← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1005

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 10 april 2025 Zaaknummer : 200.347.020/01 Zaaknummer eerste aanleg : 10999615 OV VERZ 24-1528 in de zaak in hoger beroep van: [de rechthebbende] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de rechthebbende, advocaat: mr. A.J. Nieuwenhuijse, Als belanghebbenden merkt het hof aan: [de bewindvoerder] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de bewindvoerder, advocaat: mr. H.S. Franken, [de zoon] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de zoon. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg van 22 juli 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind afgewezen. 2.
  2. De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 oktober 2024, heeft de rechthebbende verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog het verzoek tot opheffing van het bewind toe te wijzen. 2.
  3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 november 2024, heeft de bewindvoerder verzocht de rechthebbende in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren althans deze af te wijzen en voormelde beschikking – al dan niet onder aanvulling en / of verbetering van gronden – te bekrachtigen. Kosten rechtens. 2.
  4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 maart
  5. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de rechthebbende, bijgestaan door mr. Nieuwenhuijse; [vertegenwoordiger van de bewindvoerder 1] en [vertegenwoordiger van de bewindvoerder 2] namens de bewindvoerder, bijgestaan door mr. Franken. 2.4.
  6. De zoon is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet naar de mondelinge behandeling gekomen. 2.
  7. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V8-formulier met bijlage d.d. 18 februari 2025 namens de rechthebbende, inhoudende de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 november
  8. 2.
  9. Het hof heeft ambtshalve kennisgenomen van de inhoud van de beschikking van dit hof van 6 juni 2019 in de zaak met zaaknummer 200.242.380/01, zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling. 3De feiten 3.
  10. Er is van 28 augustus 2008 tot 6 juni 2019 een bewind geweest over de goederen van de rechthebbende. 3.
  11. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 28 november 2022 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van de rechthebbende wegens lichamelijke of geestelijke toestand en daarbij bepaald dat inschrijving in het daartoe bestemde register dient plaats te vinden, met benoeming van de bewindvoerder. 3.
  12. Bij de beschikking van 28 november 2022 is tevens een mentorschap ingesteld over de rechthebbende. 4De beoordeling 4.
  13. De rechthebbende voert – samengevat – het volgende aan. De rechthebbende moet in staat worden geacht zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. In 2022 is de rechthebbende door een lastige periode gegaan. Hij werd geconfronteerd met een ongeval waardoor hij te kampen kreeg met diverse fysieke en psychische klachten. Ook speelde de energiecrisis, als gevolg waarvan de rechthebbende zich zorgen maakte over zijn hogere energienota’s. Hierop heeft de rechthebbende contact opgenomen met de bewindvoerder om informatie op te vragen en specifiek te vragen of ze hem konden helpen of adviseren met de hoge energierekeningen door bijvoorbeeld andere contracten te adviseren. De rechthebbende zocht een vorm van budgetbeheer, het was niet zijn bedoeling om bewind aan te vragen. De bewindvoerder heeft echter direct bewind verzocht. Alhoewel de rechthebbende zich daar niet in kon vinden, heeft hij het eerste jaar het zo gelaten. Onlangs heeft de rechthebbende een andere contactpersoon van de bewindvoerder gekregen en dat heeft hem ertoe bewogen om een verzoek tot opheffing in te dienen. De rechthebbende heeft zich gerealiseerd dat het destijds aangevraagde bewind een stap te ver en niet noodzakelijk was. De lichamelijke en geestelijke toestand waar de rechthebbende destijds in verkeerde is niet meer aan de orde. Hij is kort na de onderbewindstelling fysiek hersteld. Schulden zijn er niet, er is zelfs spaargeld. Exact weet de rechthebbende het niet want hij krijgt nimmer inzage in zijn financiën. De rechthebbende kan zijn financiën zelf beheren. Zo heeft de rechthebbende zelf geregeld dat zijn scooter verzekerd werd, nadat hij een brief had ontvangen waaruit bleek dat er geen verzekering was afgesloten. Ook heeft de rechthebbende goede banden met [bedrijf] en zijn bank, en hij is in staat zelf betere contracten aan te gaan. Indien hij vragen heeft kan hij twee keer per week, zonder verwijzing, naar [instantie] (maatschappelijk werk). Ook heeft hij een vangnet van familie en vrienden in de buurt waar hij langs kan met vragen. Het gaat goed met de rechthebbende en zijn situatie is al geruime tijd stabiel. Het is onjuist dat hij, zoals de bewindvoerder heeft geschreven, kampt met mentale problemen en hulp weigert. De rechthebbende volgt zijn eigen wil en zoekt de hulp die hij nodig heeft, bijvoorbeeld door de bibliobus te bezoeken en contact te leggen met maatschappelijk werk. Als het bewind wordt opgeheven wil de rechthebbende zuinig leven en sparen. 4.
  14. De bewindvoerder voert – samengevat – het volgende aan. De rechthebbende heeft in 2022 de bewindvoerder om hulp gevraagd en hij wist goed wat een onderbewindstelling was. Het bewind is destijds namens de rechthebbende zelf verzocht. Om tot een beëindiging van bewind te komen is het essentieel dat de rechthebbende in staat is te overzien hoe zijn financiële zaken inhoudelijk geregeld moeten worden en financieel verantwoorde besluiten te nemen. Daar is geen sprake van. Hij stelt dat hij de zaken betreffende zijn vermogen zelf kan regelen omdat hij bijvoorbeeld heeft geleerd hoe hij online kan bankieren of omdat zijn buurvrouw hem hierbij kan helpen. Dat is niet de maatstaf aan de hand waarvan beoordeeld moet worden of hij zelf in staat is zijn financiële belangen te behartigen, dit betreft slechts de praktische uitvoering. In 2019 is de eerdere onderbewindstelling geëindigd omdat de zoon de rechthebbende kon ondersteunen bij zijn financiële aangelegenheden. Inmiddels is de band met de zoon verslechterd. De rechthebbende gaf in eerste aanleg aan dat hij te weinig leefgeld kreeg, dit getuigt van een gebrek aan inzicht in zijn financiële situatie. De rechthebbende heeft toegang tot een digitaal platform waar hij dagelijks op de hoogte kan zijn van de actuele stand van zaken en nieuwe ontwikkelingen. Het leefgeld is verhoogd na de mondelinge behandeling in eerste aanleg. De rechthebbende vraagt regelmatig om extra betalingen. Er zijn bij de bewindvoerder geen klachten bekend omtrent de nieuwe contactpersoon voor de rechthebbende. Op een uitnodiging om hierover in gesprek te gaan heeft de rechthebbende niet gereageerd. Indien noodzakelijk kan het dossier intern worden overgedragen. Het is te waarderen dat de rechthebbende open stelt te staan voor hulpverlening. De vraag is of dat hulpverlening omtrent zijn financiële aangelegenheden betreft of ten aanzien van maatschappelijke en sociale problematiek. Daarbij is het niet verstandig om diverse (financiële) hulpverleners in te schakelen en diverse (financiële) hulpverleningstrajecten te starten, nu het lastig is om dat met elkaar in contact te brengen en met elkaar te laten samenwerken. Financiële zaken dienen in één hand te blijven. Daar komt bij dat er ook sprake is van een mentorschap, wat impliceert dat de rechthebbende niet voldoende zelfstandig in staat wordt geacht om alle voor hem noodzakelijke zorg of hulp te organiseren. Er spelen te veel problemen voor de rechthebbende om zelf zijn financiële belangen te behartigen. 4.
  15. Het hof overweegt als volgt. 4.3.
  16. Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve. 4.3.
  17. De rechthebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de noodzaak voor een onderbewindstelling van zijn goederen niet meer bestaat nu niet is gebleken dat hij zijn vermogensrechtelijke belangen zelfstandig, of met hulp uit zijn directe netwerk, behoorlijk kan behartigen. Hoewel het positief is dat de rechthebbende aangeeft open te staan voor vrijwillige hulp vanuit maatschappelijk werk en hulp accepteert van zijn buren voor de praktische uitvoering van bankzaken, acht het hof dit niet voldoende om te concluderen dat de rechthebbende zijn vermogensrechtelijke belangen zelfstandig kan behartigen. De rechthebbende heeft geen overzicht van zijn financiën, ondanks dat hij toegang heeft tot een digitaal platform via de bewindvoerder. Ook heeft hij niet aangetoond dat hij concrete stappen heeft gezet in het verkrijgen van financieel inzicht of gewerkt heeft aan zijn zelfredzaamheid. De rechthebbende dient (de toename van) zijn zelfredzaamheid eerst aan te tonen, alvorens het bewind kan worden opgeheven. Waar in 2019 de zoon bereid was de nodige ondersteuning te bieden waardoor het hof destijds aanleiding zag om het bewind op te heffen, zijn er nu geen direct betrokkenen die deze rol op zich kunnen nemen terwijl de rechthebbende wel ondersteuning nodig heeft voor deze zaken. Dat de rechthebbende moeite heeft met zijn huidige contactpersoon bij de bewindvoerder is onvoldoende grond om het bewind op te heffen. Daarbij merkt het hof op dat hij niet is ingegaan op een uitnodiging van de bewindvoerder om hierover in gesprek te gaan. De bewindvoerder heeft aangegeven dat ondanks de weerstand van de rechthebbende, het bewind uitvoerbaar is. 4.
  18. Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen. 4.
  19. Gezien de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 22 juli 2024; compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, C.N.M. Antens en S.P.A. Wensink-Vergunst en is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.