← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1027

Parketnummer : 20-001497-24 Uitspraak : 19 maart 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 3 juni 2024, in de strafzaak met parketnummer 96-129405-24 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983, wonende te [adres] . Hoger beroep De politierechter heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van ‘overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.250,00 euro, subsidiair 22 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet 1994, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 1.250,00 euro, subsidiair 22 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet 1994, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: zij op of omstreeks 11 april 2024 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij op 11 april 2024 te Eindhoven, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, registratienummer PL2100-2024077855, gesloten d.d. 12 april 2024, inhoudende een verzameling in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, pagina’s 1 tot en met

  1. De inhoud daarvan is hierna telkens zakelijk weergegeven.
  2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 april 2024, dossierpagina’s 9-10, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] : Op 11 april 2024, om 23.59 uur, kregen wij het verzoek om te gaan naar de [restaurant] in Best. Aldaar zou een vrouw met haar personenauto, voorzien van kenteken [kenteken] , staan in de [restaurant] . De bestuurster van het bovengenoemde voertuig zou onder invloed zijn.Op 12 april, omstreeks 00.10 uur kwamen wij ter plaatse op de parkeerplaats aan de voorzijde van de [restaurant] in Best. Wij zagen dat het genoemde voertuig voorzien van kenteken [kenteken] uit de [restaurant] reed. Wij zagen dat het voertuig slingerende bewegingen maakte. Wij zagen dat het genoemde voertuig op twee rijbanen reed. Wij gaven de bestuurster van het genoemde voertuig een stopteken. Wij moesten meerdere lichtsignalen geven voordat het voertuig stopte. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , vorderde de bestuurster de inzage van het rijbewijs. Ik zag dat dit rijbewijs toebehoorde aan [verdachte] . Ik zag dat de foto op het rijbewijs overeenkwam met de persoon welke voor mij stond. Ik zag, toen [verdachte] , uit haar auto stapte, dat zij zichzelf vast moest houden aan haar auto om niet te vallen. Ik zag dat [verdachte] onvast ter been was.Ik, verbalisant [verbalisant 2] , vorderde op 12 april 2024, om 00.17 uur, de medewerking aan de voorlopige ademtest. Ik zag dat [verdachte] , na meerdere keren uitleg gehad te hebben, haar lippen niet volledig om de blaastuit plaatste. Ik zag dat [verdachte] haar ogen meerdere malen dicht deed. Ik zag dat [verdachte] tegen haar auto leunde. Ik zag dat [verdachte] onvast ter been was. Ik zag er op het scherm van de voorlopige ademtest "Onvoldoende volume" verscheen.Ik vorderde op 12 april 2024, om 00.18 uur, voor de tweede keer de medewerking aan de voorlopige ademtest. Ik zag dat [verdachte] niet volledig blies in de voorlopige ademtest. Ik zag er op het scherm van de voorlopige ademtest "Onvoldoende volume" verscheen. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , heb op 12 april 2024 om 00.19 uur, [verdachte] de medewerking aan de ademanalyse bevolen.Wij zagen dat [verdachte] wankelde toen ze naar ons dienstvoertuig liep. Wij zagen dat [verdachte] zich vast hield aan ons dienstvoertuig om niet ten val te komen.Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zat links naast [verdachte] in ons dienstvoertuig. Ik rook een sterke alcoholische lucht. Ik zei tegen [verdachte] dat ze recht had op een advocaat en dat zij niet tot antwoorden verplicht was. Ik vroeg aan [verdachte] of zij iets van alcohol had genuttigd. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat dat inderdaad het geval was.Op 12 april 2024, om 00.40 uur, nam ik, verbalisant [verbalisant 1] , de ademanalyse af bij [verdachte] . Ik moest meerdere malen uitleggen wat de bedoeling was. Ik zag dat [verdachte] meerdere malen haar lippen niet goed om de blaastuit plaatse. Ik zei tegen [verdachte] dat, als ze dit moedwillig deed, het een weigering zou worden. Ik zag dat [verdachte] bij de eerste cyclus van de ademanalyse foutief blies. Ik zag dat [verdachte] bij de tweede cyclus drie keer foutief blies. Ik had sterk het vermoeden dat [verdachte] dit opzettelijk deed. Ik zei tegen [verdachte] dat dit een weigering betrof.
  3. Het proces-verbaal van rijden onder invloed d.d. 12 april 2024, dossierpagina’s 22-24, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] : Ik, [verbalisant 1] , heb op vrijdag 12 april 2024 om 00:18 uur, de bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig ademonderzoek), alsmede de aanwijzingen die ik in dat kader heb gegeven, op te volgen. Ondanks het ontbreken van de uitslag van het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht leidden de hieronder genoemde punten, bij mij, [verbalisant 2] , tot de verdenking van overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet
  4. Waarneming alcohol: - Ik rook dat de adem van de bestuurder naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank riekte. - Ik zag dat de bestuurder bloeddoorlopen ogen had. - Ik hoorde dat de bestuurder met dubbele tong sprak. - Ik zag dat de bestuurder onvast ter been was. Op het moment dat bestuurder uit het voertuig stapte moest ze zich vasthouden om niet om te vallen. Op 12 april 2024 om 00:19 uur, heb ik, [verbalisant 1] , de verdachte bevolen haar medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet
  5. Tevens heb ik haar meegedeeld, dat zij verplicht was tijdens dit onderzoek gevolg te geven aan alle, door de bedienaar van het ademanalyseapparaat, ten dienste van dit onderzoek gegeven aanwijzingen. Vervolgens is de verdachte meegedeeld, dat een weigering van dit onderzoek een misdrijf oplevert. De verdachte gaf op 12 april 2024 om 00:49 uur geen gevolg aan dit bevel, wat mij, [verbalisant 1] , bleek uit het volgende feit: nadat op 12 april 2024 om 00:40 uur met de ademanalyse werd aangevangen, weigerde de verdachte verdere medewerking. De weigering medewerking bleek uit: verdachte blies niet door en stopte steeds met blazen. Nadat ze een uitgebreide uitleg had gekregen hoe ze moest blazen weigerde ze deze uit te voeren en stopte ze gedurende alle blaastesten met blazen en deed ze haar lippen niet om het blaaspijpje heen. Als laatste hoorde verbalisant [verbalisant 1] haar zeggen "ik ben er klaar mee nu heb ik genoeg geblazen". Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. De raadsman van de verdachte heeft, overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota, bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat – in de kern weergegeven – niet bewezen kan worden dat de verdachte de ademanalyse opzettelijk heeft geweigerd. De verdachte heeft uitdrukkelijk niet geweigerd, het is gewoonweg niet gelukt, hetgeen mogelijk een medische oorzaak heeft. De verdachte heeft hypertrofie van de keelamandelen, hetgeen mogelijk de oorzaak is geweest dat de verdachte niet goed heeft kunnen blazen. De verbalisanten hadden de verdachte ingevolge artikel 163 lid 4 van de Wegenverkeerswet 1994 moeten vragen of zij toestemming zou verlenen aan een bloedonderzoek. De verdachte heeft meermalen om zo’n bloedonderzoek gevraagd, maar dit is haar telkens geweigerd. Uit deze verzoeken van de verdachte blijkt dat zij wèl heeft willen meewerken. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Vooropgesteld dient te worden dat een verdachte van rijden onder invloed ingevolge artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) verplicht is ademlucht te blazen in een voor het ademonderzoek bestemd apparaat als hem/haar daartoe door een opsporingsambtenaar het bevel is gegeven. Alleen in het geval de verdachte om bijzondere geneeskundige redenen niet aan de vordering tot medewerking aan de ademanalyse kan voldoen, is hij niet verplicht mee te werken (artikel 163, derde lid, WVW). In dat geval, of indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van bloedonderzoek (artikel 166, vierde lid, WVW). Naar aanleiding van een melding dat bij de [restaurant] een vrouw in een voertuig met kenteken [kenteken] onder invloed zou zijn, zijn de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter plaatse gegaan en hebben het genoemde voertuig de parkeerplaats van de [restaurant] zien verlaten. Zij zagen dat het voertuig slingerende bewegingen maakte en op twee rijbanen reed. Zij hebben de bestuurster een stopteken gegeven en moesten vervolgens meerdere lichtsignalen geven alvorens het voertuig stopte. Verbalisant [verbalisant 2] nam waar dat de adem van de verdachte riekte naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank. De verdachte gaf aan de verbalisant aan dat zij alcohol had genuttigd. De verbalisant hoorde dat de verdachte met dubbele tong sprak en zag dat zij bloeddoorlopen ogen had. Het staat naar het oordeel van het hof op grond van het vorenstaande genoegzaam vast dat de gearriveerde verbalisanten een verdenking als bedoeld in artikel 163, eerste lid, WVW konden aannemen en gelet daarop de bevoegdheid hadden om aan de verdachte een bevel te geven als bedoeld in hetzelfde lid van voornoemd artikel. Om 00:17 uur is de medewerking aan de voorlopige ademtest gevorderd. Na meerdere keren een uitleg te hebben gekregen sloot de verdachte haar lippen niettemin niet volledig om het tuitje van de blaasapparatuur. Om 00:18 is voor de tweede keer de medewerking gevorderd, maar ook in dat geval gaf het apparaat als resultaat “Onvoldoende volume”. Vervolgens is de verdachte bevolen haar medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 163, eerste lid, WVW en is haar medegedeeld dat zij verplicht was tijdens dit onderzoek gevolg te geven aan alle door de bedienaar van het ademanalyseapparaat gegeven aanwijzingen en is haar medegedeeld dat weigering van dit onderzoek een misdrijf oplevert. Nadat met de ademanalyse werd aangevangen blies de verdachte bij de eerste cyclus foutief. Bij de tweede cyclus blies de verdachte drie maal foutief. De verdachte blies niet door en stopte steeds met blazen. Zij weigerde de uitleg uit te voeren, stopte gedurende de ademanalyse met blazen en sloot haar lippen niet om het blaaspijpje. Verbalisant [verbalisant 1] hoorde de verdachte zeggen: ‘Ik ben er klaar mee, nu heb ik genoeg geblazen’. Voor de toepasselijkheid van artikel 163, vierde lid, WVW is in het geval van enkel een verdenking van het onder invloed zijn van alcohol vereist dat ofwel de medewerking aan het ademonderzoek om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is, ofwel dat de verdachte weliswaar medewerking heeft verleend aan de ademanalyse maar deze medewerking niettemin niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek. Uit de processen-verbaal volgt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat de verdachte de medewerking aan het ademonderzoek opzettelijk niet heeft verleend. De verdachte heeft zich niet-meewerkend opgesteld, door haar lippen meerdere malen niet goed om de blaastuit te plaatsen en derhalve te weigeren de uitleg naar behoren uit te voeren. De duur van het op onjuiste wijze blazen is hierop niet van invloed. Het betoog van de raadsman dat de verdachte 8,4 seconden zou hebben geprobeerd te blazen kan niet de waarneming wegnemen dat niet op de aangegeven wijze is geblazen. Dat de verdachte in het verhoor heeft aangegeven dat zij tegenonderzoek wenst middels een bloedonderzoek, doet daar naar het oordeel van het hof evenmin aan af. Nu naar het oordeel van het hof sprake was van een weigering, was er geen grond om de verdachte een bloedonderzoek te laten ondergaan, zoals haar ook in het verhoor duidelijk was gemaakt (pagina 10 van het dossier). Het hof acht de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring dat zij om medische redenen niet tot medewerking aan het ademonderzoek in staat was, omdat zij niet voldoende lucht naar buiten kan brengen, niet aannemelijk. Uit de processen-verbaal komt op geen enkele wijze naar voren dat medische problemen een rol zouden hebben kunnen spelen, al was het maar omdat de verdachte hier in het geheel niet over heeft gerept. Dat vergt niet dat de verdachte een medische diagnose kan stellen, maar wel kan aangeven dat het (uit)ademen niet goed wil lukken. De woorden ‘ik ben er klaar mee, nu heb ik genoeg geblazen’ vormen bepaald geen steun in die richting. Het hof heeft dan ook geen enkele reden om aan de inhoud en volledigheid van de voor het bewijs gebruikte processen-verbaal te twijfelen. De omstandigheid dat de verdachte lijdt aan hypertrofie van de keelamandelen, hetgeen overigens eerst op zitting in hoger beroep naar voren is gebracht, brengt bij gebrek aan duiding door een deskundige ter zake niet met zich mee dat thans aannemelijk is geworden dat bij de verdachte ten tijde van de blaastest sprake was van een bijzondere geneeskundige reden zoals bedoeld in artikel 163, derde lid, WVW. Het verweer van de verdediging wordt hierom verworpen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet
  6. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - geheel subsidiair – het hof verzocht in de strafmaat rekening te houden met de omstandigheid dat de verdachte reeds flink is gestraft ten gevolge van deze strafzaak. Voorts heeft de verdachte haar rijbewijs hard nodig voor haar werk. Indien het zou komen tot een veroordeling, is de verdachte haar rijbewijs in ieder geval voor een jaar kwijt, gelet op het tweede strafpunt ex artikel 123b WVW die zij dan zal krijgen, aldus de raadsman. Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij niet heeft meegewerkt aan een bevolen ademonderzoek. Dit handelen van de verdachte betreft een obstructie van de wettelijke mogelijkheden na te gaan of en zo ja, in welke mate een bestuurder van een motorrijtuig de door de wetgever gestelde norm betreffende alcohol en verkeer heeft overschreden, en daarmee van de mate waarin de veiligheid van overige verkeersdeelnemers in gevaar is gebracht. Het rijgedrag van de verdachte viel op en vormde voor het publiek die dit waarnam reden om de politie te bellen. Verbalisanten hebben de verdachte slingerend en over twee rijbanen zien rijden. Toen de verbalisanten haar staande hielden zagen zij dat de verdachte onvast ter been was en bloeddoorlopen ogen had, hoorde zij dat zij met dubbele tong sprak en roken zij dat haar adem naar alcohol rook. Bovendien verklaarde de verdachte dat zij alcohol had genuttigd. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 januari 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat zij zich voorafgaand aan het bewezenverklaarde eerder schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de WVW, in het bijzonder artikel 8 van genoemde wet, waaronder een onherroepelijke veroordeling in de afgelopen vijf jaar. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdachte heeft ten overstaan van het hof naar voren gebracht dat in 2021 haar vriend en tevens business partner is overleden. Daardoor is het bergafwaarts gegaan met de verdachte. Op enig moment heeft zij het roer omgegooid en is zij hard gaan werken om alles terug te krijgen. Zij is directrice van een cosmeticabedrijf en heeft tien werknemers teruggekregen in het bedrijf. Voor haar werk heeft zij haar rijbewijs nodig om naar klanten te kunnen gaan en een veroordeling zou tevens gevolgen hebben voor het afsluiten van benodigde productaansprakelijkheidsverzekeringen. Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Deze oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf in het geval van het weigeren van de ademanalyse, welk feit in beginsel overeenkomstig schaal IX van de tabel rijden onder invloed auto’s en motoren wordt afgedaan, een geldboete van € 1,000,00 en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden. In de onderhavige zaak is echter sprake van relevante recidive, hetgeen toepassing van de naast hogere schaal tot gevolg heeft. Het hof ziet geen reden om van deze oriëntatiepunten af te wijken. Alles afwegende acht het hof oplegging van een geldboete ter hoogte van € 1.100,00, subsidiair 21 dagen hechtenis, passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van deze geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte, voor zover daarvan uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken. Daarnaast ziet het hof aanleiding om, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde tevens de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen te ontzeggen. Het hof acht een rijontzegging voor de duur van 10 maanden passend en geboden. De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.100,00 (elfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis; ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 (tien) maanden; bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht. Aldus gewezen door: mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter, mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. Y. van Setten, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop, griffier, en op 19 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. W.E.C.A. Valkenburg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.