Parketnummer : 20-003959-16 OWV Uitspraak : 30 mei 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 december 2016 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 02-811163-06 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983, wonende te [adres] . Hoger beroep De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 276.341,- en heeft aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd van € 250.084,-. Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de betrokkene naar voren is gebracht. Procesafspraak In deze ontnemingszaak zijn de verdediging en het openbaar ministerie tot een procesafspraak gekomen. Tijdens de inhoudelijke behandeling op 21 maart 2024 is de procesafspraak door het hof met de betrokkene en zijn raadsvrouw besproken. De betrokkene heeft daarbij verklaard dat hij goed begrijpt wat de gemaakte afspraken inhouden en welke gevolgen deze voor hem en zijn zaak kunnen hebben. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat betrokkene vrijwillig, op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraak en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten, ook waar het gaat om de door de betrokkene te aanvaarden betalingsverplichting samenhangend met het wederrechtelijk verkregen voordeel. Vervolgens is de procesafspraak, zoals besproken tijdens voormelde terechtzitting, nogmaals door de advocaat-generaal neergelegd in een mailbericht van 13 mei 2024. Bij mail van dezelfde datum heeft de raadsvrouw van betrokkene bericht dat de advocaat-generaal de afspraak op juiste wijze heeft weergegeven. Ter zitting van 21 maart 2024 had het hof ingestemd met deze wijze van schriftelijke vastlegging van de procesafspraak in plaats van overlegging van een (getekende) raamovereenkomst. Ondanks de gemaakte procesafspraken behoudt het hof zijn eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting plaatsvindt in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke regeling. Dit betekent dat zij in de onderhavige zaak zelfstandig moet beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 36e Sr is voldaan. Inhoud procesafspraak De procesafspraak houdt in dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen voor wat betreft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel maar zal vernietigen ten aanzien van de opgelegde betalingsverplichting. Voorgesteld wordt om aan betrokkene een betalingsverplichting op te leggen van € 150.000,-. Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel Overeenkomstig de procesafspraak ziet het hof geen reden anders te oordelen omtrent het door de rechtbank geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 276.341,- In zoverre zal het hof het vonnis van de rechtbank bevestigen. Op te leggen betalingsverplichting Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De in de procesafspraak neergelegde betalingsverplichting van € 150.000,- komt het hof niet onredelijk voor zodat aan betrokkene een betalingsverplichting voor dat bedrag zal worden opgelegd. Gijzeling Met ingang van 1 januari 2020 heeft het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kracht van wet gekregen. Het hof zal daarom bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel tevens de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering in de onderhavige zaak ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt. Het hof hanteert, overeenkomstig de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde uitgangspunten, bij de berekening van de duur van deze gijzeling voor elke volle € 50,00 van de betalingsverplichting één dag. De maximale duur van de gijzeling bedraagt ingevolge artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht drie jaren. Gelet op de hoogte van de op te leggen betalingsverplichting zal het hof mitsdien de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd hierna bepalen op 1080 dagen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis ten aanzien van de opgelegde betalingsverplichting en doet in zoverre doet opnieuw recht: Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 150.000,00 (honderdvijftigduizend euro). Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige. Aldus gewezen door: mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter, mr. A.C. Bosch en mr. W.F. Koolen, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier, en op 30 mei 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. W.F. Koolen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.