GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 11 januari 2024 Zaaknummer : 200.323.722/02 Zaaknummer hoofdzaak : 200.323.722/01 in de zaak van: [verzoekster 1] , en [verzoekster 2] , beiden wonende te [woonplaats] , verzoeksters, hierna te noemen: [verzoekster 1] respectievelijk [verzoekster 2] , advocaat voor beiden: mr. J.B.Th. van 't Grunewold te Roermond , tegen: [verweerder] , en [verweerster] , beiden wonende te [woonplaats] , verweerders, hierna te noemen: [verweerder] respectievelijk [verweerster] , advocaat voor beiden: mr. N.A.J. van Heel te Tilburg. 1Het procesverloop 1.1. De rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond , heeft op 23 november 2022 tussen partijen vonnis gewezen in de zaak tussen [verzoekster 1] en [verzoekster 2] als eiseressen in conventie en verweersters in reconventie en [verweerder] en [verweerster] als gedaagden in conventie en eisers in reconventie (hierna ook te noemen: de hoofdzaak in eerste aanleg), waarbij - kort weergegeven - in conventie [verweerder] en [verweerster] hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad zijn veroordeeld om binnen een termijn van acht weken de boom (bolacacia) die zich bevindt in de voortuin op een afstand van minder dan 50 cm van de erfgrens te verwijderen onder oplegging van een aan [verzoekster 1] en [verzoekster 2] te betalen dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat zij hieraan niet voldoen, met een maximum van € 5.000,-. In reconventie heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [verweerder] en [verweerster] eigenaren zijn geworden van de strook grond ter breedte van 12 centimeter ter plaatse van de witte scheidingsmuur (carport en tuinmuur). Voorts heeft de rechtbank zowel in conventie als in reconventie bepaald dat de kosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders gevorderde afgewezen. 1.2. Bij appeldagvaarding van 10 februari 2023 hebben [verzoekster 1] en [verzoekster 2] [verweerder] en [verweerster] aangezegd in hoger beroep te komen van voornoemd vonnis en [verweerder] en [verweerster] gedagvaard om op 9 mei 2023 te verschijnen ter zitting van dit hof. Deze zaak is bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.323.722/01 (hierna ook te noemen: de hoofdzaak). In deze procedure is bij tussenarrest d.d. 27 juni 2023 een mondelinge behandeling na aanbrengen bevolen. Deze heeft plaatsgevonden op 1 november 2023. 1.3. Bij verzoekschrift met bijlagen (productie 1 t/m 3), ingekomen ter griffie van het hof op 5 september 2023, hebben [verzoekster 1] en [verzoekster 2] het hof verzocht een voorlopig deskundigenonderzoek (ex artikel 202 Rv) te bevelen ter beantwoording van een 27-tal vragen, vermeld en uiteengezet in randnummer 25 van dat verzoekschrift. 1.4. Bij verweerschrift met bijlagen (productie 1 t/m 3), ingekomen ter griffie van het hof op 23 oktober 2023, hebben [verweerder] en [verweerster] het hof verzocht het verzoek van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht af te wijzen, met veroordeling van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] in de proceskosten van deze procedure, 1.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 november 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - [verzoekster 1] en [verzoekster 2] , beiden bijgestaan door mr. Van ’t Grunewold; - [verweerder] en [verweerster] , beiden bijgestaan door mr. Van Heel. 1.6. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het inlichtingenformulier met bijlagen (productie 4 t/m 6) van de advocaat van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] d.d. 13 november 2023 alsmede van de door de advocaat van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen. 2De gronden van het verzoek Het hof verwijst naar de inhoud van het verzoekschrift. 3De beoordeling 3.1. Het gaat om het volgende. - Partijen zijn sinds 3 juni 2019 elkaars buren. - Een rechtsvoorganger van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] heeft op het eigen perceel een muur opgetrokken van witte betonstenen, welke muur deels dienst doet als draagmuur van de carport van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] en in het verlengde daarvan als tuinmuur met een hoogte van circa twee meter. Die tuinmuur loopt door tot de achterzijde van de gemeenschappelijke perceelsgrens. - Ter hoogte van voornoemde muur groeien momenteel aan de zijde van [verweerder] en [verweerster] , over nagenoeg de gehele lengte daarvan, klimplanten. Tegen de tuinmuur groeien een klimhortensia en een wilde wingerd en tegen de garagemuur groeit een andere wilde wingerd. De drie planten wortelen naast de muren. - [verzoekster 1] en [verzoekster 2] hebben op 12 april 2021 [verweerder] en [verweerster] doen dagvaarden voor de rechtbank. Limburg en van hen (onder meer) gevorderd dat de wilde wingerd en de klimhortensia, voor zover die zich boven het perceel van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] bevinden, te verwijderen en verwijderd te houden, dusdanig dat deze niet meer tegen en/of over de muren van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] (aan)groeien en dat de poort die aan de zijde van [verweerder] en [verweerster] aan de muur van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] is bevestigd wordt verwijderd en verwijderd wordt gehouden. - [verweerder] en [verweerster] hebben op 2 juni 2021 geantwoord en een eis in reconventie ingesteld. Die houdt onder meer in voor recht te verklaren dat zij eigenaar zijn geworden van een strook grond naast de erfgrens van 10 cm aan de voorzijde van het erf tot 12 cm aan de achterzijde van het erf. - Bij vonnis van 23 november 2022 heeft voornoemde rechtbank beslist zoals in r.o. 1.1. van deze beschikking uiteengezet. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] zijn bij appeldagvaarding van 10 februari 2023 tegen dit vonnis in beroep gekomen zoals in r.o. 1.2. van deze beschikking uiteengezet. 3.2. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] geven aan zich te realiseren dat ten behoeve van het welslagen van de grieven, die zij tegen de voormelde rechtsoverwegingen in de hoofdzaak zullen formuleren, het noodzakelijk is dat zij de betreffende feiten, omstandigheden en stellingen zullen hebben te bewijzen. Op hen rust immers de bewijslast van de betreffende feiten, omstandigheden en stellingen. Door hen zal onder meer moeten worden onderbouwd: - dat zich onder de muren een fundering bevindt, in de strook grond waarvan de rechtbank voor recht heeft verklaard dat deze eigendom van [verweerder] en [verweerster] is geworden en dat deze fundering een bestanddeel vormt van de muren van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] (tuinmuur en garagemuur), alsmede dat er ter hoogte van de garage van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] schade is veroorzaakt door werkzaamheden die door dan wel in opdracht van [verweerder] en [verweerster] zijn uitgevoerd; - dat de wilde wingerds en de klimhortensia van [verweerder] en [verweerster] schade aan de tuinmuur en aan de muur van de garage van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] veroorzaken, alsmede dat de betreffende muren (nu al met betrekking tot de garagemuur en in de toekomst met betrekking tot beide muren), een verderstrekkende functie vervullen dan enkel die van scheidingsmuur; - dat de bevestiging en het gebruik van de poort schade aan de muren en de zich daartussen bevinden dilatatievoeg van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] veroorzaken, alsmede dat zij, door de aanwezigheid van de poort, worden gehinderd (contactgeluid en trillingen) in verdergaande ontwikkelingen om de muren te benutten ten behoeve van de bouw van een slaapkamer, die bij de woning zal worden betrokken, althans deze muren te benutten voor de bouw van een (verblijfs-)ruimte behorende bij de woning van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] , dit alles met hun voornemen om van de woning – gelet op de hun leeftijden en omwille van ernstige gezondheidsredenen noodzakelijk - een `levensloopbestendige' woning te maken. 3.2.1. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] verzoeken het hof om een door het hof zelf aan te wijzen persoon als deskundige te benoemen, met de opdracht de door [verzoekster 1] en [verzoekster 2] in hun verzoekschrift geformuleerde vragen en eventueel door het hof te formuleren vragen te beantwoorden en daaromtrent een verslag uit te brengen en de te maken kosten te begroten alsmede de partij aan te wijzen om een eventueel te betalen voorschot te voldoen. 3.2.2. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is door en namens [verzoekster 1] en [verzoekster 2] nog het navolgende aangevoerd. Er heeft in de hoofdzaak in eerste aanleg een descente plaatsgevonden, maar dit onderzoek is onvoldoende diepgaand geweest om tot een beoordeling van de vordering van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] te kunnen komen. Zo zijn de garagemuur, het beschadigd voegwerk en de fundering daarbij in het geheel niet bekeken. Ook is gebleken dat de rechtbank na deze descente zelf ook nog vragen had. Daarbij komt dat [verweerder] en [verweerster] bij de mondelinge behandeling van de hoofdzaak in eerste aanleg ook hebben aangegeven behoefte te hebben aan een nader onderzoek. Op 25 juni 2020 heeft er een onderzoek plaatsgevonden, verricht door de heer [betrokkene 1] . Daarbij heeft [betrokkene 1] de locatie zelf niet bezocht zodat zijn rapport niet kan worden vergeleken met dat van een gerechtelijke deskundige. [betrokkene 1] heeft aan de hand van foto’s gekeken naar de belastmeting van de wingerd. Bij het snoeien daarvan ontstaat schade aan de muur doordat er dan aan de muur getrokken moet worden omdat de wingerd zich daaraan hecht. [verweerder] en [verweerster] hebben nog een bij [verzoekster 1] en [verzoekster 2] tot dusverre onbekende rapportage van [betrokkene 2] van 10 mei 2022 overgelegd, maar ook deze rapportage bevat onvoldoende informatie om de vordering van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] te beoordelen. Bij het snoeien van de wingerd gaat [verweerder] of [verweerster] op een trapje staan om zo in de tuin van [verzoekster 1] en [verweerster] te kunnen kijken. Daarbij zijn door hen ook een aantal keren filmopnames gemaakt, hetgeen een grote inbreuk op de privacy is. [verweerder] heeft [verzoekster 1] zelfs een keer mishandeld. Er is geprobeerd om middels mediation tot overeenstemming te komen, maar dat is niet gelukt. De situatie is eigenlijk door de jaren heen ook steeds meer verslechterd. Er zal een gerechtelijke uitspraak moeten komen om in ieder geval duidelijkheid te scheppen. 3.3. [verweerder] en [verweerster] zijn van mening dat het door [verzoekster 1] en [verzoekster 2] gestelde belang bij toewijzing van hun verzoek ontbreekt. In de eerste plaats heeft de rechtbank reeds een onderzoek verricht. Er heeft in eerste aanleg immers een descente plaatsgevonden op de voet van artikel 201 Rv waarmee de rechtbank haar bevindingen in een feitelijke weergave heeft vastgelegd, zodat het op de weg van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] lag om hun belang bij toewijzing van het onderhavige verzoek nader toe te lichten en te motiveren dan met de stelling dat dit noodzakelijk zou zijn voor het welslagen van de grieven. Niet is aangetoond, laat staan onderbouwd, dat de door de rechter uitgevoerde onderzoeken onjuist zouden zijn uitgevoerd of dat de conclusies van deze onderzoeken (en de onderzoeken die partijen hebben laten uitvoeren) ontoereikend zouden zijn om de grieven te kunnen formuleren. Los van het feit dat het verzoek alleen maar om die reden voor afwijzing gereedligt, merken [verweerder] en [verweerster] op dat de mogelijkheid tot het vragen van een voorlopig deskundigenbericht als bedoeld in artikel 202 Rv dient tot het vergaren en veiligstellen van bewijs ten behoeve van een partij die een procedure overweegt (of reeds is gestart) en niet bedoeld is om een herkansing te bieden wanneer een eerder uitgevoerd onderzoek niet de uitkomst heeft opgeleverd die [verzoekster 1] en [verzoekster 2] daarvan hadden verwacht en/of hadden gehoopt. Het verzoek van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] dient te worden gekwalificeerd als "prematuur”, in die zin dat het causale verband tussen de "gedragingen" en de door [verzoekster 1] en [verzoekster 2] . gestelde "schade(s)" en "problematiek" tot op heden nog steeds niet vast is komen te staan en/of voldoende aannemelijk is geworden. Een nieuw onderzoek naar die "schade" als gevolg van dat vermeende (niet aangetoonde) "causale verband" is niet ter zake dienend en als zodanig in strijd met de goede procesorde. De vragen ten aanzien van de klimplanten en de poort zien allemaal op de vraag of sprake zou zijn van "hinder” en/of van "schade" ten gevolge van een "onrechtmatige gedraging" van [verweerder] en [verweerster] . Voor wat betreft de vragen die zien op "hinder", geldt dat dit vragen zijn van juridische aard nu het hier gaat om een kwalificatie van "onrechtmatige hinder" als bedoeld in artikel 5:37 BW en ook de vraag of sprake is van "schade" of van een "onrechtmatige gedraging" in de zin van artikel 6:162 BW vergt een juridisch oordeel dat niet in een deskundigenbericht kan worden beantwoord. Het antwoord op deze vragen is daarmee voorbehouden aan het oordeel van het hof en niet aan het oordeel van een door het hof te benoemen deskundige, nog daargelaten dat het antwoord op de vraag of sprake is van hinder en/of van schade, reeds eerder in een tweetal onderzoeken is gegeven. Tot slot zijn [verweerder] en [verweerster] van mening dat de vragen zoals door [verzoekster 1] en [verzoekster 2] geformuleerd onder de nummers 1 t/m 8, 25 en 27 om uiteenlopende redenen relevantie missen. 3.3.1. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is door en namens [verweerder] en [verweerster] nog het navolgende aangevoerd. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] hebben in hun verzoek vragen geformuleerd die om een juridisch oordeel lijken te vragen. De beantwoording daarvan is niet aan een deskundige. Ook zijn de resultaten van de descente dermate uitgebreid dat deze voldoende zijn voor het formuleren van de grieven. Daarnaast zijn er meerdere deugdelijke onderzoeken geweest en de effecten van de beplanting zijn daardoor ook genoegzaam bekend. Ook zijn de (ver)bouwplannen waar [verzoekster 1] en [verzoekster 2] over spreken nog helemaal niet concreet. De onderlinge verhoudingen zijn eigenlijk nooit goed geweest Sinds mei 2020 zijn er ook echt spanningen ontstaan, vooral vanwege de manier waarop [verzoekster 1] en [verzoekster 2] communiceren. Dat geeft veel stress en leidt soms tot emotionele reacties over en weer. Het is echter onjuist dat [verzoekster 1] ooit door [verweerder] zou zijn mishandeld. [verweerder] en [verweerster] hebben voorgesteld om de wingerd tweemaal per week te snoeien zodat deze niet boven de tussenmuur uit zou komen, maar [verzoekster 1] en [verzoekster 2] namen daar geen genoegen mee, zij wilden dat de wingerd helemaal zou worden verwijderd. Ook wilden [verzoekster 1] en [verzoekster 2] niet dat er aan de muurzijde van [verweerder] en [verweerster] een houten raamwerk geplaatst zou worden waartegen de wingerd aan zou kunnen groeien omdat dit raamwerk dan aan de muur zou worden bevestigd en de muur in zijn geheel op de grond van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] staat. Dat die muur zwak is komt ook helemaal niet door de wingerd, het is gewoon een siermuur. Een deskundigenonderzoek is niet nodig, [verweerder] en [verweerster] zijn, ondanks de mislukte mediation, nog steeds bereid om met [verzoekster 1] en [verzoekster 2] om de tafel te gaan zitten. 3.4. Het hof overweegt het volgende. 3.4.1. Bij de beoordeling moet voorop worden gesteld dat een verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, slechts kan worden afgewezen op de grond dat de verzoeker daarbij geen belang heeft, dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt, dat het strijdig is met een goede procesorde, dan wel dat het moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar (vgl. HR 30 maart 2007, NJ 2007/189, ECLI:NL:HR:2007:AZ5448). 3.4.2. Het staat [verzoekster 1] en [verzoekster 2] vrij om thans een voorlopig deskundigenbericht te verzoeken, nu de reeds aanhangige hoofdzaak hen ook de ruimte biedt om een nieuwe proceseconomische afweging te maken en, indien nodig, een nieuwe (grondslag van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.