← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2024:4196

Parketnummer : 20-000155-24 (OWV) Uitspraak : 28 november 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 9 januari 2024 op de vordering tot oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-015213-23 OWV tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 14 november 2024 alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op een bedrag van € 11.886,57 en aan de betrokkene een betalingsverplichting zal opleggen van gelijke hoogte. De raadsvrouw van de betrokkene heeft primair bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de ontnemingsvordering wegens de in de onderliggende strafzaak bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verweren gevoerd betreffende de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Vonnis waarvan beroep Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Het hof grondt zijn overtuiging dat de betrokkene voordeel heeft verkregen op de hierna (en in de voetnoten) genoemde wettige bewijsmiddelen en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van voornoemd voordeel. Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , brigadier van politie, met registratienummer PL2100-2023019911, gesloten op 27 maart 2023, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-

  1. De grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel De veroordeling De betrokkene is bij arrest van dit hof d.d. 28 november 2024 (parketnummer 20-000154-24) veroordeeld ter zake van – kort gezegd – medeplichtigheid aan het telen van een grote hoeveelheid hennep in de periode van 14 december 2022 tot en met 21 december
  2. De wettelijke grondslag Het hof ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen het oordeel dat de betrokkene door middel van het begaan van het onder feit 1 (subsidiair) bewezenverklaarde, te weten de medeplichtigheid aan het telen van een grote hoeveelheid hennep in de periode van 14 december 2022 tot en met 21 december 2022, een direct voordeel uit het strafbare feit als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten. Het hof overweegt daartoe als volgt. Opbrengsten In de woning van de betrokkene aan [adres 2] is op 21 december 2022 een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met daarin 268 hennepplanten. De betrokkene heeft reeds bij gelegenheid van zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij tot juni 2022 in de woning heeft gewoond en dat hij daarna zijn woning heeft onderverhuurd voor een bedrag van € 500,00 per maand. De betrokkene heeft ter terechtzitting van de politierechter en in hoger beroep verklaard dat hij tot en met december 2022 – zijnde de maand waarin de hennepkwekerij is ontdekt – de maandelijkse huurpenningen heeft ontvangen. Het hof acht het gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep derhalve aannemelijk dat de betrokkene een vergoeding heeft ontvangen voor het ter beschikking stellen van zijn woning in de vorm van huurpenningen. Het bedrag van € 500,00 komt het hof voorts niet onaannemelijk voor. Het hof acht het op grond van de bewijsmiddelen aannemelijk dat de betrokkene de huurpenningen heeft ontvangen met ingang van juli 2022, zijnde de eerste maand waarin de betrokkene de woning heeft onderverhuurd. De betrokkene heeft verklaard dat hij de huurpenningen heeft ontvangen per september
  3. Het hof acht die verklaring (in zoverre) ongeloofwaardig en schuift die terzijde. De huurpenningen vormden de afgesproken tegenprestatie voor de onderverhuur van de woning. Het hof vermag niet in te zien waarom de betrokkene diens woning in de maanden juli en augustus kosteloos zou hebben verhuurd. De woning is derhalve naar ’s hofs oordeel gedurende zes maanden door de betrokkene onderverhuurd. Het hof zal de totale opbrengsten hiervan daarom vaststellen op een bedrag van (6 x € 500,00 =) € 3.000,
  4. Dat de betrokkene door het ter beschikking stellen van zijn woning nog méér (ander) direct voordeel heeft genoten is niet gebleken. Kosten Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient tevens acht te worden geslagen op de door de betrokkene naar voren gebrachte, aannemelijk geworden, en redelijke kosten. Door of namens de betrokkene is in de eerste plaats niet gesteld dat sprake is geweest van kosten. Daarbij overweegt het hof dat betrokkene heeft verklaard dat hij de huurpenningen, die hij op zijn beurt als huurder jegens de verhuurder van de woning verschuldigd was, door de onderverhuurder vergoed heeft gekregen. Aldus is geen sprake van kosten. Resumé Uit het vorenstaande volgt dat het hof het totale geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt op: Opbrengsten € 3.000,00 Kosten € 0,00 -/- Wederrechtelijk verkregen voordeel € 3.000,00 (drieduizend) Op te leggen betalingsverplichting Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van een bedrag van € 3.000,00 aan de Staat der Nederlanden ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Gijzeling Met ingang van 1 januari 2020 heeft het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kracht van wet gekregen. Het hof zal daarom bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel tevens de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering in de onderhavige zaak ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt. Het hof hanteert, overeenkomstig de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde uitgangspunten, bij de berekening van de duur van deze gijzeling voor elke volle € 50,00 van de betalingsverplichting één dag. De maximale duur van de gijzeling bedraagt ingevolge artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht drie jaren. Gelet op de hoogte van de op te leggen betalingsverplichting zal het hof mitsdien de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd hierna bepalen op 60 dagen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro); legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro); bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 60 dagen. Aldus gewezen door: mr. S.C. van Duijn, voorzitter, mr. S. Riemens en mr. F. van Es, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier, en op 28 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. Van Duijn voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. Het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 27 maart 2023 (pg. 3-6), met fotobijlagen (pg. 7-31), inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] . Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 januari 2023 (pg. 60-66), inhoudende de verklaring van betrokkene [verdachte] . De verklaring van de betrokkene, zoals afgelegd terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 9 januari 2024, alsmede de verklaring van de betrokkene ter terechtzitting van het hof van 14 november 2024.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.