← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2024:4195

Parketnummer : 20-000089-23 Uitspraak : 13 december 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 maart 2017, parketnummer 03-659443-16 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 03-659184-15 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank: - de tenlastelegging – voor zover aan de verdachte ten laste is gelegd dat hij [zorggroep] heeft belaagd – partieel nietig verklaard; - de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de belaging van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] ; - de verdachte – gelet op de strekking van de overwegingen ten aanzien van [slachtoffer 11] in onderling verband en samenhang bezien – ter zake van belaging van die [slachtoffer 11] vrijgesproken; - de verdachte ter zake van belaging van [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest en met oplegging als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – een meldplicht, ambulante behandeling bij [psychiatrisch ziekenhuis] of een soortgelijke instelling en begeleiding/ondersteuning van het FACT-team ( [psychiatrisch ziekenhuis] ). Daarnaast zijn aan de verdachte vrijheidsbeperkende maatregelen opgelegd, inhoudende – kort weergegeven – een contact- en locatieverbod voor de duur van 2 jaren. Daarbij is vervangende hechtenis opgelegd voor de duur van 1 week voor iedere overtreding van de verboden. Deze bijzondere voorwaarden en vrijheidsbeperkende maatregelen zijn door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaard. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van de benadeelde partijen beslist dat de vordering tot schadevergoeding van: - [slachtoffer 13] wordt toegewezen tot een bedrag van € 608,96; - [slachtoffer 12] wordt toegewezen tot een bedrag van € 587,96; - [slachtoffer 14] wordt toegewezen tot een bedrag van € 593,00 - [slachtoffer 15] wordt toegewezen tot een bedrag van € 595,40; - [slachtoffer 16] wordt toegewezen tot een bedrag van € 594,86, waarbij alle vorderingen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, telkens met oplegging van de schadevergoedings-maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daarnaast is de verdachte veroordeeld in de kosten van de benadeelde partijen, ten tijde van het wijzen van het vonnis begroot op nihil en zijn de vorderingen van de benadeelde partijen voor het overige afgewezen. De rechtbank heeft voorts beslist dat de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen Stichting [zorggroep] en [slachtoffer 11] niet-ontvankelijk worden verklaard en dat de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten van de verdachte, ten tijde van het wijzen van het vonnis begroot op nihil. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de inbeslaggenomen GSM aan de verdachte dient te worden teruggeven en gelast dat de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 45 dagen (parketnummer 03-659184-15) geheel ten uitvoer zal worden gelegd. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 10 mei 2019, parketnummer 20-001190-17 de verdachte niet -ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van de tenlastegelegde belaging van [slachtoffer 11] en het vonnis waarvan beroep, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, vernietigd en in zoverre opnieuw rechtdoende: de dagvaarding nietig verklaard voor zover aan de verdachte ten laste is gelegd dat hij [zorggroep] heeft belaagd; het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging met betrekking tot de tenlastegelegde belaging van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] ; de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde belaging van [slachtoffer 12] en gelet hierop [slachtoffer 12] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding; het tenlastegelegde ten aanzien van [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] bewezenverklaard, het bewezenverklaarde gekwalificeerd als ‘belaging, meermalen gepleegd’ en de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan verbonden als bijzondere voorwaarde – kort gezegd – een contactverbod met de medewerkers van [zorggroep] . Het hof heeft deze bijzondere voorwaarde en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar verklaard; de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] heeft het hof ten aanzien van de immateriële schadevergoeding telkens toegewezen tot een bedrag van € 500,00 en voor het overige afgewezen en ten aanzien van de materiële schadevergoeding telkens toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr. de tenuitvoerlegging gelast van de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, met parketnummer 03-659184-15, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 45 dagen; de teruggave aan de verdachte gelast van de onder hem in beslag genomen en nog niet teruggegeven GSM. De verdachte heeft tegen voormeld arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 10 januari 2023 (nummer 21/02162) het arrest van het gerechtshof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over de tenlastegelegde belaging van [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] en de strafoplegging, en heeft de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teruggewezen opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep voor het overige verworpen. Omvang van het hoger beroep na terugwijzing De Hoge Raad heeft het arrest van het hof van 10 mei 2021 partieel vernietigd, te weten uitsluitend wat betreft het bewezenverklaarde ten aanzien van [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] en de strafoplegging. Dit betekent dat de overige door het hof genomen beslissingen waaronder de beslissing tot vrijspraak van de (impliciet cumulatief) tenlastegelegde belaging van [slachtoffer 12] , onherroepelijk zijn geworden. De omvang van het hoger beroep is na terugwijzing derhalve beperkt. Deze omvang moet in het voorliggende hoger beroep, blijkens het arrest van de Hoge Raad van 10 mei 2021, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd ten aanzien van [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] - en dientengevolge de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen - en de op te leggen straf. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft betrekking op het gedeelte dat na deze terugwijzing thans nog aan het oordeel van het hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad - gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep - voor zover na terugwijzing nog aan het oordeel van het hof onderworpen - zal vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de aan de verdachte tenlastegelegde belaging ten aanzien van [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 118 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan verbonden - kort gezegd -reclasseringstoezicht en een contactverbod met voormelde slachtoffers. De advocaat-generaal heeft verder gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] ter zake van de immateriële schade geheel worden toegewezen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente en telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr. De benadeelde partijen dienen, aldus de advocaat-generaal ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van de in beslag genomen GSM heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze, voor zover nog aanwezig, zal worden teruggegeven aan de verdachte. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf onder parketnummer 03-659184-15, dient te worden afgewezen. De raadsvrouw heeft primair integrale vrijspraak bepleit en bijgevolg dat de vorderingen van de benadeelde partijen worden afgewezen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verweer gevoerd ten aanzien van de strafoplegging en voor wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen het hof verzocht aan te sluiten bij de beslissingen van de rechtbank. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis - voor zover na terugwijzing nog aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging Aan de verdachte is - voor zover na terugwijzing aan het oordeel van het hof onderworpen -tenlastegelegd dat: hij, in of omstreeks de periode van 01 april 2016 tot en met 08 december 2016 te Lottum, in de gemeente Horst aan de Maas, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] en/of [slachtoffer 16] , allen werkzaam bij [zorggroep] , met het oogmerk voornoemde personen, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte meermalen, althans eenmaal - voornoemde personen opgezocht en/of gevolgd naar hun woning en/of hun werk en/of zich geruime tijd in de (onmiddellijke) nabijheid van de woning, de auto en/of de werkplekken van voornoemde personen opgehouden en/of - kaarten in de brievenbus van voornoemde personen gestopt en/of kaarten achter een ruitenwisser van de auto van voornoemde personen bevestigd/gedeponeerd en/of - een middelvinger naar voornoemde personen opgestoken. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Partiele vrijspraak ten aanzien van [slachtoffer 14] Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht is van belang wat de bewijsmiddelen inhouden met betrekking tot de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. [zorginstelling] -medewerkster [slachtoffer 14] heeft op 29 december 2016 klacht gedaan van stalking door verdachte (dossierpagina’s 48 en 49). [slachtoffer 14] heeft ten aanzien van de tenlastegelegde periode verklaard dat ze de verdachte op een donderdagavond in het voorjaar van 2016 bij de ingang van het [gebouw] in Lottum haar kant op zag lopen toen ze naar de ingang naast het [gebouw] liep om de sleutels van de dienstauto om te ruilen voor de sleutels van haar eigen auto. Toen zij omkeek zag ze dat hij haar nakeek en doorliep. Tijdens het verhoor bij de raadsheer-commissaris op 12 juni 2024 heeft zij verklaard dat de verdachte op dat moment niets tegen haar had gezegd en ook geen gebaren of bewegingen jegens haar had gemaakt. Verder heeft zij verklaard dat de verdachte meermaals zijn auto met opzet vlak naast haar auto had geparkeerd. Het hof acht het voorgaande onvoldoende om bewezen te achten dat de gedragingen van de verdachte ten opzichte van [slachtoffer 14] van een zodanige aard, duur, frequentie en intensiteit waren, dat kan worden gesproken van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 285b Sr. Derhalve is het hof - met de raadsvrouw - van oordeel dat de aan de verdachte (impliciet cumulatief) tenlastegelegde belaging van [slachtoffer 14] niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij, in de periode van 01 april 2016 tot en met 08 december 2016 te Lottum, in de gemeente Horst aan de Maas, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 13] , [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] , allen werkzaam bij [zorggroep] , met het oogmerk voornoemde personen te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte meermalen, - voornoemde personen gevolgd en/of zich geruime tijd in de (onmiddellijke) nabijheid van de auto en/of de werkplekken van voornoemde personen opgehouden, en - een middelvinger naar een van voornoemde personen opgestoken. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan. 1. Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 29 november 2016, pagina’s 30 t/m 34, voor zover inhoudende de verklaring van [aangever] : Zij verklaarde het volgende over het in de aanhef vermelde incident (stalking), tussen donderdag 7 april 2016 te 09:00 uur en dinsdag 29 november 2016 te 09:00 uur: Ik doe bij deze aangifte van stalking tegen [verdachte] . Ik doe dit namens 15 medewerkers van de wijkverpleging van het [zorginstelling] . Ik ben daar de manager. Deze medewerkers betreffen: (..) [slachtoffer 15] ; [slachtoffer 16] . [verdachte] is cliënt bij ons in zorg geweest in 2013. Dat is toen beëindigd omdat de zorgvraag ook afgelopen was. Toen is eigenlijk het stalkingsgedrag van [verdachte] begonnen. Hij is leden van ons wijkverplegingsteam stelselmatig gaan lastig gevallen. Er zijn ook meerdere malen aangiftes gedaan tegen hem en hij is ook meerdere malen veroordeeld hiervoor. De laatste veroordeling dateert van april 2016. Het is daarna echter onverminderd en zelfs erger doorgegaan. [verdachte] blijft alle medewerkers van ons wijkverplegingsteam [zorginstelling] lastig vallen. Alle medewerkers, maar ook tijdelijke vakantiekrachten, geven aan dat ze minimaal 1 maal per week een incident hebben met [verdachte] . Hieronder (…) voorbeeld(..) van incident(..) (…) vastgelegd in zogenaamde MIM-meldingen (meldingen incidenten medewerkers) een journaal wat wij gebruiken: [slachtoffer 13] : (het hof begrijpt dat kennelijk, gelet op het feit dat een vergelijkbare beschrijving van dit incident terugkomt in het verhoor van [slachtoffer 13] op pagina 47, terwijl in het verhoor van [slachtoffer 12] op pagina 44 een dergelijk incident niet wordt beschreven, wordt bedoeld: [slachtoffer 13] ) Het is bekend dat [verdachte] vaker bij ons kantoor gesignaleerd wordt. Zo ook afgelopen 2/6. Ik was op ons kantoor ( [locatie 2] ) toen ik naar de dienstauto liep. Toen ik in de auto zat (..) zag ik een auto stilstaan op ongeveer 50 meter afstand, dwars voor de uitrit. Toen ik weg wilde rijden zag ik dat het de heer [verdachte] was. Hij reed heel erg langzaam naar voren. Hij had het rechterraam voor geopend en hing helemaal richting dit raam zodat hij kon staren. Ik heb daarop mijn telefoon gepakt om te fotograferen, maar toen hij dit in de gaten kreeg reed hij weg. (…) Hij staat bij de dienstauto te wachten, hij staat bij privéauto’s van medewerksters te wachten. Hij staat zelfs bij zorgcliënten voor de deur. Kennelijk weet hij nagenoeg alle zorgcliënten in Lottum te wonen en weet hij wanneer deze zorg krijgen. Hij staat dan achter muren en struiken enigszins verdekt opgesteld te kijken naar de medewerkster. Maar hij zal zich meestal ook gewoon tonen, het lijkt erop alsof hij juist graag gezien wil worden. Er zijn ook meerdere voorvallen geweest dat hij in zijn auto achter een medewerkster aan rijdt, of ze tegemoet komt rijden. Hij heeft in meerdere gevallen dan geknipperd met de lichten van zijn auto en ging zelfs meerdere malen op de verkeerde weghelft rijden waarna hij op het laatste moment uitweek zodat er net geen botsing ontstond met een van onze medewerksters in onze dienstauto. Alle voornoemde medewerksters zijn zonder uitzondering zeer bang voor hem. Het beïnvloedt hun manier van werken maar ook vooral hun werkvreugde. Het heeft een enorme impact op deze vrouwen, die altijd alleen hun werk moeten doen en dus alleen op pad zijn. Ze hebben voor aanvang van dienst al angst om te moeten beginnen. Een

(1)collega is al overgeplaatst door deze situatie, een ander zit op dit moment ziek thuis door deze situatie en weer een ander heeft ook aangegeven het nagenoeg niet meer te trekken. Een voor een beginnen ze aan te geven dat alle grenzen zijn bereikt en dat ze zo hun werk niet meer uit kunnen en willen voeren. Meerdere collega’s uit deze groep vragen me of ze geen avonddiensten meer hoeven te draaien door deze situatie. De voorvallen gebeuren zowel overdag als ’s avonds, maar in de avonduren vooral nu het weer vroeger donker wordt is men nog angstiger. Ik heb zelfs vernomen dat tenminste 2 ouders van 2 jongere medewerksters mee op dienst zijn geweest omdat zij te bang waren om in de avonduren alleen te werken. Bang om [verdachte] weer tegen te komen. [verdachte] heeft tot nu toe nog nooit fysiek iemand aangeraakt, maar zijn gedrag is zo intimiderend dat men oprecht bang is dat hij een volgende keer wel die grens over gaat. Men vraagt zich af waartoe [verdachte] in staat is. Hij gaat steeds verder en verder en houdt nooit op. Hij is nu meerdere keren aangehouden en veroordeeld. Hij heeft gesprekken met de politie gehad en ook vanuit onze organisatie is hij meerdere malen aangesproken op zijn gedrag. Het helpt allemaal niets, helemaal niets. Hij gaat onverminderd door, sterker nog, zijn gedrag wordt steeds erger en hij is steeds opdringeriger. Afgezien van het feit dat dit een grote impact heeft op de medewerksters zelf en hun persoonlijke levenssfeer is er ook een groot probleem ontstaan voor onze zorgverlening.
  1. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 november 2016, pagina’s 58 t/m 61, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] : In mijn hoedanigheid als wijkagent van Horst aan de Maas relateer ik de volgende bevindingen over de mij bekende [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] . [verdachte] is jarenlang verpleegd geweest aan zijn woning door medewerksters van de Thuiszorg. Omdat [verdachte] verliefd werd op een medewerkster werd het contract met de thuiszorg verbroken. Hierna begon [verdachte] met het stalken van de medewerksters van de thuiszorg. Dit is medio 2013 begonnen. [verdachte] woont in het centrum van Lottum. Midden in het centrum van Lottum ligt [gebouw] . De medewerksters van de thuiszorg hebben één thuiszorgauto ter beschikking. Zij werken altijd alleen. Zij rijden hun route in de omgeving van Lottum en hebben ook enkele cliënten in Lottum zelf. Wanneer hun dienst er op zit parkeren zij hun dienstauto voor [gebouw] , duwen daar de sleutel in een afgesloten brievenbus en dragen de dienst telefonisch over aan de volgende. Dan stappen ze in hun privéauto welke tegenover [gebouw] geparkeerd staat. Dit is een kleine parkeerplaats welke redelijk verlicht is. De volgende dienst pakt vervolgens weer de dienstauto en gaat route rijden. Eerder parkeerde ze hun auto’s achter [gebouw] . Omdat [verdachte] daar ook altijd stond en dit een redelijk donkere plek was, is men aan de voorzijde gaan parkeren. De verlichting weerhoudt [verdachte] echter ook niet. [verdachte] volgt onder andere de medewerksters per auto naar hun woningen, staat op de parkeerplaats van [gebouw] te kijken, loopt naar de medewerksters toe en kijkt hun bedreigend aan, maar zegt niets. Staat uit het niets ineens voor hun, staat op locaties van cliënten voor de deur en achtervolgt ze met de auto. Er zijn al medewerksters naar andere regio’s gaan werken en ook vonden er ziekmeldingen plaats naar aanleiding van zijn gedrag. De medewerksters zijn erg angstig en bang voor [verdachte] . VEROORDELINGEN [verdachte] TERZAKE STALKING [verdachte] is in 2011 veroordeeld voor schennis der eerbaarheid en daarna een aantal maal ter zake van stalking. [verdachte] is op 28 april 2014 veroordeeld tot 1 maand gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaar, onherroepelijk, ingaande op 13 mei 2014 tot 12 mei
  2. Het gedrag van [verdachte] veranderde niet na deze uitspraak. Zaken werden weer gestapeld met als gevolg een tweede veroordeling. 21 april 2016 uitspraak meervoudige kamer: 60 dagen waarvan 15 dagen onvoorwaardelijk, (deze dagen had hij al in voorarrest gezeten), taakstraf van 30 uur, 3 jaar lang reclassering en verplicht behandelen bij VvGI.
  3. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 29 december 2016, pagina’s 42 t/m 43, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige] : Ik ben werkzaam bij het [zorginstelling] . Ik ben hier werkzaam als wijkverzorgende. Ik ben niet persoonlijk lastig gevallen door [verdachte] , maar ik hoorde van collega’s wel dat ze regelmatig werden lastiggevallen door [verdachte] . Ik hoorde dat collega’s regelmatig geconfronteerd c.q. lastiggevallen werden door [verdachte] als ze hun dienstauto gingen omruilen. Het lastigvallen van collega’s door [verdachte] gebeurd voornamelijk op donderdagavond. Dit omdat [verdachte] doet biljarten bij het [gebouw] . [verdachte] kan dan vanuit het biljarten zien dat mijn collega’s terugkomen bij het [gebouw] . [verdachte] gaat dan op het moment dat mijn collega’s de auto omruilen buiten staan kijken of zelfs voor mijn collega’s staan. Het stelselmatig lastigvallen van mijn collega’s door [verdachte] heeft veel impact binnen ons team. Zo durven diverse collega’s niet meer zelfstandig hun werkzaamheden uit te voeren. Dit omdat ze bang zijn om lastig gevallen te worden tijdens hun werk. Ikzelf ben ook angstiger geworden door dit feit. Dit omdat wij alleen werken en vaak op donkere afgelegen locaties komen. De meeste angst heb ik als ik mijn dienstauto moet omruilen.
  4. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 1 december 2016, pagina’s 35 t/m 37, voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 15] : Ik doe klacht tegen [verdachte] in verband met stalking. Deze stalking heeft een grote impact op mijn werk, levenssfeer, privéleven en gezin. En vooral ook op mijn mentale gezondheid. Ik vind het ontzettend belastend dat ik altijd op mijn hoede moet zijn of hij niet in de buurt is. In de zomer van 2016 (kennelijk op 28 juli 2016, gelet op het los proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van die datum), op een donderdag, was ik aan het tanken met de bedrijfsauto in Broekhuizen. In een zijstraatje 20 meter verderop zag ik een keet staan op 4 wielen en ik zag [verdachte] aan komen rijden in zijn auto. Ik zag dat hij zijn auto achter die keet ging stallen. Ik kon onder die keet door kijken omdat deze op wielen stond. Ik zag dan ook dat zijn auto daar bleef staan. Ook zag ik dat hij uitstapte omdat ik zijn voeten naast de auto op de grond terecht zag komen. Vervolgens zie ik hem om het hoekje van die keet naar mij kijken. Omdat het tankstation bemand was voelde ik mij veilig genoeg om mijn tanken te onderbreken. Ik rende naar hem toe, zo boos was ik. Ik kwam daar bij die keet aangerend en ik hoorde en zag die auto toen met piepende banden en hoge snelheid wegrijden. Gezien ik mijn auto nog bij het tankstation had staan zag ik dat de jongen en de vrouw van het tankstation naar buiten kwamen rennen. Ik stortte toen mentaal helemaal in en ze hebben me mee naar binnen genomen en daar kon ik mijn verhaal kwijt. Onlangs een keer, ik weet niet meer wanneer precies, had ik avonddienst. Ik had mijn avonddienst toen bijna klaar en ging mijn werkauto op het [locatie 1] ruilen voor mijn eigen auto. Ik had al in de gaten dat [verdachte] weer achter mij aan reed. En enkele malen kwam hij van de tegenovergestelde richting en passeerde mij. Ik zag dat hij op een hele intimiderende enge manier mij heel doordringend aankeek. Dat maakt me ontzettend angstig. Ik heb de sleutel in het sleutelkastje omgeruild. Ik weet dat hij toen ergens in de buurt stond maar hoe of wat weet ik verder niet. Ik durfde hem niet te zoeken en heb zo snel mogelijk die sleutel verwisseld omdat ik ontzettend bang ben om daar alleen in het donker te moeten lopen. In mijn eigen auto wilde ik naar mijn laatste zorgvraag in Grubbenvorst gaan en voordat ik van het plein in Lottum af was reed [verdachte] al weer langs me heen. Het was toen donker. Vervolgens ben ik gaan rijden richting Grubbenvorst en ben na 100 meter langs de weg gaan staan en daar heb ik de motor van de auto en de lichten uit gedaan om te kijken of hij mij zou gaan volgen naar Grubbenvorst. En dat deed hij, om 23:00 uur. Op die plek reed hij voorbij.
  5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 maart 2017 (los in het dossier), voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] : Naar aanleiding van een terugbelverzoek, op 28 juli 2016, van het [zorginstelling] , gevestigd op [adres 2] , gemeente Horst aan de Maas, om met hen contact op te nemen in verband met een stalkingzaak van [verdachte] , wonende [adres 3] , gemeente Horst aan de Maas, heb ik, [verbalisant 2] , telefonisch contact opgenomen en heb gesproken met [slachtoffer 15] van het [zorginstelling] . [slachtoffer 15] deelde mij, [verbalisant 2] , het volgende mede; [verdachte] had haar weer achtervolgd tot aan het Esso tankstation, gelegen aan de Lottumseweg, te Broekhuizen, gemeente Horst aan de Maas. [verdachte] was achter [slachtoffer 15] aangereden van Lottum naar Broekhuizen. [slachtoffer 15] is gestopt hij het tankstation in Broekhuizen om te tanken. [verdachte] is toen rechtdoor gereden en heeft zich verder gedraaid. [verdachte] is teruggereden richting tankstation en heeft zijn auto zodanig in het verlengde van een bouwkeet, die in de nabijheid van het tankstation stond, geparkeerd dat hij niet goed zichtbaar was voor [slachtoffer 15] . [verdachte] is toen uitgestapt en is om het hoekje van de bouwkeet gaan kijken wat [slachtoffer 15] aan het doen was. [slachtoffer 15] zag dat [verdachte] om het hoekje van de bouwkeet stond te kijken. Naar aanleiding van bovenstaande melding van [slachtoffer 15] zijn wij, [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , naar het tankstation in Broekhuizen gegaan, om navraag te doen wat er gebeurd was vandaag omstreeks 12.30 uur. [getuige 2] was op dat moment werkzaam op het tankstation waar [slachtoffer 15] had getankt. [getuige 2] bevestigde het voorval dat [slachtoffer 15] ons had medegedeeld. Hierna zijn wij, verbalisanten, bij [verdachte] aangegaan. [verdachte] geconfronteerd met het feit dat hij [slachtoffer 15] naar huis wilde volgen. [verdachte] wist ons meteen te vertellen dat [slachtoffer 15] klaar was met haar werk. 6 . Een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van de rechtbank Limburg van 16 maart 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte: (p. 4) U vraagt mij of ik privéauto's herken. Nee, nog lang niet. Ik herken er een stuk of vier. (p. 5) Dat incident bij het tankstation is wel gebeurd. (...) Ik zag mw. [slachtoffer 15] bij het tankstation staan. Ik stond achter die kar.
  6. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 14 december 2016, pagina’s 76 t/m 78, voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 15] : Zij deed aangifte en verklaarde het volgende over het in de aanhef vermelde incident (stalking), dat plaatsvond op de locatie Horsterdijk, Lottum, tussen donderdag 8 december 2016 te 21:45 uur en donderdag 8 december 2016 te 21:55 uur: Ik ben werkzaam als verpleegkundige bij het [zorginstelling] , [zorginstelling] . We hebben sinds enkele jaren heel veel last van [verdachte] . [verdachte] is cliënt bij ons geweest en hij werd verzorgd door een collega van mij, een jaar of drie geleden. Vanaf dat moment valt [verdachte] alle medewerksters van ons team lastig. Hij wacht ons op bij de werkadressen waar we moeten zijn, hij volgt ons met zijn auto, hij rijdt ons tegemoet en wijkt dan op het laatst pas uit. Ik heb bovengenoemde zaken ook zelf ervaren. Ik heb hier ook al meerdere meldingen van gemaakt en eerder aangifte van gedaan. De donderdagen zijn altijd extra spannend voor ons. Dat is namelijk de avond dat [verdachte] gaat biljarten bij [gebouw] . Dat is gelegen tegenover de parkeerplaats waar wij altijd onze privéauto’s hebben staan en waar we na de dienst de dienstauto neer moeten zetten. [gebouw] is een [gebouw] dat aan de straatzijde hele grote ramen heeft. Het is er altijd fel verlicht binnen en zo kunnen we goed zien wie er binnen is en wat er gebeurt. Op die avonden was het nagenoeg altijd zo dat [verdachte] tijdens het omwisselen van onze dienst buiten stond of naar buiten kwam. Hij staat dan te kijken naar ons, soms maakte hij ook contact, op allerlei manieren. De donderdagavond is derhalve een avond waar ik echt tegenop zie als ik die dienst heb. Dat was vandaag nog erger omdat ik weet dat dhr. [verdachte] vorige week weer was aangehouden en dat hij die vrijdag in vrijheid was gegaan. Ik had voordat ik moest beginnen al een rotgevoel en ik was gespannen. Het heeft een behoorlijke impact op me wat die man allemaal doet. Vandaag, 8 december 2016 was ik dus samen met mijn collega [slachtoffer 3] aan het werk. We hadden de avonddienst. Omstreeks 21.45 uur zette ik, zoals altijd onze opvallende dienstauto van het [zorginstelling] op de parkeerplaats tegenover [gebouw] in Lottum. Ik leverde vervolgens de autosleutels in bij het appartementen-complex van [gebouw] . Ik stapte daarna, samen met mijn collega [slachtoffer 3] , samen in mijn privéauto. Ik weet dat [verdachte] mijn auto kent omdat hij vaker achter me aan is gereden. [slachtoffer 3] reed en we gingen vervolgens van de parkeerplaats af in de richting van de kerk en naast het [gebouw] . Ik zat op de bijrijdersplaats. Ik zag toen dat [verdachte] buiten stond. Ik herkende hem direct. Ik zat aan de zijde van het [gebouw] . Er brandde een lamp boven hem dus ik kon hem heel goed zien. Er was een afstand van enkele meters tussen ons. Ik zag dat hij me recht in de ogen keek en kwaad keek. Ik vond dat al echt bedreigend. Toen zag ik dat hij heel duidelijk zijn middelvinger naar me opstak. We hadden nog steeds oogcontact op dat moment. Ik heb direct de politie gebeld waarvan ik wist dat zij in de buurt waren in verband met het gedrag van [verdachte] . Zij hebben [verdachte] toen direct aangehouden in [gebouw] . Op het moment dat hij daar buiten stond en oogcontact maakte bevroor ik helemaal en zat ik stokstijf in de auto. Hij kwam heel dreigend over door zijn blik en doordat hij ook nog eens zijn middelvinger naar me uitstak. Ik begrijp het gewoon niet, hij gaat maar door. Nu heeft hij gezien dat er meteen politie is ingeschakeld en hij zal snappen dat dat door mij is gebeurd. Dat maakt me doodsbang.
  7. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 januari 2017, pagina’s 70 t/m 75, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte: Ik lees in de stukken dat ik met de lampen van de auto zou hebben geknipperd. Ik heb dat slechts 1 keer gedaan. Op de avond dat ik ben aangehouden (hof: 8 december 2016), was ik aanwezig in [gebouw] om te biljarten. Ik heb een partij moeten arbitreren tot ongeveer 20:30 uur. Na afloop van die partij ben ik naar een andere plek in dezelfde zaal gegaan. Vanaf die plek, waar ik toen ben gaan zitten, had ik zicht op de parkeerplaats en de weg tegenover [gebouw] . Ik schat dat het 21:00 uur was dat ik voor de eerste keer de [zorginstelling] auto voorbij zag komen. Ik heb daar zo vaak gebiljart en de dames van de thuiszorg heb ik nooit eerder al om 21:00 uur gezien. Ik hou dat wel in de gaten, ik weet zeker dat het normaal altijd 22:00 uur is. (...) Vervolgens ben ik in de deuropening gaan staan. Op dat moment kwam de auto voorbij van [slachtoffer 15] , volgens mij is dat een [auto 1] . [slachtoffer 15] heet met haar achternaam [slachtoffer 15] volgens mij. [slachtoffer 15] is een medewerker van het [zorginstelling] . De auto waarin [slachtoffer 15] rijdt is haar eigen auto. Ik maakte een gebaar met mijn vinger. Ik stak mijn middelvinger op naar [slachtoffer 15] . Ik stak mijn middelvinger op om mijn frustratie eruit te laten. Ik wilde mijn frustratie naar [slachtoffer 15] uiten. (...) Ik heb dat, zoals gezegd, wel vaker in de gaten gehouden.
  8. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 december 2016, pagina’s 84 t/m 86, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] : Gedurende ongeveer 3 jaar zijn er meldingen binnen gekomen bij de politie Horst Peel en Maas over de volgende persoon: [verdachte] . Deze meldingen, waaruit ook diverse aangiftes werden gedaan, betroffen klachten over stalkingsgedrag door [verdachte] naar medewerksters van de thuiszorg, [zorginstelling] en van [zorggroep] aldaar. Doordat het zoveel impact had binnen het team van het [zorginstelling] Lottum en de angst bij de medewerksters was dat de heer [verdachte] zich niet zou houden aan de gestelde voorwaarden heb ik besloten om post te vatten op de Horsterdijk, tegenover het voornoemde [gebouw] . Ik kwam daar die avond (het hof begrijpt: 8 december 2016) omstreeks 20.00 uur aan. Ik zag dat de [auto 2] voorzien van het kenteken [kenteken] vooraan op de parkeerplaats tegenover [gebouw] stond. Ik herkende deze auto als zijnde de auto van [verdachte] . De auto stond op de plaats waar zeer vaak de auto van het [zorginstelling] geparkeerd staat, direct aan de Horsterdijk. Het [gebouw] heeft over de gehele lengte grote ramen en binnen is er felle verlichting waardoor ik zeer goed kon zien welke personen er aanwezig waren in dat gedeelte van het pand. Ik herkende direct de mij ambtshalve bekende [verdachte] , waarmee ik in de hoedanigheid als wijkagent meerdere gesprekken heb gevoerd, en ik zag dat hij bij de biljarttafel stond en daar meedeed aan het spel. Tot 21.45 uur bleef [verdachte] binnen bij de biljarttafel. Ik had steeds zicht op hem. Omstreeks 21.45 uur kwam, zoals standaard gepland, het opvallende dienstvoertuig van het [zorginstelling] vanuit de richting van de kerk aanrijden, langs [gebouw] . Ik zag dat [verdachte] vanaf dat moment wel meerdere keren naar buiten keek. Ik zag dat de twee medewerksters van het [zorginstelling] de auto parkeerden op de parkeerplaats tegenover [gebouw] en dat een van hen vervolgens naar het naastgelegen appartementencomplex liep om kennelijk de sleutel in te leveren. Ik zag vervolgens dat de twee medewerksters in een privéauto stapten en rustig wegreden in de richting van de kerk, langs het voornoemde [gebouw] waar [verdachte] was. Ik zag op dat moment dat [verdachte] met versnelde pas naar de deur van het [gebouw] liep en dat hij de deur opende en in de deuropening, in het voorportaal bleef staan. Ik zag dat hij zich een beetje bukte, alsof hij in de auto van de medewerksters wilde kijken. Ik zag dat hij een norse uitdrukking had op zijn gezicht. Ik had vrij zicht op hem aangezien er een felle lamp schijnt bij de ingang van het pand, alsmede in het voorportaal. Ik zag dat hij vervolgens zijn middelvinger op stak naar de auto waar de twee medewerksters in zaten. Hij maakte nog een kleine beweging met de uitgestoken middelvinger van boven naar beneden alsof hij het gebaar als het ware kracht bij wilde zetten.
  9. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 28 december 2016, pagina’s 38 t/m 39, voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 16] : Ik doe hierbij klacht tegen [verdachte] ter zake stalking. Sinds 6 februari 2016 werk ik als leerlingverpleegkundige binnen het [zorginstelling] thuiszorgteam [naam] . Ik denk dat het in maart 2016 is geweest dat ik voor de eerste keer merkte dat [verdachte] mij volgde. Ik merkte dat hij mij achtervolgde op momenten dat ik in de dienstauto van het [zorginstelling] reed. Ik merkte dan dat hij mij achtervolgde met zijn eigen auto. Op enig moment herkende ik de kentekenplaat van [verdachte] , dan wist ik zeker dat hij me achtervolgde. Op momenten dat hij dat deed, reed hij in zijn auto achter mij aan. Hij volgde mij dan, maar bleef redelijk op afstand. Hij volgde me vaak tot aan Grubbenvorst en dan was ie ineens weg. Ik weet met zekerheid dat dit elke week is gebeurd, en dat zeker 2 keer in de week. In de zomer, in ieder geval in de maand augustus 2016, zat ik te werken in ons kantoor in [locatie 2] . In dat gebouw zitten wij op de eerste verdieping. Ik zag dat er een auto geparkeerd stond bij ons gebouw. Ik herkende de auto van [verdachte] en ik zag ook dat hij zelf in de auto zat. Ik weet nog dat het een bloedhete dag was. Daarom vond ik het ook zo raar dat hij in die auto zat. Ik weet nog dat hij daar enkele uren heeft gezeten. Ik voelde gewoon dat hij mij in de gaten aan het houden was. Toen ik na een aantal uren weer buiten kwam, keek ik hem recht in de ogen aan. Toen hij me zag reed hij meteen weg. Verder kan ik nog vertellen dat hij, [verdachte] , op de donderdagen mij steevast volgde als ik in dienst was. Donderdagavond is de avond dat [verdachte] gaat biljarten in [gebouw] in Lottum. Op momenten dat ik dan de auto ging halen of terugbrengen, kwam hij naar buiten lopen. Vanuit de biljartzaal heeft hij zicht op de parkeerplaats waar wij onze dienstauto parkeren. Op het moment dat hij dan naar buiten kwam, deed hij niks geks. Hij stond dan vaak te observeren en te kijken wat ik deed. Ik vind het verschrikkelijk dat [verdachte] mij blijft volgen. En niet mij alleen. Ik voel me onveilig tijdens mijn werk.. Ik kan mijn werk niet op mijn gemak doen. Mijn werk wordt ernstig beïnvloed door het gedrag van [verdachte] . Ik ben doodsbang voor het moment dat hij weer vrij komt. Ik ben zo bang dat hij dadelijk een keer helemaal de fout in gaat. Ik hoop echt dat het stalkinggedrag van [verdachte] nu gaat stoppen. Hij mag me niet meer volgen. Ik wil mijn werk onbelemmerd en vrij kunnen doen.
  10. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster, d.d. 29 december 2016, pagina’s 46 t/m 47, voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 13] : Ik wens klacht te doen tegen [verdachte] wegens stalking. Ik ben sinds vijf jaar werkzaam bij het [zorginstelling] , team [naam] , als kwaliteitsverpleegkundige. Mijn collega’s en ik rijden in een auto van het werk, zijnde een [auto 3] . De auto parkeren wij op het [locatie 1] in Lottum. De autosleutel hangen wij dan in een sleutelkastje, in de hal van [gebouw] . Eind 2013 had [verdachte] problemen met een collega van mij. Ik zag [verdachte] toen al regelmatig toen ik met mijn werk bezig was. Sindsdien heeft [verdachte] mij en mijn collega’s vaker gestalkt, waarbij hij met name in november en december zeer actief was. Aan deze periode heb ik veel frustratie over gehouden, aangezien ik mij machteloos voelde naar mijn collega’s toe. Sinds april 2016 heeft [verdachte] mij zeker zeven tot acht keer gestalkt. Deze momenten bevonden zich niet op dezelfde dagen of tijdstippen. Meerdere malen als ik de sleutel van de dienstauto ging terughangen, zag ik dat [verdachte] voorbij liep. Ik hoorde dat [verdachte] dan zei: “Hoi”, en vervolgens weer door liep. Toen ik later dit jaar bij een cliënt, [locatie 3] , werkzaam was, zag ik dat [verdachte] meerdere malen voorbij de woning van de cliënt liep. Ik zag dat hij de voorzijde van zijn lichaam richting het voorraam aanbood. Ik zag dat hij zeer langzaam voorbij liep. Ongeveer een minuut later zag ik dat [verdachte] wederom op dezelfde wijze langs het raam van de woning liep. Dit deed hij in totaal viermaal. Ik voelde dat ik bang was en mij geïntimideerd voelde om naar mijn auto te lopen na afloop van mijn werkzaamheden. Ik zag [verdachte] meerdere malen in zijn auto zitten, terwijl ik in [locatie 2] op kantoor was. Zodra ik naar huis wilde gaan, zag ik dat [verdachte] op een afstand in zijn auto zat en naar mij keek. Toen ik zijn kant op keek, zag ik dat hij vervolgens wegreed. Ik zag dat hij steeds in dezelfde auto zat, zijnde een [auto 2] met het kenteken [kenteken] . Tevens stond hij eenmaal bij het kantoor in [locatie 2] en zag ik dat hij zijn auto voor de inrit van de parkeerplaats had geparkeerd. Ik zag dat [verdachte] op de bestuurdersstoel zat en dat hij over de bijrijdersstoel hing en mijn kant op keek. Toen ik vervolgens weg wilde rijden, reed [verdachte] in een stevig tempo weg. Als ik ga werken en tijdens mijn werk kijk ik constant om mij heen en let ik op of ik iemand zie. Bewijsoverwegingen De raadsvrouw heeft op de gronden zoals neergelegd in haar pleitnota betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde belaging. Zij heeft daartoe ten aanzien van de individuele aangeefsters telkens aangevoerd primair dat er onvoldoende bewijs dan wel steunbewijs is voor de in de aangiften beschreven gedragingen, subsidiair dat niet kan worden bewezen dat de beschreven gedragingen, wederrechtelijk en van een zodanige aard, duur, frequentie en intensiteit zijn, dat kan worden gesproken van een stelselmatige opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Het hof overweegt als volgt. Voor een bewezenverklaring van belaging, op grond van artikel 285b, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, moeten de door de verdachte verrichte handelingen aangemerkt kunnen worden als een wederrechtelijke, stelselmatige en opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Voor de beoordeling van het bestanddeel ‘stelselmatig’ zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen volgt dat de verdachte het specifiek had voorzien op de medewerksters van [zorggroep] ( [zorginstelling] ), die werkzaam waren bij de vestiging in [locatie 4] . Voorts stelt het hof vast dat het lastigvallen van die medewerksters bij hen tot hinder, onrust en angstgevoelens heeft geleid, mede omdat zij hun werkzaamheden, zowel overdag als in de avond, veelal alleen moesten doen en zij niet wisten waartoe de verdachte in staat was. Als gevolg hiervan werden sommige zorgmedewerksters door hun partner of de politie begeleid naar het werk. Uit het dossier blijkt dat het lastigvallen onder meer bestond uit het wachten bij de werkplekken, alsmede zich ophouden in de nabijheid van de dienstauto en privéauto’s van de medewerksters op het moment dat zij de autosleutels naast [gebouw] omruilden en het achtervolgen van de medewerksters in hun auto. Het hof heeft in het bijzonder in aanmerking genomen dat er tussen de verdachte en de medewerksters van [zorggroep] al een voorgeschiedenis bestond, die heeft geresulteerd in twee eerdere onherroepelijke strafrechtelijke veroordelingen van de verdachte voor belaging van medewerkers van [zorggroep] . Dit betekent dat het hof in deze context voor de beoordeling van de vraag of sprake is van stalking (de wederrechtelijke, stelselmatige en opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer) per individuele zorgmedewerker genoegen neemt met relatief weinig incidenten. Het zal het verweer van de raadsvrouw hierna per aangeefster bespreken. Aangeefster [slachtoffer 16] Het hof is van oordeel dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer 16] wordt ondersteund door de verklaring van manager [aangever] , die heeft verklaard dat zij aangifte doet namens 15 medewerksters en [slachtoffer 16] noemt als één van deze medewerksters. [aangever] heeft voorts verklaard dat de medewerksters aangeven minimaal 1 keer per week te worden lastiggevallen door de verdachte. Mevrouw [getuige] , ook werkzaam bij het zorgteam, heeft weliswaar verklaard dat zij zelf niet door de verdachte is lastiggevallen, maar zij maakt wel melding van de omstandigheid dat het gedrag van de verdachte een grote impact heeft op haar team en dat dit lastigvallen vaak plaatsvindt op donderdagavond als haar collega’s de dienstauto omruilen bij [gebouw] . Zij heeft verklaard ook bij het ruilmoment angst te hebben. Ook haar verklaring ondersteunt de verklaring van aangeefster [slachtoffer 16] . Het hof acht derhalve voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden met betrekking tot de volgende gedragingen van de verdachte jegens [slachtoffer 16] , te weten het in zijn auto volgen van [slachtoffer 16] in haar dienstauto (2 keer per week), bij [gebouw] naar buiten komen lopen als zij daar op donderdagavond was voor het wisselen van de auto en haar dan observeren, alsmede het zich geruime tijd (enkele uren) ophouden op de parkeerplaats bij haar werkplek in [locatie 2] . Het argument van de raadsvrouw dat er geen sprake was van wederrechtelijkheid en het opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster omdat de verdachte niet beschikte over het werkrooster van aangeefster treft naar het oordeel van het hof geen doel. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij op de hoogte was van de momenten waarop de dienstauto van het [zorginstelling] voorbij zou rijden en bij [gebouw] zou parkeren om de sleutelwissel te doen en dat hij dat ook in de gaten hield. Dat de verdachte mogelijk niet wist wie er op een bepaald moment op het kantoor in [locatie 2] werkzaam was, staat ook aan het aannemen van opzet niet in de weg. Het gedrag van de verdachte lijkt immers veelal niet gericht te zijn geweest tegen specifieke personen, maar tegen aangeefsters in hun hoedanigheid als medewerksters van het [zorginstelling] . Gelet op de voorgeschiedenis moet het voor de verdachte duidelijk zijn geweest dat zijn aanwezigheid bij het kantoor van het [zorginstelling] tot angstgevoelens bij de medewerksters zou kunnen leiden, hetgeen betekent dat de verdachte in ieder geval voorwaardelijk opzet op het inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 16] moet hebben gehad. Ten aanzien van de vereiste stelselmatigheid van de gedragingen overweegt het hof dat in de aangifte inderdaad geen specifieke data of specifieke tijdstippen worden genoemd, maar dat de aangifte voldoende inzicht geeft in de frequentie waarop de gedragingen hebben plaatsgevonden binnen de tenlastegelegde periode (2 keer per week in de auto gevolgd, elke donderdag waarop zij dienst had worden opgewacht en geobserveerd bij de biljartzaal). Aangeefster [slachtoffer 13] Het hof is van oordeel dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer 13] wordt ondersteund door de verklaring van manager [aangever] , waarin een incidentmelding is opgenomen die betrekking heeft op [slachtoffer 13] . Het hof begrijpt dat hier kennelijk [slachtoffer 13] wordt bedoeld nu de inhoud van de melding overeenkomt met hetgeen in de aangifte van [slachtoffer 13] (op pagina 47) is opgenomen, gesproken wordt over ‘ [slachtoffer 13] ’ en in de verklaring van [slachtoffer 12] een dergelijke melding niet voorkomt. [aangever] heeft voorts verklaard dat zij uit de informatie van de medewerksters begreep dat zij minimaal 1 keer per week werden lastiggevallen door verdachte. De verklaring van [slachtoffer 13] wordt ook ondersteund door de eerdergenoemde verklaring van [getuige] , ook werkzaam bij het zorgteam [zorginstelling] . Het hof acht derhalve voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden met betrekking tot de volgende gedragingen van de verdachte jegens [slachtoffer 13] : het 7 tot 8 keer stalken sinds april 2016; het meerdere malen (4 keer) achter elkaar voorbij de woning van een cliënt lopen waar [slachtoffer 13] werkzaam was; het zich meerdere malen in zijn auto ophouden voor haar werkplek in [locatie 2] , en haar in de gaten houden als zij vertrekt. Dat de verdachte mogelijk niet wist wie er op een bepaald moment op het kantoor in [locatie 2] werkzaam was, staat ook hier niet aan het aannemen van opzet in de weg. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot aangeefster [slachtoffer 16] . Het hof vermag voorts niet in te zien waarom de verdachte 4 keer zeer langzaam langs een woning van een cliënt is gelopen waarbij hij, gelet op zijn naar het raam gerichte houding, kennelijk aan degene die binnen was duidelijk wilde maken dat hij daar aanwezig was. Ten aanzien van de vereiste stelselmatigheid van de gedragingen overweegt het hof dat in de aangifte inderdaad geen specifieke data of specifieke tijdstippen worden genoemd, maar dat de aangifte voldoende inzicht geeft in de frequentie waarop de gedragingen hebben plaatsgevonden binnen de tenlastegelegde periode. Aangeefster [slachtoffer 15] Naar het oordeel van het hof wordt de verklaring van aangeefster [slachtoffer 15] over het incident met betrekking tot de avonddienst voldoende ondersteund door de verklaring van manager [aangever] , die in haar aangifte verklaard dat zij deze namens 15 medewerksters doet en daarbij [slachtoffer 15] noemt als één van deze medewerksters. [aangever] heeft voorts verklaard dat de medewerksters aangeven minimaal 1 keer per week te worden lastiggevallen door verdachte. Voor wat betreft het incident bij het Esso-tankstation heeft de raadsvrouw betoogd dat er geen sprake was van opzet aan de zijde van de verdachte om inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 15] . Het hof leidt echter uit de door de verdachte bij de rechtbank afgelegde verklaring af dat hij het tankstation voorbij was gereden, via een andere weg terug was gereden en [slachtoffer 15] bij het tankstation had zien staan. Ook hetgeen de verdachte tegenover verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] heeft verklaard, namelijk dat hij wist dat [slachtoffer 15] klaar was met haar dienst, duidt er op dat hij haar op weg naar het tankstation heeft gevolgd. Als hij een confrontatie had willen vermijden, zoals door de raadsvrouw is gesteld, had het eerder voor de hand gelegen dat de verdachte bij het zien van [slachtoffer 15] het tankstation voorbij was gereden, in plaats van zich achter de bouwkeet op te stellen en [slachtoffer 15] vanaf die positie in de gaten te houden. Ten aanzien van de stelselmatigheid van de inbreuk overweegt het hof dat sprake is geweest van de volgende gedragingen van de verdachte binnen de tenlastegelegde periode: het in zijn auto volgen van [slachtoffer 15] in haar auto, het incident bij het Esso-tankstation op 28 juli 2016, bij [gebouw] naar buiten komen lopen als zij daar was voor het wisselen van de auto en haar dan observeren, alsmede het incident op 8 december 2016, waarbij verdachte zijn middelvinger heeft opgestoken naar [slachtoffer 15] . Conclusie: Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, (gelet op) de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op de persoonlijke levens en de persoonlijke vrijheden van [slachtoffer 16] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 15] – naar objectieve maatstaven bezien – zodanig zijn geweest, dat deze een stelselmatige inbreuk op hun persoonlijke levenssferen hebben opgeleverd. Mede gelet op al het voorgaande, is het hof van oordeel dat de namens de verdachte bepleite vrijspraak van de ten laste gelegde belagingen voldoende wordt weerlegd door de bewijsmiddelen, en heeft het hof geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging van [slachtoffer 16] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 15] schuldig heeft gemaakt, zodat het verweer van de raadsvrouw – in al zijn onderdelen – wordt verworpen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: belaging, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het bewezen-verklaarde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 118 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan verbonden reclasseringstoezicht en - kort gezegd - een contactverbod met voormelde slachtoffers. De raadsvrouw heeft bepleit dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd gelijk aan het voorarrest, en dat, ingeval het hof een deels voorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen daaraan geen bijzondere voorwaarden, zoals een contactverbod met aangeefsters, zullen worden verbonden. Het hof overweegt als volgt. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof neemt bij het bepalen van de straf in het bijzonder het navolgende in aanmerking. De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer acht maanden schuldig gemaakt aan belaging van drie medewerksters van [zorggroep] . Door de bewezen verklaarde belagingshandelingen heeft de verdachte een forse inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssferen van de slachtoffers. Belaging is een delict dat rechtstreeks raakt aan de privacy en het welbevinden van de belaagde en zal daardoor doorgaans forse psychische belasting opleveren. Slachtoffers van dit soort feiten ondervinden vaak nog jarenlang de gevolgen van de belaging. Dat blijkt ook hier, getuige de slachtofferverklaring die mevrouw [slachtoffer 16] ter terechtzitting in hoger beroep op 29 november 2024 heeft afgelegd. Het bewezenverklaarde heeft de slachtoffers enorm gehinderd in hun werk en heeft een grote impact gehad op hun welbevinden. Het hof rekent dit de verdachte aan. Bij de straftoemeting heeft het hof in het nadeel van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat hij blijkens het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 oktober 2024, in de vijf jaren voorafgaand aan het onderhavige feit, tweemaal eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van belaging (van medewerkers van het zelfde zorgteam van [zorggroep] ). De onderhavige feiten hebben zich afgespeeld gedurende de proeftijd van een van deze veroordelingen. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof tevens gelet op de inhoud van het Pro Justitia rapport inhoudende een psychologisch onderzoek d.d. 16 februari 2017, waarin door GZ-psycholoog [psycholoog] wordt geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde lijdende was aan een depressieve stoornis, dat het aannemelijk is dat deze stoornis van invloed is geweest op de tenlastegelegde gedragingen en dat het tenlastegelegde de verdachte derhalve in verminderde mate kan worden toegerekend. Daarnaast heeft het hof kennis genomen van het reclasseringsadvies d.d. 25 november 2024, waarin wordt gerapporteerd dat het risico op recidive en het onttrekken aan voorwaarden laag wordt geacht. Verder wordt gerapporteerd dat verdachte het ambulante behandel- en begeleidingstraject bij de [psychiatrisch ziekenhuis] positief heeft afgerond. Dat geldt ook voor het in mei 2024 beëindigde reclasseringstoezicht. De reclassering ziet gelet op de positieve voortgang van de laatste jaren en de omstandigheid dat er geen meldingen meer zijn geweest omtrent ongewenste contacten geen noodzaak meer voor verdere reclasseringsinterventies. De reclassering adviseert dan ook een eventuele straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering acht de verdachte, gelet op diens gezondheidsproblemen, tot het uitvoeren van een taakstraf niet in staat. Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Gelet op de aard en ernst van dit misdrijf is een gevangenisstraf naar het oordeel van het hof in beginsel zonder meer gerechtvaardigd. Het hof houdt bij het bepalen van de straf voorts rekening met de omstandigheid dat de verdachte van de belaging van [slachtoffer 14] wordt vrijgesproken. Het hof zal, gelet op het feit dat er inmiddels geruime tijd verstreken is sinds het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden, een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in de onderhavige zaak bij de eerste fase van het hoger beroep is overschreden. Immers is op 11 april 2017 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 10 mei 2021 - en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep - arrest heeft gewezen. De redelijke termijn in (de eerste fase van het) hoger beroep is hierdoor met circa 25 maanden overschreden, terwijl dit niet aan de verdachte valt toe te rekenen. Naar het oordeel van het hof zijn er geen bijzondere omstandigheden aanwezig die deze overschrijding rechtvaardigen. Het hof zal daarom aan die overschrijding consequenties verbinden. Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 190 dagen, waarvan 68 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 58 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, opleggen. Het hof ziet, mede gelet op de inhoud van voormeld reclasseringsadvies, geen aanleiding om aan het voorwaardelijk gedeelte van de straf bijzondere voorwaarden, zoals bijvoorbeeld een contactverbod met de slachtoffers, te verbinden. Niet is gebleken dat de verdachte nog direct of indirect contact heeft gezocht met de aangeefsters. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Vorderingen van de benadeelde partijen Algemeen De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vorderingen van de benadeelde partijen ten aanzien van de immateriële schade telkens geheel zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr en de benadeelde partijen ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat steeds moet worden aangesloten bij de beslissing van de rechtbank. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 13] De benadeelde partij [slachtoffer 13] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 858,96, bestaande uit € 108,96 aan materiële schade (gemiste werkuren) en € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 608,96, bestaande uit € 108,96 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is voor het overige afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. materiële schade De gevorderde materiële schade betreft een vergoeding van de gemiste diensten bij [zorggroep] voor het doen van aangifte en voor het voeren van gesprekken met de advocaat, politie en justitie. Indien de benadeelde partij ten tijde van het bewezenverklaarde in loondienst was bij [zorggroep] , geldt dat de werkgever ingevolge artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek mogelijk aansprakelijk is voor de schade die de benadeelde partij heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. Nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld of de benadeelde partij al dan niet in loondienst was en de gemaakte kosten derhalve zijn, of dienen te worden vergoed door de werkgever, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering ten aanzien van de materiële schade. immateriële schade Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin die bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. In de onderhavige zaak brengen de duur van de bewezen verklaarde periode, het systematische karakter en de intensiteit van het handelen van de verdachte en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, mee dat sprake is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 750,
  11. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 13] is toegebracht tot een bedrag van € 750,
  12. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14] De benadeelde partij [slachtoffer 14] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 843,00, bestaande uit € 93,00 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 593,00, bestaande uit € 93,00 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is voor het overige afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Nu aan verdachte ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [slachtoffer 14] in haar vordering niet worden ontvangen. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 15] De benadeelde partij [slachtoffer 15] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 845,40, bestaande uit € 95,40 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 595,40, bestaande uit € 94,50 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is voor het overige afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. materiële schade De gevorderde materiële schade betreft een vergoeding van de gemiste diensten bij [zorggroep] voor het doen van aangifte en voor het voeren van gesprekken met de advocaat, politie en justitie. Indien de benadeelde partij ten tijde van het bewezenverklaarde in loondienst was bij [zorggroep] , geldt dat de werkgever ingevolge artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek mogelijk aansprakelijk is voor de schade die de benadeelde partij heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. Nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld of de benadeelde partij al dan niet in loondienst was en de gemaakte kosten derhalve zijn, of dienen te worden vergoed door de werkgever, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering ten aanzien van de materiële schade. immateriële schade Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin die bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. In de onderhavige zaak brengen de duur van de bewezen verklaarde periode, het systematische karakter en de intensiteit van het handelen van de verdachte en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, mee dat sprake is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 750,
  13. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 15] is toegebracht tot een bedrag van € 750,
  14. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 16] De benadeelde partij [slachtoffer 16] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 844,86, bestaande uit € 94,86 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 594,86 bestaande uit € 94,86 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is voor het overige afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. materiële schade De gevorderde materiële schade betreft een vergoeding van de gemiste diensten bij [zorggroep] voor het doen van aangifte en voor het voeren van gesprekken met de advocaat, politie en justitie. Indien de benadeelde partij ten tijde van het bewezenverklaarde in loondienst was bij [zorggroep] , geldt dat de werkgever ingevolge artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek mogelijk aansprakelijk is voor de schade die de benadeelde partij heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. Nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld of de benadeelde partij al dan niet in loondienst was en de gemaakte kosten derhalve zijn, of dienen te worden vergoed door de werkgever, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering ten aanzien van de materiële schade. immateriële schade Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin die bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. In de onderhavige zaak brengen de duur van de bewezen verklaarde periode, het systematische karakter en de intensiteit van het handelen van de verdachte en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, mee dat sprake is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 750,
  15. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 15] is toegebracht tot een bedrag van € 750,
  16. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Vordering tenuitvoerlegging De officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft bij vordering van 6 februari 2017, de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 45 dagen, met een proeftijd van 3 jaren, opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 21 april 2016, met parketnummer 03-659184-
  17. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. De advocaat-generaal en de verdediging hebben afwijzing van de vordering gevorderd respectievelijk bepleit. Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen. Beslag Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven GSM (merk Samsung, goednummer 599004), nu het belang van strafvordering zich daar niet tegen verzet. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 58 (achtenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: GSM, merk Samsung (goednummer 599004). Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 13] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 13] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 13] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 december
  18. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14] Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 14] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 15] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 15] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 15] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 december
  19. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 16] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 16] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 16] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 december
  20. Wijst af de vordering van de officier van justitie van het arrondissement Limburg van 6 februari 2017, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Limburg van 21 april 2016, parketnummer 03-659184-15, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur 45 dagen, met een proeftijd van 3 jaar. Aldus gewezen door: mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter, mr. S.C. van Duijn en mr. M.M. Koevoets, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M.R.G.H. van Outheusden, griffier, en op 13 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken. In de volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de Politie Eenheid Limburg, district Noord- en Midden-Limburg, basisteam Horst/ Peel en Maas, proces-verbaalnummer PL2300-2017009342, sluitingsdatum 18 januari 2017, bestaande uit wettig opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, genummerd van 1 t/m 88.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.