GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team Familie- en Jeugdrecht Uitspraak: 3 oktober 2024 Zaaknummer: 200.339.299/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/01/382972 / FA RK 22-2559 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. N.P. Scholte, tegen [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verweerster, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. L.G.P.A. van Putten-van den Heuvel. Deze zaak gaat over de wijziging van het ouderlijk gezag over de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010; [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
- In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 22 januari
- 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met producties van 21 maart 2024, op de griffie ingekomen op 22 maart 2024, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende zijn verzoek om samen met de moeder te worden belast met het gezag over de kinderen, alsnog toe te wijzen. 2.
- Bij verweerschrift met producties van 13 mei 2024, op de griffie ingekomen op diezelfde datum, heeft de moeder verzocht het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 augustus
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: de vader, bijgestaan door mr. Scholte; de moeder, bijgestaan door mr. Van Putten-Van den Heuvel; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ; 2.
- Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en heeft schriftelijk haar mening gegeven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud daarvan zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. 2.
- Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 13 december 2023; het V6 formulier met bijlagen van 17 juli 2024 van de advocaat van de vader; het V6 formulier met bijlagen van 16 augustus 2024 van de advocaat van de moeder. 3De beoordeling 3.
- De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader heeft de kinderen erkend. De moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderen wonen bij de moeder. 3.
- Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het verzoek van de vader om hem samen met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over de kinderen is afgewezen. 3.
- De vader kan zich niet verenigen met deze beslissing voor zover hierin zijn verzoek met betrekking tot het gezag is afgewezen en is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.
- De vader voert – samengevat – het volgende aan. Het wettelijk uitgangspunt is dat er gezamenlijk gezag tussen de ouders is. De rechtbank overwoog ten onrechte dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen partijen. De vader vervult een structurele rol in het leven van de kinderen. Tijdens de relatie nam hij samen met de moeder beslissingen aangaande de kinderen. Hij wil geen beslissingen tegenhouden. Hij wil op de hoogte blijven en toegang hebben tot informatie over de kinderen. Het is onbegrijpelijk dat de raad tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg terugkwam op het advies in het raadsrapport. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden. Het lukt de ouders nog steeds om samen afspraken te maken, ook al verloopt hun communicatie moeizaam. Een stroeve communicatie betekent niet dat er geen sprake kan zijn van gezamenlijk gezag. Dat er tussen de ouders geen goede verstandhouding is, was ten tijde van het onderzoek door de raad al bekend en desondanks adviseerde de raad in het rapport gezamenlijk gezag. De rechtbank overwoog ten onrechte dat met name de vader in zijn gedrag richting moeder en de kinderen laat zien dat hij kennelijk niet in staat is om het belang van de kinderen voorop te stellen. Verder is de procedure in eerste aanleg niet zorgvuldig verlopen doordat de rechter een door de moeder zelf ingediend stuk accepteerde en de vader zich hierop niet deugdelijk heeft kunnen voorbereiden en reageren. Tevens betwist hij de door de moeder aangehaalde voorbeelden. Hij stelt wel degelijk het belang van de kinderen voorop. Het is de moeder die last minute steeds de omgangsregeling wijzigt, terwijl de vader niet flexibel is vanwege zijn werk door het hele land. De moeder oefent continue controle en dwang uit, ook op de kinderen. Hij moest daarom besluiten dat [minderjarige 1] bij hem een andere telefoon heeft, omdat er anders allerlei informatie wordt doorgespeeld naar de moeder. De vader staat open voor hulpverlening. Hij voerde gesprekken met de praktijkondersteuner van de huisarts en heeft hulp van een psycholoog. Met [instantie 1] ( [instantie 1] ) wil hij aan de slag met het solo parallel ouderschap. 3.
- De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Er staat voldoende vast dat bij gezamenlijk gezag er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Tijdens de relatie lag de gehele verantwoordelijkheid voor de kinderen bij de moeder. Partijen kunnen geen afspraken met elkaar maken. De onderlinge communicatie en verstandhouding tussen partijen is ernstig verstoord. De vader is niet bereid om de moeder of de kinderen te helpen en hij wil enkel zijn eigen wensen doordrukken. Hij komt de moeder niet tegemoet in de omgangsregeling en stelt zich niet flexibel op. Er zijn stevige ruzies tussen de vader en [minderjarige 1] . Hij is niet in staat het belang van de kinderen voorop te stellen. De moeder vreest dat hij het gezag zal misbruiken. De moeder staat open voor hulpverlening. De kinderen hebben een coach via [instantie 1] . Ook de ouders kunnen via [instantie 1] een coach krijgen, de moeder gaat daar toestemming voor geven. De moeder heeft deze toestemming alleen niet voor de zomervakantie gegeven; in verband met de rust wilde zij die toestemming geven na afloop van de zomervakantie. Daarnaast ontvangt de moeder hulp van [instantie 2] . 3.
- De raad heeft bij gezamenlijk gezag grote zorgen dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen de ouders. De raad spreekt de hoop uit dat de ouders leren om met elkaar om te gaan. [instantie 1] gaat met de ouders werken aan het solo parallel ouderschap, maar het traject is nog niet gestart. Een veranderingsproces is nog ver weg. 3.
- Het hof overweegt als volgt. 3.7.
- Op grond van artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de tot het gezag bevoegde vader van een kind, die het gezag nooit samen met de moeder heeft uitgeoefend, hem samen met de moeder met het gezag belasten. Dit verzoek wordt slechts afgewezen indien (lid 2): er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 3.7.
- Uitgangspunt is dat een verzoek tot gezamenlijk ouderlijk gezag zoals het onderhavige wordt toegewezen. Een afwijzing van een dergelijk verzoek geschiedt slechts in de twee in artikel 1:253c lid 2 BW genoemde uitzonderingsgevallen. 3.7.
- Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren is het van belang dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, ligt gezamenlijk gezag in de rede, tenzij andere redenen eenhoofdig gezag noodzakelijk maken. 3.7.
- In het rapport van 5 juli 2023 adviseerde de raad om het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag toe te wijzen. Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 13 december 2023 kwam de raad hier op terug, omdat – zo leest het hof in de bestreden beschikking – de ouderstrijd na het raadsonderzoek onverminderd heftig was voortgegaan en de (geadviseerde) hulpverlening niet was gestart. In hoger beroep is gebleken dat de verstandhouding tussen partijen nog steeds moeizaam is en de onderlinge communicatie ernstig is verstoord. Het feit dat de communicatie tussen partijen niet goed verloopt en sinds het raadsonderzoek niet is verbeterd, brengt niet zonder meer met zich dat het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag moet worden afgewezen. Het hof verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Hoge Raad van 27 maart 2020 (ECLI:NL:HR: 2020:533) waarin is overwogen dat de rechter bij toepassing van artikel 1:253c lid 2 BW, ook indien is voldaan aan het klemcriterium, de ruimte heeft om gezamenlijk gezag toe te kennen. Die uitleg strookt volgens de Hoge Raad met het uitgangspunt dat bij een dergelijke beslissing zoveel mogelijk recht moet worden gedaan aan het belang van het kind. Het hof overweegt verder dat voor zover er sprake is van een situatie waarin de kinderen klem dreigen te raken tussen de ouders, het in deze zaak niet zozeer lijkt te zien op problemen ten aanzien van het nemen van gezagsbeslissingen, maar op de communicatie rondom de (uitvoering van de) omgangsregeling. 3.7.
- Zowel de vader als de moeder hebben hulpverlening geaccepteerd. De vader voert gesprekken met een psycholoog en bij de moeder is [instantie 2] betrokken. [instantie 1] is betrokken, ook bij de kinderen. De moeder gaf tijdens de mondelinge behandeling aan dat zij toestemming geeft aan [instantie 1] , zodat het traject voor solo parallel ouderschap kan starten. Het hof gaat ervan uit dat partijen zich in het belang van de kinderen ten volle hiervoor zullen inzetten. 3.7.
- Met inachtneming van het vorenstaande ziet het hof aanleiding om de beslissing over het gezag aan te houden in afwachting van de ontwikkelingen bij [instantie 1] . Het hof zal de raad verzoeken het hof over zes maanden te informeren over de stand van zaken en het hof gelijktijdig nogmaals te adviseren over de voorliggende gezagskwestie. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het bericht van de raad. 3.7.
- Op grond van het vorenstaande zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden. 4De beslissing Het hof: verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum een bericht uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen; houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 3 maart
- Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, J.C.E. Ackermans-Wijn, M.L.F.J. Schyns en is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.