← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2024:3874

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 5 december 2024 Zaaknummer : 200.346.840/01 Zaaknummer EA : C/03/334578 / FT RK 24/428 in de zaak in hoger beroep van: [de curator] , in zijn hoedanigheid van curator in het op 6 december 2022 uitgesproken faillissement van [appellant] B.V. te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: [appellant] , appellant, hierna te noemen: de curator, advocaat: mr. G.E.R. Ummelen te Heerlen, tegen [verweerster] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster, hierna te noemen: [verweerster] . 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van 1 oktober 2024 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, waarbij de rechtbank het verzoek van de curator om [verweerster] in staat van faillissement te verklaren heeft afgewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. Bij beroepschrift heeft de curator het hof verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en [verweerster] alsnog failliet te verklaren. 2.
  2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november
  3. Bij die gelegenheid is de curator gehoord. [verweerster] was niet aanwezig. 2.
  4. Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gehouden op 1 oktober 2024; de nadere producties (nr. 11.1 t/m 13.2) ingediend namens de curator; de ter zitting overgelegde aanvullende stukken van de curator. 3De beoordeling 3.
  5. De rechtbank Limburg heeft het verzoek van de curator om [verweerster] in staat van faillissement te verklaren afgewezen bij vonnis van 1 oktober 2024, omdat het (nog) bestaan van een vordering op [verweerster] niet summierlijk vast is komen staan. 3.
  6. De curator heeft in hoger beroep – kort weergegeven – aangevoerd dat [appellant] betalingen aan schuldeisers van [verweerster] heeft verricht. Het gaat daarbij om de vordering van € 5.390,35 aan [advocatenkantoor 1] in 2019 en € 3.691,70 aan [advocatenkantoor 2] in 2020 en
  7. De werkzaamheden van beide advocatenkantoren zouden niet zien op [appellant] maar op [verweerster] . De curator stelt daarom een vordering op [verweerster] te hebben op basis van regres, de bijdrageplicht, subrogatie, de redelijkheid en billijkheid of ongerechtvaardigde verrijking. De curator stelt dat aan de betaling die [appellant] aan [advocatenkantoor 1] verrichtte een afspraak tussen [appellant] en [verweerster] ten grondslag lag. Ten aanzien van de vordering van [advocatenkantoor 2] heeft de curator verwezen naar de mantelovereenkomst met [verweerster] ( [advocatenkantoor 2] ) waarin partijen hoofdelijkheid zijn overeengekomen. Volgens de curator moet volgens de redacteur van de mantelovereenkomst ( [advocatenkantoor 2] ) hier [appellant] in plaats van [bedrijf ] worden gelezen. Daarnaast stelt de curator dat [verweerster] nog andere schuldeisers onbetaald laat. 3.
  8. Het hof overweegt het volgende. 3.3.
  9. Op grond van artikel 6 lid 3 Fw wordt de faillietverklaring uitgesproken indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen als bedoeld in artikel 1 Fw en, zo een schuldeiser het verzoek doet, ook van het bestaan van het vorderingsrecht van deze schuldeiser op schuldenaar. Het verzoek tot faillietverklaring moet dus worden afgewezen als niet op grond van een summier onderzoek is komen vast te staan dat de schuldeiser die het verzoek tot faillietverklaring heeft gedaan zelf een vordering heeft op de schuldenaar. 3.3.
  10. Het hof is van oordeel dat niet summierlijk is gebleken dat [appellant] ten aanzien van de betaling aan [advocatenkantoor 1] een vordering heeft op [verweerster] . Naar het oordeel van het volgt uit de door de curator ter zitting overgelegde stukken – waaronder specificaties van de declaraties – dat door (de advocaten van) [advocatenkantoor 1] (voornamelijk) werkzaamheden zijn verricht ten behoeve van de doorstart van [appellant] . De werkzaamheden van [advocatenkantoor 1] zijn er namelijk opgericht om [bedrijf ] (de voorganger van [appellant] ) op een goede manier failliet te laten gaan, zodat [appellant] een goede doorstart kon maken. Omdat [appellant] (nog) niet bestond, konden die werkzaamheden echter (nog) niet op naam van [appellant] worden gefactureerd. Maar dat doet er niet aan af dat het werkzaamheden zijn die (in ieder geval materieel) voor [appellant] zijn verricht. Op grond van artikel 9 van de koopovereenkomst tussen (de curator van) [bedrijf ] en [appellant] komen die kosten dan voor rekening van [appellant] (“Alle kosten (…) die een partij maakt in verband met (de uitvoering van) deze overeenkomst c.a. zijn voor rekening van die partij”). 3.3.
  11. Dat aan de betaling die [appellant] aan [advocatenkantoor 1] verrichtte de door de curator gestelde afspraak tussen [appellant] en [verweerster] ten grondslag lag en hoe die afspraak dan precies luidde, is naar het oordeel van het hof gezien het voorgaande niet voldoende gebleken. Aan de hand van de overgelegde stukken is immers ook niet uit te sluiten dat het tegenovergestelde is afgesproken. Namelijk dat de facturen op naam van [verweerster] mochten worden gezet omdat [appellant] nog niet bestond maar dat deze wel door [appellant] zouden worden betaald. 3.3.
  12. Ook ten aanzien van de tweede vordering van € 3.691,70 aan [advocatenkantoor 2] is het hof van oordeel dat deze vordering niet summierlijk is gebleken. Tussen de bestuurders van [appellant] en de curator is namelijk op 19 september 2023 een vaststellingsovereenkomst gesloten, resulterend in een betaling van € 107.500,= aan de boedel nadat de curator de bestuurders van [appellant] had gedagvaard en persoonlijk aansprakelijk gesteld. Dat bedrag, mede gebaseerd op de financiële mogelijkheden van de heer [betrokkene] , is ook betaald. Het verweer (in eerste aanleg) van [verweerster] dat de vordering van € 3.691,70 onder de vaststellingsovereenkomst valt en dat [appellant] dus geen vordering (meer) heeft op [verweerster] , omdat in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat de rekening-courantverhoudingen worden meegenomen, heeft de curator in het licht van de tekst van de vaststellingsovereenkomst en de daarbij spelende omstandigheden onvoldoende gemotiveerd weersproken. Voor zover de vordering niet onder de vaststellingsovereenkomst zou vallen, is dat door het hof niet summierlijk vast te stellen. 3.3.
  13. Daarbij komt dat de curator ten aanzien van de vordering van [advocatenkantoor 2] een beroep doet op de mantelovereenkomst waarin partijen hoofdelijkheid zijn overeengekomen, maar uit het vonnis van 25 september 2024 van de rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2024:6711) valt op te maken dat door de curator zelf in die procedure het argument is gevoerd dat [appellant] geen partij zou zijn bij die mantelovereenkomst. Dit heeft het hof overigens zelf moeten vaststellen nu de curator slechts (en nog maar deels) het standpunt van de wederpartij aan het hof kenbaar heeft gemaakt en de curator in deze procedure heeft verhuld wat zijn eigen standpunt in die procedure was. Naar het oordeel van het hof schuurt dat in het licht van artikel 21 Rv. 3.3.
  14. De slotsom is dat het bestaan van een vordering op [verweerster] niet summierlijk vast is komen staan. Het hof zal het verzoek van de curator afwijzen en de beschikking waarvan beroep bekrachtigen. 4De beslissing Het hof: wijst het verzoek af en bekrachtigt de beschikking waarvan beroep. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. Smits, R.R.M. de Moor en T. van Malssen en is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2024.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.