Parketnummer : 20-003360-23 Uitspraak : 1 november 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 11 december 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-334187-22 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de rechtbank beslist dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk wordt toegewezen tot een bedrag van € 3.247,89, bestaande uit € 1.247,89 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade, waarvoor de verdachte hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf 17 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, en dat de vordering voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank beslist dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] gedeeltelijk wordt toegewezen tot een bedrag van € 4.230,90, bestaande uit € 1.230,90 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade, waarvoor de verdachte hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf 17 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, en dat de vordering voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard. Tot slot heeft de rechtbank beslist dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] gedeeltelijk wordt toegewezen tot een bedrag van € 944,56 bestaande uit materiële schade, waarvoor de verdachte hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf 17 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, en dat de vordering voor het meergevorderde aan materiële schade niet-ontvankelijk wordt verklaard en ten aanzien van de immateriële schadevergoeding en de PlayStation 4 wordt afgewezen. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens wat betreft de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] gedeeltelijk toe zal wijzen tot een bedrag van € 1.109,56, waarvoor de verdachte hoofdelijk aansprakelijk dient te worden gesteld, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren. De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met wijziging en aanvulling van de gronden waarop het berust en met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] . Het hof zal in zoverre opnieuw recht doen. Gelet op het andersluidende oordeel van het hof ten aanzien van de opgelegde straf, zal het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen. Bewijsoverweging De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, nu niet met wettig en overtuigend bewijs bewezen kan worden dat de verdachte de overval heeft gepleegd. Hierbij heeft de raadsman aangevoerd dat de handelingen van de verdachte niet als medeplegen gekwalificeerd kunnen worden. Het hof overweegt als volgt. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 17 november 2022 in de woning van voornoemde [slachtoffer 2] en haar man [slachtoffer 3] aan [adres 2] met geweld en onder bedreiging met geweld zijn overvallen door twee personen. Hierbij is de deur van de woning geforceerd. Vervolgens werd een vloeistof in hun ogen gespoten. Daarna werden hun polsen vastgebonden met tie-wraps die na de overval door getuige [getuige] zijn losgeknipt. Beide aangeefsters verklaren ook dat zij met de dood werden bedreigd en dat beide overvallers met kracht tegen hun bovenlichaam duwden en sloegen. De daders schreeuwden dat zij geld en goud wilden hebben van [slachtoffer 3] . Uiteindelijk zijn meerdere telefoons, sieraden en een paspoort van [slachtoffer 2] buitgemaakt. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard. Op 17 november 2022 was hij op school en werd hij gebeld door medeverdachte [medeverdachte 1] met de vraag of hij even wilde langskomen. Hij is toen na school naar Valkenburg gereisd en is toen samen met [medeverdachte 1] met de trein naar Maastricht gereisd. Vervolgens zijn zij met zijn tweeën naar het appartementencomplex gelopen. Bij de woning heeft [medeverdachte 1] hem om een stuk papier gevraagd, waarop de verdachte een papier uit zijn schrift heeft gepakt. Hij heeft toen gezien dat [medeverdachte 1] een propje van het papier maakte en dat vervolgens in het slot van de centrale toegangsdeur van het appartementencomplex deed. [medeverdachte 1] is toen het appartementencomplex binnen gegaan en de verdachte heeft buiten op [medeverdachte 1] gewacht. Vervolgens zijn zij samen weer naar Maastricht gegaan om rond te hangen. Een klein uurtje later zijn zei allebei naar huis gegaan. Enige tijd later werd verdachte gebeld door [medeverdachte 1] met de vraag of hij via een vriend van hem tape, tie-wraps en handschoenen kon regelen. De verdachte heeft toen zijn vriend gecontacteerd en is zo aan de verzochte goederen gekomen. Later op de avond is hij weer naar Maastricht gegaan en heeft hij de goederen aan [medeverdachte 1] geleverd. Aanvulling van de bewijsmiddelen met de in hoger beroep als getuige afgelegde verklaring van [medeverdachte 1] Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep als getuige het volgende verklaard. Op 17 november 2022 kwam hij [medeverdachte 2] tegen, de man bij wie hij een schuld ter hoogte van € 4.000,- had. [medeverdachte 2] zei tegen hem dat als hij hem zou helpen, de schuld voldaan zou zijn. [medeverdachte 2] pakte zijn smartphone en liet een adres aan [medeverdachte 1] zien. [medeverdachte 2] had aan [medeverdachte 1] duidelijk gemaakt dat Wasim hem een bedrag van € 20.000,- schuldig was. Vervolgens is [medeverdachte 1] samen met de verdachte naar het appartementencomplex aan de [adres 2] gegaan. [medeverdachte 1] is toen naar boven gelopen om te kijken hoe het ervan binnenuit zag. Vervolgens is hij weer naar beneden gelopen en vroeg hij of de verdachte een papiertje voor hem had. Hij heeft toen dit papiertje in het deurslot van de centrale toegangsdeur gedaan. Hij heeft dit gedaan omdat hij later met iemand terug zou gaan. [medeverdachte 1] heeft toen [medeverdachte 2] verteld wat hij bij het gebouw had gezien en dat hij een propje in de deur had gedaan. [medeverdachte 2] zei tegen hem dat zij contact zouden houden. [medeverdachte 1] is toen naar huis gegaan en heeft de verdachte gebeld om te vragen of zijn vriend van de bouwmarkt tie-wraps, handschoenen en tape voor hem kon regelen. De verdachte zei dat hij het via zijn vriend zou regelen. Later op de dag overhandigde de verdachte de spullen aan [medeverdachte 1] . Op een gegeven moment kreeg [medeverdachte 1] een bericht van [medeverdachte 2] en ging hij weer naar hem toe. [medeverdachte 2] zei tegen hem dat hij even bij het appartementencomplex moest gaan kijken. [medeverdachte 1] is toen samen met de verdachte een rondje gaan lopen en is bij het appartementencomplex gaan kijken. Hij zag dat de deur nog steeds open was. Hij is toen weer teruggegaan naar [medeverdachte 2] en is samen met [medeverdachte 2] naar het appartementencomplex gegaan. Zij stonden boven in het halletje bij de deuren van de appartementen. [medeverdachte 2] zei tegen [medeverdachte 1] dat hij het spionnetje dicht moest plakken. [medeverdachte 1] dit en toen stormde [medeverdachte 2] het appartement binnen. [medeverdachte 2] rende naar binnen. [medeverdachte 1] zag twee vrouwen binnen zitten en zag dat [medeverdachte 2] hen hard behandelde. De slachtoffers zijn op een gegeven moment vastgebonden en zij hebben gezocht naar waardevolle spullen. [medeverdachte 1] zag dat [medeverdachte 2] alle spullen van waarde in een zak deed. [medeverdachte 1] zag ook dat [medeverdachte 2] maar bleef schreeuwen. Toen zij door hadden dat er niet veel te halen viel, zijn zij weggegaan. [medeverdachte 1] heeft tegen verdachte gezegd “Geef mij je telefoon en bel je broertje daarmee even en als je iets raars hoort als je mij hoort roepen, kom mij helpen”. Buiten stond de verdachte en [medeverdachte 1] vertelde aan hem wat er was gebeurd. Conclusie De door de verdachte en de medeverdachte (als getuige) afgelegde verklaringen worden ondersteund door de bewijsmiddelen in het dossier, in het bijzonder door de aangetroffen DNA-sporen op de prop papier en het tape, de camerabeelden en de getuigenverklaringen. Het hof kwalificeert de rol van de verdachte als medeplegen. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit dient dan van voldoende gewicht te zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Uit voornoemde feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachte voorafgaand aan de overval in de aanwezigheid van [medeverdachte 1] is geweest en dat zij samen naar [adres 2] zijn gegaan. Voorts blijkt dat de verdachte bij het appartementencomplex een stuk papier uit zijn schrift aan [medeverdachte 1] heeft gegeven en dat hij toen heeft gezien dat [medeverdachte 1] dit stukje papier tot een propje verfrommelde en vervolgens in het slot van de centrale toegangsdeur stopte. Daarnaast heeft de verdachte op verzoek van [medeverdachte 1] bij zijn vriend goederen – te weten handschoenen, tape en tie-wraps – geregeld, die hij vervolgens aan Habibi heeft geleverd en die toen door [medeverdachte 1] bij de overval zijn gebruikt. Gelet op deze feitenconstellatie moet het voor verdachte duidelijk zijn geweest dat er een aanmerkelijke kans aanwezig was dat er een beroving gepleegd zou worden waarbij – gelet op de beschikbare tie-wraps - mogelijk ook geweld niet geschuwd zou worden. De verdachte is verder in de nabijheid van het appartementencomplex aanwezig geweest op het moment dat [medeverdachte 1] vertrokken was om de overval te gaan plegen. [medeverdachte 1] heeft bovendien tegen verdachte gezegd “Geef mij je telefoon en bel je broertje daarmee even en als je iets raars hoort, als je mij hoort roepen, kom mij helpen”. Ook na de overval is de verdachte in de aanwezigheid van [medeverdachte 1] geweest. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] is komen vast te staan. De bijdrage van de verdachte is naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Het hof acht daarmee het ten laste gelegde bewezen. Het verweer van de raadsman dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger is hiermee verworpen. Verbetering bewijsmiddelen Het hof heeft geconstateerd dat de verwijzingen naar de vindplaatsen van de bewijsmiddelen verbetering behoeven in de volgende zin: het onder voetnoot 1 op pagina 14 van het vonnis opgenomen bewijsmiddel komt te luiden als volgt: ‘Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Districtsrecherche Zuid-West-Limburg met proces-verbaalnummer LB3R022135 (onderzoek ‘Bavik’), gesloten d.d. 1 mei 2023, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 393.’; het onder voetnoot 8 op pagina 18 van het vonnis opgenomen bewijsmiddel komt te luiden als volgt: ‘Proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 november 2022, pag. 153 tot en met 164.’; het onder voetnoot 9 op pagina 19 van het vonnis opgenomen bewijsmiddel komt te luiden als volgt: ‘Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 december 2022, pag. 172 tot en met 176.’; het onder voetnoot 10 op pagina 19 van het vonnis opgenomen bewijsmiddel komt te luiden als volgt: ‘Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 december 2022, pag. 177 tot en met 183.’; het onder voetnoot 12 op pagina 19 van het vonnis opgenomen bewijsmiddel komt te luiden als volgt: ‘Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2023, pag. 259 tot en met 265.’; het onder voetnoot 13 op pagina 19 van het vonnis opgenomen bewijsmiddel komt te luiden als volgt: ‘Proces-verbaal forensisch onderzoek d.d. 21 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.