Parketnummer : 20-001984-23 Uitspraak : 5 maart 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 5 juli 2023, parketnummer 03-042127-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 08-192142-20, in de strafzaak tegen: [naam verdachte] , geboren te Rotterdam op 2 juni 1982, thans verblijvende in de P.I. [naam PI] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als: ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 1) en ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie door twee of meer verenigde personen en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd (feit 2 primair), de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft tevens de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 week (parketnummer 08-192142-20). Ten slotte heeft de rechtbank de teruggave gelast aan de verdachte van twee inbeslaggenomen mobiele telefoons. De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren, met dien verstande dat het hof ter zake van het onder feit 2 tenlastegelegde (kort gezegd) bewezen zal verklaren dat de verdachte 49 vuurwapens voorhanden heeft gehad en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal toewijzen. Ten aanzien van de twee inbeslaggenomen telefoons heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat deze aan de verdachte zullen worden geretourneerd. De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daarnaast heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het onder feit 1 tenlastegelegde, de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijke opgelegde straf en het beslag heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met aanvulling (feit 1) en verbetering (feit 2) van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, behoudens de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bijgevolg zullen de overwegingen van de rechtbank, voor zover deze betrekking hebben op de strafoplegging in zijn geheel worden vervangen door hetgeen hierna onder het kopje ‘op te leggen straf’ zal worden overwogen De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte 49 wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad, zoals de verdachte onder feit 2 wordt verweten. Daartoe heeft de advocaat-generaal (onder meer) het navolgende aangevoerd: op de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte zijn filmpjes aangetroffen waarop vuurwapens zijn te zien. Op één van die filmpjes kan worden waargenomen dat er vier vuurwapens op een tafel liggen en de overige vuurwapens liggen in een doos naast de tafel. Op het filmpje is voorts te zien dat de verdachte tezelfdertijd een vuurwapen in zijn hand heeft, dat wapen voor de camera toont en over het wapen vertelt en dat de camera al vertellend doordraait naar de wapens in de doos waarbij de verdachte zegt “zoveel zijn er”; ten aanzien van de vier vuurwapens op de tafel en acht in de doos is door een vuurwapendeskundige vastgesteld dat het echte vuurwapens zijn; de vier echte vuurwapens op de tafel en de acht in de doos lijken op de overige vuurwapens in de doos; op de telefoon van de verdachte zijn Whatsappberichten aangetroffen die betrekking hebben op de verkoop van echte vuurwapens. Onder verwijzing naar deze feiten en omstandigheden heeft de advocaat-generaal betoogd dat de vier echte vuurwapens op de tafel en de acht echte vuurwapens in de doos onderdeel uitmaken van één en dezelfde partij, zodat het niet anders kan zijn dan dat alle 49 vuurwapens echt zijn. De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat ten aanzien van maximaal twaalf wapens kan worden vastgesteld dat zij echt zijn. Evenwel heeft de raadsman bepleit dat het hof de verdachte dient vrij te spreken van het voorhanden hebben daarvan, nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de beschikkingsmacht heeft gehad over de wapens. Daartoe heeft de raadsman – in kern weergegeven – aangevoerd dat de vuurwapens niet aan verdachte toebehoorden en dat hij slechts één vuurwapen kortstondig vast heeft gehad, zulks voor het maken van een filmpje. Die enkele handeling is van onvoldoende gewicht om het oordeel te rechtvaardigen dat de verdachte de beschikkingsmacht had over de twaalf echte vuurwapens. Het hof overweegt als volgt. In hetgeen de advocaat-generaal en de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep bij respectievelijk requisitoir en pleidooi naar voren hebben gebracht met betrekking tot het onder feit 2 primair tenlastegelegde ziet het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Met de rechtbank overweegt het hof dat de vuurwapendeskundige heeft geconcludeerd dat ten aanzien van acht wapens in de doos en de vier wapens op de tafel kan worden vastgesteld dat dit echte vuurwapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie betroffen. Van de overige wapens in de doos kan volgens de deskundige niet worden vastgesteld of het om echte vuurwapens gaat. Hoewel het hof het – daarbij mede gelet op de door de advocaat-generaal benoemde feiten en omstandigheden – zeer aannemelijk acht dat ook de overige vuurwapens in de doos echt waren, in welk verband het hof opmerkt dat het geen enkel geloof hecht aan de afgelegde verklaring van de verdachte, kan het hof aan die feiten en omstandigheden geen doorslaggevende betekenis toekennen. Het hof kan niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vaststellen dat de overige wapens echt waren. Daarbij is in aanmerking genomen dat daartoe (voldoende) ander objectief bewijs ontbreekt. Aldus volgt het hof de rechtbank in haar bewezenverklaring van het aantal van 12 echte vuurwapens. Met de rechtbank en onder overneming van de gronden als in het vonnis van de rechtbank staat vermeld is het hof voorts van oordeel dat de verdachte de twaalf vuurwapens voorhanden heeft gehad. Het ter zake gevoerde verweer van de verdediging faalt. Aanvulling bewijsmiddelen Aan de opsomming van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen van het onder feit 1 bewezenverklaarde voegt het hof het navolgende bewijsmiddel toe: De kennisgeving van inbeslagneming, registratienummer: PL2300-2023022185-8 (pg. 138). Verbetering bewijsmiddelen Het hof schrapt het als laatste door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel bij feit 2, het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari 2023, proces-verbaalnummer: PL2300-202322538-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.