Parketnummer : 20-001383-23 Uitspraak : 18 maart 2024 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 12 mei 2023, parketnummer 01-076013-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 01-055379-21, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978, thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Lelystad te Lelystad. Hoger beroep De politierechter heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van: diefstal gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren (feit 1); handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (feit 2), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging van een bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, d.d. 18 juni 2021 (parketnummer 01-055379-21) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gedeeltelijk toegewezen, te weten voor de duur van drie maanden. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende: het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren; de verdachte primair zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren, subsidiair tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest en meer subsidiair tot een voorwaardelijke ISD-maatregel; de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf zal afwijzen; de inbeslaggenomen messen verbeurd zal verklaren. De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze vordering wel eens dienstig kan zijn aan voorkomen recidive. Ten aanzien van het beslag heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 15 maart 2023 te Helmond een of meerdere winkelgoederen (waaronder kip en/of kaas), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het/deze zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door: - die [naam slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik heb een mes, ik ga jou steken!" en/of "wegwezen, wegwezen, ik heb een mes bij", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of daarbij - naar zijn, verdachtes, broeksband/broeksriem te grijpen en/of daarbij - een langwerpig en/of puntig voorwerp te pakken en/of te tonen aan die [naam slachtoffer] ; 2.hij op of omstreeks 15 maart 2023 te Helmond een wapen van categorie IV, onder 7, van de Wet wapens en munitie, te weten een twee messen, (telkens) zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1.hij op 15 maart 2023 te Helmond winkelgoederen (waaronder kip en kaas), die aan de [bedrijf] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om , bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door: - die [naam slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik heb een mes, ik ga jou steken!" en "wegwezen, wegwezen, ik heb een mes bij", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en daarbij - naar zijn, verdachtes, broeksband/broeksriem te grijpen en daarbij - een langwerpig en puntig voorwerp te pakken en te tonen aan die [naam slachtoffer] ; 2.hij op 15 maart 2023 te Helmond een wapen van categorie IV, onder 7, van de Wet wapens en munitie, te weten twee messen, telkens zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren. Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte primair zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren, subsidiair tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest en meer subsidiair tot een voorwaardelijke ISD-maatregel. De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het hof niet zal overgaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat deze zaak een hoger beroep jegens een vonnis van de politierechter betreft en een politierechter geen ISD-maatregel kan opleggen. Om deze reden ontbeert het hof thans eveneens de bevoegdheid een ISD-maatregel op te leggen. Daarnaast dient het hof de uitvoerbaarheid van de ISD-maatregel in acht te nemen in verband met het gebrek aan capaciteit. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat de ISD-maatregel niet voor iedereen werkt. In plaats van de oplegging van een ISD-maatregel heeft de raadsman verzocht de verdachte een gevangenisstraf op te leggen, evenals de politierechter heeft gedaan, maar de duur van de gevangenisstraf te matigen. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte zich onder meer schuldig heeft gemaakt aan een winkeldiefstal, gevolgd door bedreiging met geweld jegens aangever [naam slachtoffer] . De verdachte werd op heterdaad betrapt, maar had daar geen boodschap aan. De verdachte wilde coûte que coûte wegvluchten en heeft daarbij aan aangever [naam slachtoffer] een van de twee messen die hij bij zich droeg, en daarmee wapens in de zin van categorie IV, onder 7, van de Wet wapens en munitie, getoond onder toevoeging van de woorden: ‘Ik heb een mes, ik ga jou steken’ en ‘wegwezen, wegwezen, ik heb een mes bij’. Door zo te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever [naam slachtoffer] . Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten maatschappelijke onrust en brengt het een gevoel van onveiligheid met zich mee. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 februari 2024, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk voor vermogensdelicten is veroordeeld. Daarnaast blijkt uit voornoemd uittreksel uit de Justitiële Documentatie dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Daarnaast heeft het hof wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten, dienende als uitgangspunt voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. Het LOVS geeft als oriëntatiepunt voor een winkeldiefstal met na betrapping dreigen met een voorwerp, waarbij er sprake is van veelvuldige recidive, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden en voor het dragen van een mes een geldboete van € 170,00. Het hof heeft evenzeer gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Hierbij is het hof gebleken dat de verdachte op dit moment gedetineerd zit wegens het plegen van twee vermogensdelicten. Voorts heeft het hof kennisgenomen van de inhoud van twee reclasseringsrapporten van 15 november 2023 respectievelijk 12 februari 2024, beide opgemaakt in andere zaken. Uit het reclasseringsadvies van het Leger des Heils d.d. 15 november 2023 komt als conclusie naar voren dat de verdachte veelvuldig kansen heeft gehad om middels reclasseringsinterventies, opnames en behandeltrajecten zijn leven anders vorm te geven. Het rapport geeft een overzicht van alle acties en interventies van de zijde van de reclassering sinds 2000. Te zien is dat hij onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de hem geboden ondersteuning en hulp, zijn eigen plan trekt en dat vrijwel alle trajecten negatief voortijdig beëindigd zijn. Ambulante behandelingen en klinische opnamen (ter detoxificatie) met aansluitend plaatsing in een beschermde woonvorm komen keer op keer bij gebrek aan medewerking van verdachte niet van de grond. Als criminogene factor wordt vooral het terugkerend middelengebruik genoemd. Ook is te zien dat de verdachte voornamelijk vermogensdelicten pleegt waardoor ook zijn financiële situatie gezien wordt als criminogene factor. Er is geen huisvestiging en geen zinvolle dagbesteding. Het ontbreekt de verdachte aan zelfinzicht, probleembesef en probleemoplossend vermogen. Het recidiverisico wordt door de reclassering als hoog ingeschat. Uit het reclasseringsadvies van het Leger des Heils d.d. 12 februari 2024 volgt eveneens dat het recidiverisico door de reclassering als hoog wordt ingeschat. Instabiele praktische leefgebieden, samen met (of voortkomend uit) pathologie waaronder middelenproblematiek en een afwijzende houding ten aanzien van interventies bedoeld om gedrag bij te sturen, zijn hier debet aan. Het hof stelt vast dat niet voldaan is aan de eisen die de ‘Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers (in het bijzonder de vordering van de ISD-maatregel bij stelselmatige daders)’ van het Openbaar Ministerie stelt aan de oplegging van een ISD-maatregel. Uit het strafblad van de verdachte blijkt immers dat tegen de verdachte in de afgelopen vijf jaren weliswaar tien processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten zijn opgemaakt, maar dat dit niet ten minste één feit betreft in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde en thans door het hof bewezenverklaarde misdrijffeit. Anders dan de advocaat-generaal heeft aangevoerd, oordeelt het hof dat bij de oplegging van de ISD-maatregel geen acht kan worden geslagen op misdrijffeiten, zoals die blijken uit het met betrekking tot verdachte opgestelde uittreksel Justitiële Documentatie, gepleegd na het thans bewezenverklaarde misdrijffeit. Gelet hierop en de meerdere niet aangenomen kansen die de verdachte heeft gehad middels reclasseringsinterventies, opnames en behandeltrajecten kan het hof dan ook niet anders dan de verdachte kaal afstraffen voor zijn gedrag. Alles afwegende zal het hof twee verschillende straffen opleggen omdat het onder 1 bewezenverklaarde een misdrijf is en het onder 2 bewezenverklaarde een overtreding betreft. Naar aanleiding van hetgeen hiervoor is overwogen kan niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur. Het hof acht ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde ziet het hof in de huidige financiële situatie van de verdachte aanleiding om af te wijken van de genoemde oriëntatiepunten. Het hof acht ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde hechtenis voor de duur van één week passend en geboden. Beslag Het hof is van oordeel dat de inbeslaggenomen messen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke het feit is begaan en/of met behulp van welke de feiten zijn begaan en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden. Het hof heeft rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte. Vordering tot tenuitvoerlegging De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank te Oost-Brabant van 18 juni 2021 (parketnummer 01-055379-21) opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Uit een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 4 maart 2024 blijkt dat een deel van voormelde voorwaardelijk opgelegde straf, te weten één maand gevangenisstraf, reeds ten uitvoer is gelegd bij vonnis van de politierechter van 3 januari 2022. De hiervoor bewezenverklaarde feiten zijn door de verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd zal het hof de tenuitvoerlegging gelasten van het resterende gedeelte van de hem bij voornoemd vonnis van 18 juni 2021 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, te weten drie maanden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 38m, 38n, 62, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde: Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde: Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 1 (één) week. Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: twee messen. Beveelt de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Oost-Brabant van 18 juni 2021, parketnummer 01-055379-21, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden. Aldus gewezen door: mr. G.J. Schiffers, voorzitter, mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven en mr. R. Lonterman, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.N. Schlüter, griffier, en op 18 maart 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.