Parketnummer : 20-000244-22 Uitspraak : 9 februari 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 24 januari 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-860390-19 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde zal bewezen verklaren met uitzondering van de tenlastegelegde gedragingen met een mes dan wel een scherp voorwerp en de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 uren hechtenis. Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 28 juli 2019 te Eindhoven, althans in Nederland, met een ander of anderen, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de [straat] , in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit - het schoppen/trappen en/of slaan/stompen tegen de rug en/of borst en/of het gezicht, althans het lichaam, en/of - het tonen van en/of zwaaien met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp; De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: op 28 juli 2019 te Eindhoven, met anderen, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de [straat] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit - het schoppen/trappen en slaan/stompen tegen de rug en/of borst en/of het gezicht. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Omwille van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern het volgende aangevoerd. De verdediging heeft bepleit dat de verdachte geen geweldshandelingen heeft gepleegd en evenmin een voor openlijk geweldpleging vereiste significante bijdrage heeft geleverd. Het was de verdachte die zijn broer [medeverdachte] probeerde tegen te houden. Volgens de verdediging is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de tenlastegelegde openlijke geweldpleging. Het hof verwerpt het verweer overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. [slachtoffer] heeft op 8 augustus 2019 aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij een jongen zag in een BMW die zei dat [slachtoffer] aan het inbreken was en dat hij zijn neef ging bellen. Niet veel later kwam er een witte Mercedes aan. In totaal waren ze met zijn drieën en vielen ze [slachtoffer] aan. De jongens van de Mercedes begonnen hem te slaan. In zijn verklaring van 29 juli 2019 – toen nog zelf als verdachte – heeft [slachtoffer] verklaard dat hij op de grond lag en door een van de mannen werd vastgehouden en dat ze hem toen gingen schoppen en slaan. Hij werd getrapt op zijn hoofd en op zijn rug en borst. Ook werd hij geslagen op zijn jukbeen. [getuige] heeft verklaard dat hij op 28 juli 2019 in zijn donderblauwe BMW op de [straat] reed. Hij zag een donkere man bij de deur van de kapperszaak van de verdachte. [getuige] had sterk het vermoeden dat de man probeerde in te breken. Hierop heeft [getuige] de verdachte gebeld. Op een gegeven moment liep de man weg waarna [getuige] hem met de auto is gevolgd. Vanuit de auto sprak [getuige] de man aan en vroeg hij de man om te blijven staan. Vrij snel daarna kwamen de verdachte en zijn broer [medeverdachte] aan in een witte Mercedes. Beiden stapten uit en spraken de man aan. De man zei op dat moment dat hij niets had gedaan. De man probeerde weg te komen. Uit de beschrijving van de camerabeelden volgt dat om 05:57 uur het slachtoffer [slachtoffer] in beeld verschijnt en over het trottoir van de [straat] loopt. In beeld verschijnt vervolgens een donkerkleurige BMW die ter hoogte van [slachtoffer] tot stilstand wordt gebracht. Vanuit de tegenovergestelde richting komt een witte Mercedes aan die eveneens ter hoogte van [slachtoffer] tot stilstand wordt gebracht. Uit de BMW stapt 1 persoon, gebleken is dat dit [getuige] betreft, en uit de Mercedes stappen 2 personen. [medeverdachte] stapt als bijrijder uit de auto en de verdachte stapt als bestuurder uit. Alle drie de mannen lopen op [slachtoffer] af waarop [slachtoffer] een aantal passen achteruit zet. [medeverdachte] loopt met een versnelde pas in de richting van [slachtoffer] . Alledrie de mannen gaan om [slachtoffer] staan en [medeverdachte] maakt met zijn rechterbeen een schoppende beweging in de richting van [slachtoffer] maar komt hierbij zelf ten val. [medeverdachte] komt overeind en maakt nog een schoppende beweging in de richting van [slachtoffer] . [slachtoffer] rent weg en steekt de straat over waarna de drie mannen achter hem aan rennen. Bij de portiek van de woningen aan de overzijde van de straat komen de mannen weer samen waarna [slachtoffer] nogmaals wegrent en [getuige] en [medeverdachte] er weer achteraan rennen. Uit de camerabeelden volgt naar het oordeel van het hof duidelijk dat de drie mannen, nadat zij uit de auto zijn gestapt, gezamenlijk naar [slachtoffer] lopen. [medeverdachte] stapt daarbij al uit de auto voordat deze geheel tot stilstand is gekomen. Eenmaal bij [slachtoffer] aangekomen, maakt [medeverdachte] kort na elkaar twee trappende bewegingen in de richting van [slachtoffer] . Op grond van de beelden kan het hof niet vaststellen of deze trappen raak zijn geweest. Dat de [medeverdachte] al vanaf dat moment geen goede intenties had en geweld wilde toepassen op [slachtoffer] is wel duidelijk. En dat moet op dat moment ook duidelijk zijn geweest voor de verdachte en [getuige] . Na deze twee trappende bewegingen heeft [slachtoffer] zich uit de dreigende situatie willen onttrekken en is hij weggelopen. De verdachte, [medeverdachte] en [getuige] lopen vervolgens achter [slachtoffer] aan. Bij de auto’s aan de overzijde treffen de vier mannen elkaar weer. Ten minste één persoon valt op de grond. Op de camerabeelden is vanwege het verspringen in tijd, obstakels op de weg en de geringe scherpte van de camerabeelden niet duidelijk te zien of en zo ja welke geweldshandelingen worden gepleegd. Wel is er beweging te zien. Uitgaande van de verklaring van [slachtoffer] is hij toen hij op de grond lag geschopt en geslagen door de twee mannen uit de witte Mercedes (het hof begrijpt: de verdachte en diens broer [medeverdachte] ). Dat er op die plek daadwerkelijk geweld is toegepast op [slachtoffer] vindt steun in het feit dat bij [slachtoffer] na de gebeurtenissen door de politie een wondje aan de linkerzijde van zijn kin, een vlek op zijn rechterwang en een scheur in zijn blouse zijn geconstateerd. Het kan niet anders dan dat dit is veroorzaakt op het moment dat de mannen bij de geparkeerde auto’s aan de overzijde van de straat waren. Het hof heeft in zoverre geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de tot het bewijs gebezigde inhoud van de verklaringen van [slachtoffer] . Het hof ziet de gebeurtenissen als één onafgebroken geheel, waarbij al in ieder geval vanaf het moment van de eerste trapbewegingen door de [medeverdachte] in de richting van [slachtoffer] het voor alle betrokkenen duidelijk was dat de bedoelingen niet goed waren. Nadat [slachtoffer] zich uit deze situatie probeert te onttrekken en de straat oversteekt, lopen de drie mannen achter [slachtoffer] aan en wordt [slachtoffer] ingesloten. [slachtoffer] is hierna op de grond terechtgekomen en vervolgens door de twee personen uit de witte auto – de beide verdachten [achternaam] – mishandeld. Naar het oordeel van het hof is onder deze omstandigheden bij uitstek sprake van het "in vereniging" plegen van geweld waarbij in ieder geval de [medeverdachte] en [verdachte] aan dat geweld een voldoende significante of wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Dat verdachte zijn broer slechts heeft willen tegenhouden, acht het hof tegen de achtergrond van het voorgaande niet aannemelijk. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dan ook in al zijn onderdelen. Uit het letsel van de verdachte is af te leiden dat er op enig moment tijdens het voorval een scherp voorwerp aanwezig moet zijn geweest. Het hof heeft evenwel door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat – zoals is tenlastegelegd – dit voorwerp aan [slachtoffer] is getoond en/of dat daarmee is gezwaaid, zodat het hof de verdachte daarvan zal vrijspreken. Resumerend acht het hof, op grond van het voren overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals dat hiervoor is bewezen verklaard, heeft begaan. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens [slachtoffer] . Het hof rekent het de verdachte aan dat hij een bijdrage heeft geleverd aan het toegepaste geweld. Met zijn handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Naar het oordeel van het hof is die bijdrage beperkter van aard dan die van de [medeverdachte] . Het hof zal die omstandigheid bij de strafoplegging betrekken. Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Het hof heeft tevens gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS ter zake van openlijke geweldpleging tegen personen zonder lichamelijk letsel. Deze oriëntatiepunten indiceren als vertrekpunt een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 30 november 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van een geweldsdelict is veroordeeld en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is vanwege enkele strafbeschikkingen die dateren van na het bewezenverklaarde. Daarnaast heeft hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij op de dag van het tenlastegelegde gewond is geraakt en dat hij een hardwerkende man is en dagelijks werkt in het bedrijf van zijn ouders. Voorts heeft de verdachte zich ter terechtzitting in hoger beroep schuldbewust getoond en is in contact getreden met het slachtoffer en diens moeder om het uit te spreken. Het hof weegt deze omstandigheden – in combinatie met het niet aan de verdachte toe te rekenen tijdsverloop in de zaak – ten gunste van de verdachte mee bij de strafoplegging. Gelet op het vorenstaande acht het hof een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis passend en geboden. Het hof constateert dat de redelijke termijn in eerste aanleg (met ongeveer vijf maanden) en in hoger beroep (met enkele dagen) is overschreden. Gelet op de beperkte hoogte van de op te leggen taakstraf zal het hof volstaan met de enkele constatering van deze overschrijdingen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis. Aldus gewezen door: mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter, mr. S.V. Pelsser en mr. drs. M.C.C. van de Schepop, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier, en op 9 februari 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. Pelsser is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. BIJLAGE BEWIJSMIDDELEN De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de Eenheid Oost-Brabant, districtsrecherche Eindhoven, met onderzoeksnummer OB2R019101, onderzoek Arapahoe, gesloten d.d. 17 november 2019, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-201, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.