Parketnummer : 20-002487-22 Uitspraak : 12 december 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 oktober 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-860056-19 tegen: [verdachte] geboren te [geboortegegevens] , wonende te [adresgegevens] Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte partieel vrijgesproken van hetgeen onder B aan verdachte is ten laste gelegd te weten – kort gezegd – het (schuld)witwassen van voorwerpen te weten meubels, inboedel, huisraad, stoffering, tuinhuis met veranda, aangebouwde serre, aangelegde tuin en van een of meer contante geldbedragen waarmee deze voorwerpen werden betaald. De rechtbank heeft de verdachte ter zake van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken (onderdeel A van de tenlastelegging); veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Voorts heeft de rechtbank de teruggave aan verdachte gelast van een woning gelegen aan [adresgegevens] . Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen. De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Ontvankelijkheid van het hoger beroep De verdachte is door de rechtbank partieel vrijgesproken van het onder B tenlastegelegde feit. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak van onderdeel B van de tenlastelegging. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat nog aan het oordeel van het hof is onderworpen. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met uitzondering van de bewijsmiddelen en de overwegingen met betrekking tot het bewijs zoals opgenomen op de pagina’s 3 tot en met 5 van het vonnis en onder aanvulling van de gronden. Bewijsmiddelen In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat in de voorfase onregelmatigheden zijn begaan, waardoor de resultaten uit die voorfase niet kunnen bijdragen aan het bewijs met vrijspraak tot gevolg. De verdediging heeft daarbij gewezen op een anonieme tip die niet als startpunt van het onderzoek kan dienen omdat de verdediging niet beschikt over de inhoud van de originele melding, en niet weet of de melding in zijn geheel in het dossier is opgenomen. Verder heeft de verdediging ten aanzien van het optreden van een wijkagent aangevoerd dat deze naar aanleiding van die anonieme melding de woning van verdachte is binnengegaan en daarmee het huisrecht heeft geschonden en dat dit handelen van de wijkagent verder niet is te controleren vanwege het ontbreken van een proces-verbaal. Tenslotte heeft de verdediging aangevoerd dat diverse instanties, zoals de gemeente en de belastingdienst, de hen toekomende controlebevoegdheden uitsluitend hebben aangewend ten behoeve van opsporingsactiviteiten tegen verdachte, derhalve voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheden zijn gegeven, hetgeen détournement de pouvoir oplevert. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. In zijn arrest van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, heeft de Hoge Raad onder het kopje ‘Vormverzuimen “bij het voorbereidend onderzoek” en daarbuiten het volgende overwogen: “2.2.1 De toepassing van artikel 359a Sv is onder meer beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” tegen de verdachte. Op grond van artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn in het bijzonder ook begrepen normschendingen bij de opsporing. Daarbij dient op grond van artikel 132a Sv onder opsporing te worden verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Daarnaast heeft “het voorbereidend onderzoek” in artikel 359a Sv uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in artikel 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Artikel 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. (Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rechtsoverweging 3.4.2 en HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:706, rechtsoverweging 4.3.) 2.2.2 Deze begrenzing tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” tegen de verdachte, sluit echter niet uit dat de vraag aan de orde kan komen of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a Sv ligt. In dit verband kan worden gedacht aan het verzuim van de officier van justitie om tijdig op grond van artikel 311 lid 1 Sv het voornemen tot het indienen van de ontnemingsvordering en/of het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek kenbaar te maken (HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN2297 en HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0251), het gebruik van de resultaten van het door een inlichtingen- en veiligheidsdienst ingestelde onderzoek (HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7544) en het optreden van een particuliere beveiliger (HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7501). Genoemd kan ook worden de rechtspraak waarin met betrekking tot onderzoek dat is verricht onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten van een andere tot het EVRM toegetreden staat, is aanvaard dat de Nederlandse strafrechter mag onderzoeken of het gebruik van de resultaten van dat onderzoek in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM (HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629).” Uit deze en andere rechtspraak van de Hoge Raad (...) volgt dat onder omstandigheden een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim door een ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, maar dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte zoals bedoeld in 2.2.1, of aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan zo’n opsporingsambtenaar. In deze rechtspraak worden criteria aangelegd die naar de bewoordingen niet steeds gelijkluidend zijn, maar waarin als algemene overkoepelende maatstaf besloten ligt dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. In het licht van deze vooropstelling stelt het hof het navolgende vast: In april 2017 is een melding via Meld Misdaad Anoniem gedaan met betrekking tot het perceel [adresgegevens] . De strekking van deze melding was dat de woning [adresgegevens] verbouwd werd en dat er voor die woning steeds een auto stond met het kenteken [nummer] . De laatste tijd stond die auto er tot laat in de avond, terwijl de bestuurder niet gezien werd in het te verbouwen huis. De melder vertrouwde het niet omdat naar zijn of haar mening zo'n type auto in verband gebracht kon worden met crimineel gedrag. Naar aanleiding van bovengenoemde melding is nader onderzoek gedaan door de wijkagent, die constateerde dat werklui druk bezig waren met de verbouwing van die woning en dat [verdachte] (hof: de verdachte), op dat moment nog woonachtig op het [adresgegevens] , de eigenaar was. Het kenteken [nummer] was afgegeven voor een zwarte Audi A5 Quattro op naam van [verdachte] . Uit overige politiesystemen bleek dat in 2015 een auto op naam van [verdachte] in beslag was genomen bij een hennepkwekerij te Boxmeer. Daarnaast was [verdachte] als subject opgenomen in een onderzoek ter zake de Opiumwet (hennep), waarbij [verdachte] een afnemer was van zgn. henneptenten. De hiervoor genoemde informatie werd ingebracht bij het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum Oost-Brabant (hierna: RIEC) en kreeg daar de naam " [naam] ". Vermogensvergelijking Naar aanleiding van bovenstaande werd door de belastingdienst een vermogensvergelijking opgemaakt van de bewoners van het pand [adresgegevens] . Voor die berekening is gebruik gemaakt van de gegevens uit ingediende aangiftebiljetten, beschikbare informatie die door administratieverplichtigden (zoals banken, gemeenten, kamer van koophandel e.d.) is aangeleverd, alsmede gegevens die door de binnen het RIEC samenwerkende (overheids-)partners in het kader van deze casus zijn verstrekt. Uit de vermogensvergelijking die werd opgemaakt op de inkomsten en uitgaven van verdachte [verdachte] en zijn echtgenote [naam] blijkt dat in de jaren van 2013 tot en met 2017 jaarlijks sprake was van een negatief resultaat. Dit houdt in dat er jaarlijks meer zou worden uitgegeven dan dat legaal aan inkomsten werd ontvangen. Naar aanleiding van bovenstaande werd op 1 februari 2019 door de Districtsrecherche 's-Hertogenbosch van de eenheid Oost Brabant, onder leiding van de officier van justitie, mr. [naam] , het strafrechtelijk onderzoek “ [naam] ” gestart. Het hof leidt uit vorenstaand verloop af dat hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht omtrent de anonieme melding, het handelen van de wijkagent en het inschakelen van onder meer het RIEC is gelegen buiten het bereik van “het voorbereidend onderzoek” als bedoeld in artikel 359a Sv. Immers pas op 1 februari 2019 – nadat de initieel nog weinig concrete aanwijzingen voor strafbaar handelen met betrekking tot het pand [adresgegevens] waren ‘verrijkt’ - is pas een strafrechtelijk onderzoek onder leiding van een officier van justitie opgestart. Uit hetgeen hiervoor is vooropgesteld volgt dat onder omstandigheden desalniettemin een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim door een ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, maar dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, of aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan zo’n opsporingsambtenaar. Daarbij is de algemene overkoepelende maatstaf dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. Allereerst zal derhalve vastgesteld moeten worden of er sprake is van een vormverzuim danwel een onrechtmatig handelen. Naar het oordeel van het hof is daarvan geen sprake. Ten aanzien van het gestelde omtrent de anonieme melding is het hof van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd waarom de anonieme melding onbetrouwbaar zou zijn. Nog daargelaten de betrouwbaarheid van (de inhoud van) die melding en daargelaten de omstandigheid dat de MMA-melding als zodanig niet als een afzonderlijk document in het dossier is opgenomen, blijkt uit ambtsedig opgemaakte processen-verbaal genoegzaam dat de desbetreffende anonieme melding daadwerkelijk is gedaan en dat deze aanleiding is geweest om nadere informatie in relatie tot die melding te vergaren en onder meer – voor de wijkagent - daartoe ter plaatse te gaan. Ten aanzien van het gestelde omtrent het optreden van de wijkagent is het hof van oordeel dat het standpunt dat de wijkagent de woning van verdachte zonder toestemming van dan wel tegen de verklaarde wil van de gebruiker/bewoner is binnengetreden, onvoldoende is onderbouwd en dat daarvan verder ook niet uit het dossier blijkt. Dit nog los van de vraag of in het bevestigende geval er sprake is geweest van een schending van het huisrecht van de verdachte, nu verdachte toen niet in die woning verbleef. Ten aanzien van het optreden van de in het verband van het RIEC samenwerkende instanties, zoals gemeente en belastingdienst is het hof van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd en ook voor het overige niet is gebleken dat deze de hen toekomende controlebevoegdheden uitsluitend hebben aangewend ten behoeve van opsporingsactiviteiten, derhalve voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheden zijn gegeven. Van detourment de pouvoir, zoals de verdediging heeft gesteld is dan ook geen sprake. Concluderend is het hof van oordeel dat er in de fase gelegen buiten het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv geen sprake is geweest van een vormverzuim of onrechtmatig handelen dat van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. Het daarop gegronde tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt verworpen. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het witwassen dient te worden vrijgesproken nu de geldbedragen waarmee de bouwwerkzaamheden aan de woning gelegen aan het [adresgegevens] zijn gefinancierd niet van enig misdrijf afkomstig zijn. De verdediging heeft gesteld dat de gelden afkomstig zijn uit een of meer van de navolgende legale bronnen: -(A) gespaard geld van schooltijd tot aan bruiloft; -(B) inkomsten uit bruiloft; -(C) verkoop van een gouden riem -(D) lening [naam] ; -(E) lening [naam] -(F) lening [naam] -(G) geld van [naam] (H) bancaire leningen, inkomsten uit yogapraktijk Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het gaat hier om het bewijs van het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”, zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (artikel 420bis e.v. van het Wetboek van Strafrecht). Eerdere rechtspraak van de Hoge Raad over dit thema kan als volgt worden samengevat. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.) In het licht van deze vooropstelling stelt het hof het navolgende vast. (A)Gespaard bedrag van schooltijd tot aan bruiloft Verklaring Verdachte heeft verklaard een bedrag van € 24.000 bij elkaar te hebben gespaard vanaf de schooltijd tot aan de bruiloft op 2 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.