GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 15 februari 2024 Zaaknummer : 200.334.816/01 Zaaknummer eerste aanleg : C/01/23/76 R in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. M.H.A.J. Slaats te Eindhoven. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 8 november 2023, waarbij de rechtbank het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de schuldsanering, heeft toegewezen. De rechtbank heeft daarbij de termijn bepaald op 18 maanden te rekenen vanaf 8 november 2023. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met één bijlage (een deel van het vonnis waarvan beroep), ingekomen ter griffie op 15 november 2023, heeft [appellant] het hof verzocht voormeld vonnis deels te vernietigen en te bepalen dat de 18-maanden termijn alsnog ingaat op de startdatum van het minnelijk traject althans op een datum voorafgaand aan 8 november 2023. 2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 januari 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord: [appellant] , bijgestaan door mr. Slaats en [de bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder. 2.3. Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van: - het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant gehouden op 20 september 2023; - de brief van 12 januari 2024 met bijlagen (waaronder het aanvangsverslag) van de bewindvoerder, ingekomen ter griffie van dit hof op 15 januari 2024; - het, op verzoek van het hof, door mr. Slaats nagezonden volledige vonnis waarvan beroep, ingekomen ter griffie van dit hof op 23 januari 2024; - de door mr. Slaats ingediende aanvullende stukken (procesdossier eerste aanleg), ingekomen ter griffie van dit hof op 24 januari 2024 en - de e-mail van 29 januari 2024 met producties (nr. 1 t/m 14) van mr. Slaats. 3De beoordeling 3.1. [appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. [appellant] heeft in aanvulling op zijn WSNP-verzoekschrift in zijn e-mail aan de rechtbank van 1 november 2023 de rechtbank verzocht om het verkorte traject uit te spreken in die zin dat de termijn van de WSNP op de voet van artikel 349a lid 1 Fw korter zal zijn dan 18 maanden. 3.2. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] toegewezen en de termijn bepaald op 18 maanden te rekenen vanaf 8 november 2023 (de datum van het vonnis). 3.3. [appellant] kan zich met deze beslissing niet geheel verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de termijn heeft bepaald op 18 maanden te rekenen vanaf 8 november 2023. [appellant] heeft bij zijn toelatingsverzoek verzocht om het verkorte traject. [appellant] heeft op 1 november 2023 nadere stukken bij de rechtbank aangeleverd ter onderbouwing van zijn verzoek om de termijn te laten ingaan (primair) met ingang van de startdatum van het minnelijk traject danwel (subsidiair) met ingang van een voor 8 november 2023 gelegen datum waarop kan worden vastgesteld dat [appellant] aan de vereisten heeft voldaan. Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt dat deze stukken wel door de rechtbank zijn ontvangen, maar uit de overwegingen volgt volgens [appellant] in het geheel niet waarom op dit verzoek van [appellant] niet (positief) is beslist. 3.3.1. Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – het volgende toegevoegd. Op 12 juli 2022 heeft hij de schuldregelingsovereenkomst getekend met de gemeente. Hierin staat onder andere dat de schuldhulpverlenende instelling alle inkomsten van de cliënt boven het VTLB reserveert ten behoeve van de schuldeisers. In die periode ontving [appellant] een Participatiewet-uitkering. Op de uitkeringsspecificaties stond vermeld ‘inhouding debiteuren compensatie’ met een bedrag daarachter. Op basis hiervan ging hij ervan uit dat hij spaarde voor alle schuldeisers. Later bleek dat de gemeente geld inhield op de Participatiewet-uitkering ten behoeve van haarzelf, namelijk ter compensatie van een vordering die zij op [appellant] had. Volgens [appellant] heeft de gemeente zich bevoordeeld ten opzichte van de andere schuldeisers. Dat de gemeente een deel heeft ingehouden op de Participatiewet-uitkering ten behoeve van zichzelf en dat het bedrag niet aan alle schuldeisers is toegekomen, kan [appellant] niet verweten worden. [appellant] stelt dat hij er gezien het bepaalde in de schuldregelingsovereenkomst namelijk op mocht vertrouwen dat de inhouding ten behoeve van alle schuldeisers zou zijn. [appellant] heeft aangegeven dat hij veel zorgen heeft gehad over zijn dochter en dat hem in het kader van de Participatiewet een rusttraject was gegeven. Dit is in overleg gegaan met [medewerker 1] , medewerker [team] van [bedrijf 1] , en [bedrijf 2] . Omdat de gemeente [gemeente] er geen twijfel over had dat [appellant] niet in staat was om te werken, is er geen verzekeringsarts ingeschakeld. Volgens [appellant] is dit rusttraject ook afgestemd met de medewerker van de schulddienstverlening, zijnde [medewerker 2] . [appellant] heeft wel circa twee uur per week vrijwilligerswerk gedaan voor de cliëntenraad van de jeugdbescherming. [appellant] heeft het hof verzocht 12 juli 2022 aan te houden als de startdatum voor het minnelijk traject, omdat de schuldregelingsovereenkomst toen is getekend en vanaf dat moment geld gereserveerd had moeten zijn voor alle schuldeisers. 3.4. De bewindvoerder heeft in de brief van 12 januari 2024 als reactie op het beroepschrift – kort weergegeven – het hof het volgende bericht. Op grond van artikel 349a lid 1 Fw kan de rechtbank de ingangsdatum (met terugwerkende kracht) in laten gaan vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling. Het doel van de schuldsaneringsregeling is bovendien dat de schuldenaar zich ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers maximaal inspant, zoals de verplichting binnen de WSNP geldt, om een zo hoog mogelijke uitkering aan de gezamenlijke crediteuren te realiseren. Volgens de bewindvoerder zijn beide punten niet aangetoond, want er blijkt niet maximaal te zijn gereserveerd voor de gezamenlijke schuldeisers en van een aflossing zoals bedoeld in artikel 349a Fw is ook niet gebleken. Ook is de volledige arbeidsongeschiktheid niet aangetoond dan wel zijn de maximale inspanningen niet voldoende aangetoond. De bewindvoerder heeft dan ook verzocht om het vonnis van 8 november 2023 van de rechtbank Oost-Brabant te bekrachtigen. 3.4.1. De bewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep – kort weergegeven – aangegeven dat het niet de gemeente is die beslist of een schuldenaar arbeidsongeschikt is of niet. De bewindvoerder vindt het een gemiste kans dat [appellant] geen keuringsarts heeft ingeschakeld om zijn arbeids(on)geschiktheid te laten beoordelen. 3.5. Het hof komt tot de volgende beoordeling. Ontvankelijkheid 3.5.1. [appellant] is op 8 november 2023 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Van een toewijzing van het verzoek tot toelating is in beginsel geen hoger beroep mogelijk. Het gelijktijdige verzoek om de regeling eerder te laten aanvangen, is door de rechtbank blijkens het dictum van het vonnis afgewezen. Tegen deze beslissing heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het hof is van oordeel dat hoger beroep tegen de afwijzende beslissing op het verzoek tot termijnverkorting mogelijk is (zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7171). Dat betekent dat [appellant] kan worden ontvangen in zijn hoger beroep en het hof daarmee toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek. Geen eerdere aanvang van de looptijd van de schuldsaneringsregeling 3.5.2. Op 1 juli 2023 is de Wet tot wijziging van de Faillissementswet (Fw) ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Wsnp) in werking getreden (Staatsblad 2023, 87 en 175). Met de inwerkingtreding van deze wet is, onder andere, artikel 349a lid 1 Fw gewijzigd. Deze wijziging houdt in dat de termijn van de schuldsaneringsregeling anderhalf jaar bedraagt (was: drie jaar) te rekenen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.