zaak in het kort: Deze zaak gaat over de vraag wie als bewindvoerder en mentor van de betrokkene moet worden aangesteld. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 maart 2024, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 juni 2024 heeft de zoon verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, primair hem – naast de dochter – te benoemen tot bewindvoerder en mentor van de betrokkene en subsidiair de dochter te ontslaan als bewindvoerder van de betrokkene en over te gaan tot benoeming van een professionele derde tot bewindvoerder en mentor van de betrokkene. Kosten rechtens. 2.
  2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 7 augustus 2024, heeft de dochter verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de zoon niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. 2.
  3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 4 maart 2024; de brief van de dochter van 2 oktober 2024; de e-mail van de advocaat van de zoon van 8 oktober
  4. 2.
  5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 oktober
  6. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de zoon, bijgestaan door zijn advocaat; de dochter, bijgestaan door haar advocaat. 2.4.
  7. De betrokkene was vanwege haar gezondheid zelf niet aanwezig tijdens de mondelinge behandeling. 3De beoordeling De omvang van het hoger beroep 3.
  8. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan de betrokkene wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand, alsmede een mentorschap ten behoeve van de betrokkene ingesteld en de dochter tot bewindvoerder en mentor benoemd. 3.
  9. De zoon kan zich met deze beslissing, voor zover het de benoeming van de dochter tot bewindvoerder en mentor betreft, niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de zoon het subsidiaire verzoek ingetrokken voor zover dat ziet op het benoemen van een professionele mentor. De standpunten 3.
  10. De zoon voert - zakelijk weergegeven – het volgende aan. De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat de zoon onbekwaam is als bewindvoerder en mentor. Er waren daarom geen gegronde redenen die zich tegen de door de betrokkene gewenste dubbele benoeming (van zowel de zoon als de dochter) verzetten. De kantonrechter heeft haar oordeel gebaseerd op haar waarnemingen tijdens de mondelinge behandeling. De zoon was zenuwachtig en wist niet wat de procedure inhield. De kantonrechter heeft een vertekend beeld van hem gekregen en hij wil dit in hoger beroep graag recht zetten. De zoon betwist dat hij alleen wenst toe te kijken en zijn zus wenst te controleren; hij wil ook het werk doen en uitvoering geven aan de taken die bij het bewind en mentorschap horen. Dat deed hij ook voordat het bewind en mentorschap werden ingesteld. Het was ten tijde van het inleidend verzoek de bedoeling om de situatie zoals die toen was zoveel mogelijk in stand te laten, maar deze wel te formaliseren. De dochter had inderdaad een iets grotere rol in de zorg voor de moeder, maar dat was het gevolg van het feit dat zij vlak bij de moeder woont, terwijl de zoon in [woonplaats] woont. De afstand is voor de zoon echter geen reden geweest om zijn moeder niet te bezoeken of te helpen. De betrokkene hechtte veel waarde aan de mening van de zoon en zij ‘sparde’ geregeld met hem over voorgenomen besluiten. Na de mondelinge behandeling in eerste aanleg zijn de zoon en dochter tegenover elkaar komen te staan. In de huidige situatie handelt de dochter volledig zelfstandig zonder in overleg te treden met de zoon. Dit is niet zoals de betrokkene het bewind en mentorschap voor ogen had. De wens van de betrokkene is namelijk dat beide kinderen worden benoemd zodat zij beiden volledig op de hoogte zijn en elkaar kunnen corrigeren wanneer nodig. De betrokkene heeft zich niet uitgelaten over de situatie waarin niet beide kinderen worden benoemd tot bewindvoerder. Als één persoon tot bewindvoerder wordt benoemd, kan in de optiek van de zoon niet zomaar gesteld worden dat de betrokkene het ook goed zou vinden wanneer slechts één van haar kinderen benoemd zou worden tot bewindvoerder. Het benoemen van een professionele derde als bewindvoerder is dan het meest in lijn met de wensen van de betrokkene, zodat beide kinderen in ieder geval goed op de hoogte blijven. 3.
  11. De dochter voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan. De betrokkene heeft dementie in een vergevorderd stadium en is niet meer in staat om haar wil en voorkeur te bepalen. De door de betrokkene geuite voorkeur voor beide kinderen als bewindvoerder/mentor was slechts ingegeven door het feit dat een moeder geen keuze tussen haar kinderen wilde maken. Het is niet in het belang van de betrokkene om zowel de zoon als de dochter te benoemen. De zoon heeft niet primair het belang van de betrokkene voor ogen, maar eerder zijn eigen (vermogensrechtelijke) belangen. Zijn wens om mede-bewindvoerder en mentor te worden, wordt ingegeven door wantrouwen en een verlangen naar controle. De zoon wekt hiermee volgens haar nogmaals het vermoeden dat hij andere (namelijk zijn eigen vermogensrechtelijke) belangen heeft. Door de onenigheid, wantrouwen en strijd tussen zoon en dochter is een onderlinge samenwerking praktisch niet uitvoerbaar. De zoon is daarom terecht en op de juiste gronden ongeschikt bevonden als bewindvoerder en mentor. Praktische redenen maken de benoeming van de zoon ook onwenselijk. Hij woont op 288 kilometer afstand van de zorginstelling waar de betrokkene verblijft. Het is volstrekt onduidelijk hoe de zoon de uitvoering van eventuele taken voor de betrokkene voor zich ziet. De dochter betwist dat de wens van de betrokkene om beide kinderen te benoemen tot bewindvoerder zou zijn ingegeven door het idee dat zij dan beiden volledig op de hoogte zijn en elkaar kunnen corrigeren. Wanneer beide kinderen zijn benoemd zal dit niet voor evenwicht, maar voor wrijving zorgen. De zoon heeft ook niet onderbouwd waarom het dichter bij de wens van de betrokkene zou liggen om een professionele derde te benoemen in plaats van één van de kinderen. Op de achtergrond kan immers ook de wens spelen dat haar financiële belangen behartigd worden door iemand die zij goed kent: een van haar eigen kinderen. De dochter heeft zich al deze jaren voor de betrokkene ingezet. De zoon heeft de betrokkene slechts sporadisch bezocht en wilde niet meewerken aan een volmacht of plaatsing van de betrokkene elders. De dochter houdt de zoon via e-mail op de hoogte van de gezondheid van de betrokkene. Het wettelijk kader 3.
  12. Op grond van artikel 1:435, lid 3 BW (inzake bewind) en artikel 1:452, lid 3 BW (inzake mentorschap) volgt de rechter bij de benoeming van een bewindvoerder, respectievelijk mentor, de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen een zodanige benoeming verzetten. Indien de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene niet gevolgd wordt, dan wordt in deze situatie bij voorkeur een van de kinderen tot bewindvoerder benoemd, op grond van artikel 1:435 lid 4 BW (inzake bewind) en 1:452, lid 4 (inzake mentorschap). De overwegingen van het hof 3.
  13. Het hof overweegt als volgt. 3.6.
  14. De noodzaak van het bewind en mentorschap is niet in geschil. De vraag die dient te worden beantwoord is wie er tot bewindvoerder en mentor moet worden benoemd. 3.6.
  15. Aangenomen kan worden dat het de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene is om haar beide kinderen samen als bewindvoerder en mentor te benoemen. Het hof is echter van oordeel dat gegronde redenen zich daartegen verzetten. Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, is gebleken dat de communicatie tussen de zoon en de dochter fors is verstoord. Het hof heeft vastgesteld dat er sprake is van een gebrek aan een constructieve en werkbare samenwerking tussen hen. De zoon en de dochter hebben al geruime tijd geen tot weinig contact met elkaar. Gezien de verstoorde verhouding kan niet van hen verwacht worden dat zij gezamenlijk optreden als bewindvoerder en mentor. Een dergelijke samenwerking vereist immers wederzijds vertrouwen en effectieve communicatie. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het niet in het belang van de betrokkene is om zowel de zoon als de dochter te benoemen als bewindvoerder en mentor. Er is een groot risico op onenigheid tussen de zoon en de dochter hetgeen de uitvoering van de taken als bewindvoerder en mentor nadelig zal beïnvloeden. Dit acht het hof in strijd met het belang van de betrokkene. 3.6.
  16. Met betrekking tot het subsidiaire verzoek van de zoon overweegt het hof als volgt. Als niet of onvoldoende betwist staat vast dat de dochter gedurende de afgelopen jaren de (vermogensrechtelijke) belangen van de betrokkene heeft behartigd en dat zij dit tot op heden doet. Het hof heeft geen aanwijzingen dat de dochter haar taken als bewindvoerder niet naar behoren uitvoert dan wel zou kunnen uitvoeren. Het hof ziet derhalve geen redenen om af te wijken van de wettelijke voorkeursregeling om een van de kinderen te benoemen tot bewindvoerder. Bovendien acht het hof het, gelet op de kwetsbare gezondheid en het gevorderde stadium van dementie van de betrokkene, niet in haar belang om haar aan te veel veranderingen bloot te stellen door de persoon van de bewindvoerder te wijzigen. Een professionele bewindvoerder is immers een volslagen vreemde voor betrokkene. Dit zou zeer wel kunnen leiden tot meer onrust en onzekerheid bij de betrokkene en dat acht het hof niet in haar belang. Ten slotte ziet het hof geen aanleiding om aan te nemen dat de betrokkene liever een professionele derde als bewindvoerder zou hebben dan een van beide kinderen. De slotsom 3.
  17. Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen. 3.
  18. Gezien de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. 4De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 20 maart 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, J.C.E. Ackermans-Wijn en S.P.A. Wensink-Vergunst en is op 5 december 2024 uitgesproken door mr. S.P.A. Wensink-Vergunst in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.