Parketnummer : 20-001654-24 Uitspraak : 29 november 2024 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 maart 2018, parketnummer 02-144052-17 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987, wonende te [adres] . Hoger beroep en procesverloop Bij vonnis waarvan beroep d.d. 16 maart 2018 is de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. De politierechter heeft de verdachte ter zake van ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ (feit 1) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht naar rato van 2 uren per dag, en waarvan 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij zijn de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaard in hun respectievelijke vorderingen, waarbij is bepaald dat zij deze bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. Ten slotte is de onttrekking aan het verkeer bevolen van het onder de verdachte in beslag genomen valmes. Van de zijde van de verdachte is tegen dit vonnis tijdig hoger beroep ingesteld. Bij arrest van dit hof d.d. 28 december 2021 is bepaald dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] niet aan het oordeel van het hof onderworpen is en dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde. Vervolgens is voormeld vonnis voor het overige vernietigd en heeft het hof de verdachte ter zake van ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd’ (feit 1) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht naar rato van 2 uren per dag. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van € 750,00 ter zake van immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij ter zake van het meer of anders gevorderde niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Ten slotte heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van het onder de verdachte in beslag genomen valmes. Van de zijde van de verdachte is tegen dit arrest tijdig beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van de Hoge Raad d.d. 18 juni 2024 is voormeld arrest van dit hof uitsluitend voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel vernietigd, is de zaak teruggewezen naar dit hof opdat deze ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en is het cassatieberoep voor het overige verworpen. Omvang van het hoger beroep Het arrest van dit hof d.d. 18 december 2021 is – zoals hiervoor vermeld – uitsluitend vernietigd voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, zodat het vonnis waarvan beroep d.d. 16 maart 2018 slechts in zoverre aan het oordeel van het hof onderworpen is. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – nog aan het oordeel van het hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering tot schadevergoeding. Daarnaast heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende aanleiding is om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Namens de verdachte is primair bepleit dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal afwijzen nu – voor wat betreft de gevorderde materiële schadevergoeding – geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de gestelde schade en – voor wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding – geen sprake is geweest van het oogmerk om schade toe te brengen aan de benadeelde partij. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof zal beslissen overeenkomstig hetgeen door de advocaat-generaal is gevorderd. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het beroepen vonnis – voor zover na terugwijzing aan het oordeel van het hof onderworpen – vernietigen en opnieuw rechtdoen omdat het hof tot een andere beslissing komt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] . Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van een totaalbedrag van € 2.007,37, bestaande uit een bedrag van € 507,37 ter zake van gestelde materiële schade en een bedrag van € 1.500,00 ter zake van gestelde immateriële schade. De benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Daarbij is bepaald dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het oorspronkelijk gevorderde bedrag. Het hof overweegt als volgt. Het hof zal de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde materiële schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu, naar het oordeel van het hof, onvoldoende is gebleken dat hij door verdachtes onder 1 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks de gestelde materiële schade heeft geleden. Het hof zal de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding eveneens niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu er naar het oordeel van het hof geen rechtsgrond (als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek) is om de gestelde immateriële schade toe te wijzen. Proceskosten Het hof zal de benadeelde partij – die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt – veroordelen in de gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover na terugwijzing aan het oordeel van het hof onderworpen: verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding; veroordeelt de benadeelde partij in de gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Aldus gewezen door: mr. L. Feraaune, voorzitter, mr. A.C. Bosch en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier, en op 29 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.