← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2024:4202

Parketnummer : 20-000527-24 Uitspraak : 20 november 2024 TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 7 februari 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-153491-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard, die gekwalificeerd als ‘oplichting’ (feit 1) respectievelijk ‘witwassen’ (feit 2), de verdachte deswege strafbaar verklaard en veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Voorts is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] , die is ingediend met betrekking tot het onder feit 1 tenlastegelegde, toegewezen tot een bedrag van € 3.958,55, bestaande uit materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Ten behoeve van het slachtoffer is tevens de schadevergoedingsmaatregel voor hetzelfde bedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf genoemde datum opgelegd. Voor het overige gedeelte van de vordering is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Ook is de verdachte in de proceskosten veroordeeld tot aan de datum van het vonnis begroot op nihil. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Omvang van het hoger beroep De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 4.792,55, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De vordering van de benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 3.958,55. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd voor het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Derhalve is de vordering tot schadevergoeding slechts aan het oordeel van het hof onderworpen, voor zover deze door de politierechter is toegewezen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met de kanttekening dat het hof de kennelijke verschrijving van de politierechter ten aanzien van het onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde geldbedrag en het toegewezen bedrag aan schadevergoeding verbeterd zal lezen, met dien verstande dat voornoemd bedrag € 3.985,55 bedraagt. Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit en subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 7 maart 2021 tot en met 22 augustus 2022 te Middelburg en/of te Amersfoort, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten afgifte van een geldbedrag van (in totaal) 4.905,55 euro, althans enig (groot) geldbedrag, en/of een pinpas en/of (bijbehorende) pincode, door - die [benadeelde] voor te houden dat hij, verdachte, geld nodig had, en/of - die [benadeelde] te vragen hem, verdachte, te helpen door geld naar hem, verdachte, over te maken, en/of - die [benadeelde] toe te zeggen dat hij, verdachte, het door die [benadeelde] overgemaakte geld zou terugbetalen, en/of - te veinzen dat hij, verdachte, investeerde in bitcoins, en/of - -te veinzen dat die [benadeelde] kon investeren in bitcoins, en/of - te veinzen dat die [benadeelde] zijn inleg ten behoeve van de investering in bitcoins naar hem, verdachte, kon overmaken, en/of - te veinzen dat een onbekend gebleven persoon de opbrengst van de investering in bitcoins naar die [benadeelde] zou overmaken en/of dat die [benadeelde] ten behoeve daarvan zijn pinpas en/of pincode af diende te geven. 2. hij in of omstreeks de periode van 7 maart 2021 tot en met 22 augustus 2022 te Middelburg en/of te Amersfoort, althans in Nederland, (van) een geldbedrag van (in totaal) 4.905,55 euro, althans enig geldbedrag, - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, en/of - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(

  1. n)op dat/die voorwerp(
  2. en)was/waren, en/of - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(
  3. en)voorhanden had(den), en/of - heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of - gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(
  4. en)- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1. hij in de periode van 1 januari 2022 tot en met 22 augustus 2022 in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten afgifte van een geldbedrag van (in totaal) 3.985,55 euro en een pinpas en (bijbehorende) pincode, door - te veinzen dat hij, verdachte, investeerde in bitcoins, en/of - te veinzen dat die [benadeelde] kon investeren in bitcoins, en/of - te veinzen dat die [benadeelde] zijn inleg ten behoeve van de investering in bitcoins naar hem, verdachte, kon overmaken, en/of - te veinzen dat een onbekend gebleven persoon de opbrengst van de investering in bitcoins naar die [benadeelde] zou overmaken en/of dat die [benadeelde] ten behoeve daarvan zijn pinpas en/of pincode af diende te geven. 2. hij in de periode van 1 januari 2022 tot en met 22 augustus 2022 in Nederland een geldbedrag heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist, dat dat voorwerp afkomstig was uit enig eigen misdrijf. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen I. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. II. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak voor beide tenlastegelegde feiten bepleit. Daartoe is – op gronden zoals nader in de pleitnotities verwoord – in de kern aangevoerd dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. Ten aanzien van feit 1 is door de raadsman van de verdachte gesteld dat hier sprake is van een unus testis‐regel, inhoudende dat de verklaring, dat de verdachte de aangever zou hebben ‘bewogen’ tot het overmaken van geldbedragen door hem (aangever) voor te houden dat hij kon investeren in bitcoins en zijn inleg terug zou krijgen, enkel en alleen, uit de koker van aangever komt. Volgens de verdediging vindt deze unus testis verklaring, in het bijzonder met betrekking tot de tenlastegelegde delictsbestanddelen, niet dan wel onvoldoende, (objectieve) en ondubbelzinnige bevestiging in (voldoende) wettige bewijsmiddelen. De raadsman betwist dan ook uitdrukkelijk de betrouwbaarheid van de aangifte van aangever. Daarnaast missen er volgens de verdediging in het dossier enkele, in de voorbereiding van de aangifte genoemde, bijlagen (‘Screenshots overboekingen’ en ‘Excelsheet) en wordt de authenticiteit en daarmee de (objectieve) betrouwbaarheid van de in het dossier gevoegde chatgesprekken (dossierpagina’s 42 tot en met 45) door de verdediging betwist, nu deze soort chatgesprekken makkelijk zijn na te maken en naar de authenticiteit hiervan verder geen onderzoek is gedaan. Volgens de verdediging heeft het er door het voornoemde minst genomen alle schijn van dat het aangever pas te heet onder de voeten werd, toen hij een brief kreeg van zijn bank, dat er sprake was van een frauduleuze overboeking van € 4.910,13. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman – in het verlengde van de voor feit 1 bepleite vrijspraak – het hof verzocht om de verdachte eveneens vrij te spreken, nu het gronddelict van het hierbij verweten witwassen immers de (onder feit 1 tenlastegelegde) oplichting is. Indien het hof zou komen tot een (al dan niet partiële) bewezenverklaring voor het onder feit 1 tenlastegelegde, wordt door de verdediging het volgende opgemerkt. Voor witwassen met oplichting als gronddelict is nodig dat het gronddelict is voltooid. Er moet in ieder geval onderscheid worden gemaakt tussen handelingen die bijdragen aan voltooiing van een delict en daaropvolgende handelingen die gaan over het verhullen, verbergen, verplaatsen of gebruiken van de opbrengst van dat delict. Op het moment dat er betaald werd op de rekening van verdachte is het gronddelict (indien het hof komt tot een veroordeling ter zake van feit 1) voltooid. Pas daarná kan er sprake zijn van witwassen met als gronddelict oplichting. Met andere woorden: als je het geld laat staan op je rekening, is er dus geen sprake van witwassen maar ‘enkel’ van een voltooide oplichting. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt allereerst voorop dat het moment van aangifte, te weten nadat aangever de brief van de [bank] d.d. 5 september 2022 heeft ontvangen, geen vreemd moment is, aangezien deze brief voor aangever de aanleiding is geweest voor het doen van aangifte. Aangever stond vanwege het feit dat zijn bankrekening wegens een frauduleuze overboeking van € 4.910,13 door de [bank] was geblokkeerd, met zijn rug tegen de muur en kon niet anders dan open kaart spelen naar zijn ouders toe. Het hof is dan ook van oordeel dat het de aangever, zoals de verdediging stelt, niet te heet onder de voeten werd, maar hij geen andere keuze had dan van het onder feit 1 tenlastegelegde aangifte te doen en het aan zijn ouders te vertellen. Feit 1 (oplichting) Ten aanzien van feit 1 is door de raadsman van de verdachte gesteld dat hier sprake is van een unus testis‐geval. Volgens het in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bewijsminimum kan het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige, in onderhavige zaak de aangever. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Deze bepaling betreft de tenlastelegging in haar geheel; niet is vereist dat elk onderdeel daarvan ook in ander bewijsmateriaal steun dient te vinden. Dit voorschrift betekent dat als van elkaar te onderscheiden beslissingen moeten worden aangemerkt enerzijds het oordeel dat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar is en anderzijds het oordeel dat de verklaring van het slachtoffer in ander bewijsmateriaal voldoende steun vindt. Het feit dat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar wordt geacht, kan niet op zichzelf als voldoende steunbewijs dienen. Een gebrek aan voldoende steunbewijs voor de verklaring van het slachtoffer kan dus niet worden gecompenseerd door een gemotiveerd oordeel dat die verklaring betrouwbaar is. Het steunbewijs dient voorts te zien op feiten en omstandigheden die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan de verdachte verweten gedraging(en). Het hof stelt dienaangaande vast dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van de aangever, nu zich in het dossier, naast de aangifte, ook chatgesprekken tussen de verdachte en aangever bevinden, die gaan over het betalen en inzetten van geld, alsmede de overzichten van de bankrekening van de verdachte, waarop onder andere te zien is dat de aangever via diverse betaalverzoeken geldbedragen overmaakt naar de bankrekening van de verdachte en de verdachte (telkens) kort nadat het geld door aangever wordt overgemaakt, een geldbedrag opneemt dan wel daarvan boodschappen betaalt en niet investeert in bitcoins. Dat de in de aangifte genoemde bijlagen niet direct achter de aangifte zijn gevoegd dan wel dat het onderhavig dossier een weinig overzichtelijk dossier betreft, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangever, aangezien deze verklaring zijn bevestiging vindt en ondubbelzinnig wordt ondersteund door de data en inhoud van de voornoemde bewijsmiddelen. Voorts valt er naar het oordeel van het hof – juist gelet op de gebruikte straattaal – ook niet te twijfelen aan de authenticiteit en daarmee de (objectieve) betrouwbaarheid van de zich in het dossier bevindende chatgesprekken. Om voorgaande redenen is naar het oordeel van het hof voldaan aan het bewijsminimumvoorschrift. Immers, zoals hiervoor reeds voorop is gesteld, heeft het bewijsminimumvoorschrift enkel betrekking op de gehele tenlastelegging en is niet vereist dat elk onderdeel daarvan in ander bewijsmateriaal steun vindt. Feit 2 (witwassen) Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging bepleit dat, indien het hof zou komen tot een bewezenverklaring voor het onder feit 1 tenlastegelegde, er ‘enkel’ sprake is van een voltooide oplichting en niet van witwassen, nu er voor een bewezenverklaring van witwassen gekeken moet worden naar de handelingen, die gaan over het verhullen, verbergen, verplaatsen of gebruiken van de opbrengst van het (grond)delict, die na de voltooide oplichting hebben plaatsgevonden. Het hof is van oordeel dat er, gelet op het feit dat telkens kort nadat er door aangever (op valse gronden) een geldbedrag op zijn, verdachtes, rekening wordt gestort, de verdachte een deel van dit geldbedrag opneemt dan wel daarvan boodschappen betaalt alsmede een deel hiervan doorsluist naar een andere bankrekening, en de verdachte voor de redengevende omstandigheden waaruit zijn betrokkenheid bij het tenlastegelegde blijkens de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, sprake is van handelingen die gaan over verwerven en voorhanden hebben van de opbrengst die onmiddellijk afkomstig is uit het eigen misdrijf als bewezenverklaard onder feit 1. De voor het overige door de verdediging gevoerde bewijsverweren vinden reeds hun weerlegging in de bewijsmiddelen. De gevoerde verweren, strekkende tot vrijspraak, worden derhalve verworpen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: oplichting. Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: eenvoudig witwassen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De verdediging heeft het hof verzocht om – gelet op het tijdsverloop in deze zaak, het feit dat de verdachte bij een bewezenverklaring had te gelden als ‘first offender’ en de omstandigheid dat de verdachte na de onderhavige feiten niet opnieuw met politie/justitie in aanraking is gekomen – te volstaan met een grotendeels voorwaardelijke werkstraf. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich in de periode van 1 januari 2022 tot en met 22 augustus 2022 schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [benadeelde] , door die [benadeelde] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag van in totaal € 3.985,55, door te veinzen dat hij, verdachte, investeerde in bitcoins, dat die [benadeelde] kon investeren in bitcoins en hij zijn inleg ten behoeve van de investering in bitcoins naar de verdachte kon overmaken alsmede dat een onbekend gebleven persoon de opbrengst van de investering in bitcoins naar die [benadeelde] zou overmaken en die [benadeelde] heeft bewogen tot afgifte van zijn bankpas en pincode ten behoeve van het feit dat de opbrengst van de investering in bitcoins naar hem zou worden overgemaakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte het door de aangever in hem gestelde vertrouwen geschonden en heeft hij kennelijk slechts uit eigen financieel gewin gehandeld. Het hof acht dat uiterst laakbaar. Voorts is bewezenverklaard dat de verdachte zich in de voornoemde periode schuldig heeft gemaakt aan eenvoudig witwassen van een geldbedrag, te weten de opbrengst van de hiervoor genoemde door verdachte zelf begane oplichting. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 september 2024, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof is namens de verdachte naar voren gebracht dat hij momenteel nog bij zijn moeder in [plaats] woont, haar helpt in het huishouden en een BBL-opleiding in de zorg volgt. Deze BBL‐opleiding is genaamd: ‘Helpende zorg en welzijn’ en duurt nog ongeveer 2 jaar. In het kader van die opleiding gaat de verdachte vanaf medio december van dit jaar werken bij een zorginstelling. Daarnaast ontvangt de verdachte inkomen van gemiddeld € 1.000,00 per maand door te werken bij een magazijn van de [bedrijf] . Dit inkomen is echter variabel; het aantal ‘werkbare dagen’ is afhankelijk van verdachtes opleiding. Alle omstandigheden afwegende acht het hof, evenals de politierechter en de advocaat-generaal, de oplegging van een taakstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis, passend en geboden Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Zoals reeds onder het kopje ‘Omvang van het hoger beroep’ is vastgesteld, heeft de benadeelde partij [benadeelde] zich in eerste aanleg in het strafproces tegen de verdachte gevoegd met een vordering, strekkende tot schadevergoeding. Aan het oordeel van het hof is slechts onderworpen voor zover het door de politierechter is toegewezen, te weten tot een bedrag van € 3.958,55, bestaande uit materiële schadevergoeding. Omdat de verdediging om vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde heeft verzocht dient de benadeelde partij volgens de raadsman in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair wordt door de verdediging verzocht de gevorderde schadevergoeding te matigen tot (enkel) de bedragen die door de benadeelde partij vanaf januari 2022 tot en met 10 juni 2022 (op diverse data in die periode) zijn overgeboekt op naam van de verdachte. Dat is dan met uitzondering van de overboekingen op 10 augustus 2022 (een bedrag van € 107,58 ten name van ‘ldk’), op 12 augustus 2022 (een bedrag van € 50,97 ten name van ‘TTT’) en op 22 augustus 2022 (een bedrag van € 110,00 ten name van ‘autistische incasso’). Daarvoor is volgens de verdediging telkens geen ‘koppeling’ c.q. rechtstreeks verband met (enig onrechtmatig handelen door) de verdachte aanwezig. Ten aanzien van deze bedragen dient de benadeelde partij naar het oordeel van de verdediging (telkens) niet-ontvankelijk te worden verklaard, dan wel dient de vordering voor wat die bedragen betreft (telkens) te worden afgewezen. Het hof overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het onder feit 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.717,00. Dat bedrag heeft – gelet op het schade-onderbouwingsformulier met bijlagen – betrekking op de bedragen die door de benadeelde partij vanaf 5 januari 2022 tot en met 10 juni 2022 op valse gronden zijn overgeboekt op naam van de verdachte. Het hof overweegt dat, indien de verdachte de benadeelde partij niet valselijk had geïnformeerd over het investeren in bitcoins, de schade van het slachtoffer niet zou zijn ontstaan. Er is voor dit bedrag aldus sprake van een rechtstreeks verband tussen de handelwijze van de verdachte en de ontstane materiële schade. Het hof is aldus – met de verdediging – van oordeel dat de gevorderde schadevergoeding ad € 3.985,55 dient te worden gematigd tot de bedragen die door de benadeelde partij vanaf januari 2022 tot en met 10 juni 2022 (op diverse data in die periode) zijn overgeboekt op naam van de verdachte. Aldus wordt een totaalbedrag van € 268,55 (de overboekingen op 10 augustus 2022 van een bedrag van € 107,58 ten name van ‘ldk’, op 12 augustus 2022 van een bedrag van € 50,97 ten name van ‘TTT’ en op 22 augustus 2022 van een bedrag van € 110,00 ten name van ‘autistische incasso’) in mindering gebracht op het totaalbedrag van € 3.985,55. Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dat deel van de vordering. De verdachte is tot vergoeding van die materiële schade gehouden, zodat de vordering tot € 3.717,00 toewijsbaar is. Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente, met ingang van de laatste dag van de bewezenverklaarde periode, te weten 22 augustus 2022, tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. De kosten daarvan worden tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 3.717,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 326 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.717,00 (drieduizend zevenhonderdzeventien euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2022 tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.717,00 (drieduizend zevenhonderdzeventien euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2022 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 47 (zevenenveertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Aldus gewezen door: mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter, mr. G.J. Schiffers en mr. CH.N.G.M. Starmans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. N. Koop, griffier, en op 20 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. CH.N.G.M. Starmans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.