GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 23/353 tot en met 23/360 en 25/189 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, en het incidentele hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 2 februari 2023, nummers BRE 21/4417 tot en met 21/4425, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.
(2012)aan inkomen heeft genoten. 4.19. Belanghebbende stelt dat de inspecteur in zijn subsidiair standpunt bepaalde contante uitgaven ten onrechte in aanmerking heeft genomen en dat de resterende contante uitgaven kunnen worden verklaard door contant ontvangen huurinkomsten. Hij stelt dat de door de inspecteur veronderstelde contante uitgaven in verband met de verbouw van de loods in [plaats 3] en in verband met de aanschaf van de [auto 2] niet aan hem kunnen worden toegerekend, omdat de loods en [auto 2] beide eigendom zijn van zijn vader. Verder stelt belanghebbende dat de inspecteur ten onrechte contante uitgaven ten bedrage van € 217.745 in aanmerking heeft genomen in verband met de aanschaf van 53,5 kilogram henneptoppen, die tijdens de doorzoeking op 1 augustus 2016 zijn aangetroffen. Belanghebbende stelt dat deze henneptoppen afkomstig zijn uit zijn eigen kweek en heeft ter onderbouwing van die stelling een verklaring van zijn strafrechtadvocaat overgelegd. Ook stelt belanghebbende dat hij daadwerkelijk werkzaam is geweest als rijnvarende en derhalve ten onrechte contante uitgaven in verband met een pay back-constructie in aanmerking zijn genomen. Met betrekking tot de contant ontvangen huurinkomsten heeft belanghebbende verklaringen overgelegd van enkele huurders die verklaren huur contant aan belanghebbende te hebben voldaan. Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van de inspecteur stelt belanghebbende bovendien dat het kastekort niet per jaar is gespecificeerd en dat hij dus niet aannemelijk heeft gemaakt in welk jaar sprake is van een kastekort en wat het jaarlijkse beloop daarvan is. 4.20. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van de inspecteur oordeelt het hof als volgt. De inspecteur heeft het kastekort berekend over de periode 1 januari 2010 tot en met 1 augustus 2016 en het aldus berekende kastekort van € 790.150,99 gelijkelijk toegerekend aan de jaren 2010 tot en met 2016, dus € 112.879 per jaar. In het kastekort van € 790.150,99 zijn onder meer de volgende contante uitgaven in aanmerking genomen: uitgaven in verband met de aankoop van de [auto 2] ten bedrage van € 55.949 (paragraaf 10.1.2 uit het ontnemingsrapport); uitgaven die te maken hebben met het verbouwen van een loods, gelegen aan [adres 5] in [plaats 3] ten bedrage van € 172.768,19 (paragraaf 10.1.3 uit het ontnemingsrapport); uitgaven in verband met de aankoop van 53,5 kilogram henneptoppen ten bedrage van € 217.745 (paragraaf 10.4 uit het ontnemingsrapport). Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt dat de uitgaven in verband met de [auto 2] en de loods zijn toe te rekenen aan belanghebbende, nu hij deze goederen niet in eigendom heeft. Het hof constateert dat de inspecteur “AMB-059” dan wel “DOC 145”, waarnaar in voetnoot 30 van het ontnemingsrapport wordt verwezen, niet heeft ingebracht. Verder heeft de inspecteur, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt dat de 53,5 kilogram henneptoppen door belanghebbende zijn aangekocht. De uitgaven ten bedrag van € 55.949, € 172.768,19 en € 217.745 dienen derhalve te worden geëlimineerd uit het kastekort van € 790.150,99. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt dat het resterende kastekort niet kan worden verklaard door contant ontvangen huurinkomsten. Verder stelt belanghebbende terecht dat het over een lange periode berekende kastekort, niet per jaar is uitgesplitst. Het hof is van oordeel dat de inspecteur op basis van het subsidiaire standpunt niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in 2010, 2011 of 2012 een kastekort heeft gehad. 4.21. In het meer subsidiaire standpunt heeft de inspecteur wel een uitsplitsing per jaar gemaakt van de contante stortingen op de bankrekeningen van belanghebbende en [bedrijf 1] . De inspecteur heeft echter, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt dat de stortingen niet kunnen worden verklaard door contant ontvangen huurinkomsten. De inspecteur heeft voor de jaren 2010 en 2012 niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een kastekort. Weliswaar resteert voor het jaar 2011 wel een kastekort, maar dit is dermate gering van omvang, dat het niet aannemelijk is dat dit bedrag is genoten uit een bron van inkomen. 4.22. Gelet op wat in 4.20 en 4.21 is overwogen, is het hof van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gebreken in de aangiften IB/PVV 2010 tot en met 2012. De navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2012 en Zvw 2010 en de bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 opgelegde boetebeschikking moeten worden vernietigd. c. Nieuw feit 4.23. Niet in geschil is dat de inspecteur ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 niet beschikt over een nieuw feit. Het hof heeft reeds geoordeeld dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2012 en Zvw 2010 worden vernietigd (zie 4.22). Derhalve behoeft vraag c alleen beantwoording voor de navorderingsaanslagen IB/PVV 2013 en 2014. 4.24. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet de bevoegdheid heeft om na te vorderen, omdat hij niet beschikt over een nieuw feit. Volgens belanghebbende moeten de navorderingsaanslagen IB/PVV 2013 en 2014 daarom worden vernietigd. 4.25. De inspecteur stelt dat hij pas bekend werd met de feiten die aanleiding gaven tot navordering naar aanleiding van de bevindingen van de politie op 1 augustus 2016. Eerder had hij volgens hem geen weet van wat er zich in en rondom [adres 2] afspeelde en van de contante uitgaven en stortingen van belanghebbende. 4.26. Het hof stelt vast dat de aanslagen over de jaren 2013 en 2014 zijn opgelegd met dagtekening 28 april 2016 (IB/PVV 2013) respectievelijk 10 mei 2016 (IB/PVV 2014). De inspecteur kon zodoende op het moment van opleggen van deze aanslagen nog niet op de hoogte zijn van het bestaan van de hennepkwekerij en de contante uitgaven en stortingen. De bevindingen van de politie op 1 augustus 2016 rechtvaardigen in beginsel navordering door de inspecteur over 2013 en 2014. d. Kwade trouw 4.27. Het hof heeft reeds geoordeeld dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2012 en Zvw 2010 worden vernietigd (zie 4.22) en dat de inspecteur voor de jaren 2013 en 2014 beschikt over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt (zie 4.26). Derhalve behoeft vraag d alleen beantwoording voor de navorderingsaanslag IB/PVV 2015. 4.28. De inspecteur stelt dat hij de bevoegdheid heeft om de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 op te leggen, omdat belanghebbende bij het doen van de aangifte IB/PVV 2015 te kwader trouw was. De inspecteur heeft aan deze stelling dezelfde argumenten ten grondslag gelegd als aan zijn stelling dat belanghebbende niet de vereiste aangifte IB/PVV 2015 heeft gedaan. 4.29. Navordering is mogelijk ter zake van een feit ten aanzien waarvan de belastingplichtige te kwader trouw is, dit wil zeggen indien de belastingplichtige ten aanzien van dat feit de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. Alsdan is geen plaats voor vernietiging van de navorderingsaanslag, ook niet indien het feit ten aanzien waarvan wordt nagevorderd, de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. 4.30. Gelet op wat in 4.12, 4.13, 4.15 en 4.16 is overwogen, is het hof van oordeel dat aannemelijk is dat belanghebbende de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden ten aanzien van zijn inkomsten uit de hennepkwekerij. Het is van algemene bekendheid dat ook wederrechtelijk verkregen inkomsten moeten worden aangegeven, zodat belanghebbende wist dat hij deze inkomsten in de aangifte IB/PVV 2015 had moeten aangeven, hetgeen hij niet heeft gedaan. De inspecteur is derhalve bevoegd de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 op te leggen. Ten overvloede overweegt het hof dat het ook voor de jaren 2013 en 2014 - op gelijke gronden - aannemelijk acht dat belanghebbende de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden ten aanzien van zijn inkomsten uit de hennepkwekerij en dat de inspecteur bevoegd is de IB/PVV over die inkomsten na te vorderen. e. Redelijke schatting 4.31. Het hof heeft reeds geoordeeld dat belanghebbende voor de jaren 2013 tot en met 2016 niet de vereiste aangiften IB/PVV heeft gedaan (zie 4.16). Derhalve moet de bewijslast met betrekking tot de belastingaanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2016 en de aanslag Zvw 2016 worden omgekeerd en verzwaard. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de berekening van elk van deze belastingaanslagen redelijk en dus niet willekeurig behoort te zijn. Voor de beoordeling of aan deze maatstaf wordt voldaan, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een belastingaanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven. Daarvan uitgaande zal de inspecteur op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten moeten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van het bedrag van de belastingaanslag redelijk en dus niet willekeurig is. Waar het op aankomt is dat de inspecteur de hoogte van zijn schatting zodanig moet onderbouwen met feitelijke stellingen, dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. De beoordeling of een schatting redelijk (niet willekeurig) is, gaat niet zover dat de inspecteur feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken die meebrengen dat de door hem gemaakte schatting overeenkomt met de werkelijk verschuldigde belasting. Een zo ver gaande eis zou de omkering van de bewijslast ongedaan maken. Juist vanwege het gebrek aan informatie voor de inspecteur, dat heeft geleid tot omkering en verzwaring van de bewijslast, zal hij bij zijn schatting op basis van gegevens waarover hij wel beschikt, binnen de grenzen van de redelijkheid een zekere - van de omstandigheden van het geval afhankelijke - beoordelingsruimte moeten hebben. 4.32. De inspecteur heeft de schattingen gebaseerd op het de rapporten “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” (zie 2.6). Het hof heeft reeds geoordeeld dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat dat belanghebbende in elk van de 2013 tot en met 2015 een inkomen van € 206.648 heeft genoten en in 2016 een inkomen van € 79.480 (zie 4.15 en 4.16). f. Tegenbewijs 4.33. Vervolgens rust op belanghebbende de last om te doen blijken dat en in hoeverre de geschatte inkomens onjuist zijn. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat hij in de jaren 2013 tot en met 2016 in het geheel geen inkomsten uit de hennepkwekerij heeft genoten. Verder heeft belanghebbende met zijn stelling (
- i)dat een deel van de contante stortingen afkomstig is uit huurinkomsten en de terugboeking van een overbruggingskrediet en (
- ii)dat de [auto 2] en de loods in [plaats 3] van zijn vader zijn, niet doen blijken dat de belastingaanslagen te hoog zijn vastgesteld. Ten slotte heeft belanghebbende niet doen blijken dat ten onrechte buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking in aanmerking zijn genomen. Belanghebbende heeft deze inkomsten immers zelf in zijn aangiften IB/PVV 2013 tot en met 2016 verantwoord en heeft bovendien ter zitting van het hof bevestigd dat hij in de onderhavige jaren als rijnvarende werkzaam is geweest. 4.34. Gelet op het vorenstaande zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2015 en de aanslagen IB/PVV 2016 en Zvw terecht en tot de juiste bedragen vastgesteld. Conclusie met betrekking tot de belastingaanslagen 4.35. De navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2012 en Zvw 2010 moeten worden vernietigd (zie 4.22). De navorderingsaanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2015 en de aanslagen IB/PVV 2016 en Zvw zijn terecht en tot de juiste bedragen vastgesteld (zie 4.34). g. Boetebeschikkingen 4.36. Bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 en 2011 zijn geen boetebeschikkingen gegeven. Het hof heeft reeds geoordeeld dat de bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 gegeven boetebeschikking wordt vernietigd (zie 4.22). Derhalve behoeft vraag g alleen beantwoording voor de bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2015 gegeven boetebeschikkingen. 4.37. Op grond van artikel 67e AWR kan - voor zover hier van belang - een vergrijpboete worden opgelegd indien het aan opzet of grove schuld van een belastingplichtige is te wijten dat een aanslag van een belasting, die bij wege van aanslag wordt geheven, tot een te laag bedrag is vastgesteld of dat anderszins te weinig belasting is geheven. In dit geval heeft de inspecteur bij de navorderingsaanslagen 2013 tot en met 2015 vergrijpboetes opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting. In hoger beroep stelt de inspecteur dat het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de belastingaanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. 4.38. Bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dit geval opzet of grove schuld, is geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond. 4.39. Het hof heeft aannemelijk geacht dat de hennepkwekerij eind 2012 gereed was voor exploitatie, dat belanghebbende betrokken was bij de hennepkwekerij en dat daarmee verdiende inkomsten aan hem moeten worden toegerekend (zie 4.13). De inspecteur heeft dat echter niet “doen blijken”. Het is aannemelijk dat de hennepkwekerij operationeel is per 1 januari 2013 maar dit is niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan. Voor de bepaling van de beboetbaarheid moet het voordeel van de twijfel dan ook aan belanghebbende worden gegund. Het is dan ook niet overtuigend aangetoond dat belanghebbende al vóór 2016 inkomsten uit de hennepkwekerij genoot. 4.40. Voor zover de inspecteur stelt dat belanghebbende in de jaren 2013 tot en met 2015 inkomen uit een andere bron van inkomen heeft genoten, heeft het volgende te gelden. Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van de inspecteur is het over een lange periode berekende kastekort niet uitgesplitst per jaar, zodat de inspecteur niet heeft doen blijken of belanghebbende in elk van de jaren 2013 tot en met 2015 een kastekort en derhalve inkomsten uit een onbekende bron heeft genoten. Met betrekking tot zijn meer subsidiaire standpunt heeft inspecteur, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken, dat belanghebbende in 2013 tot en met 2015 een kastekort heeft geleden. Net als voor wat betreft de jaren 2010 en 2012 heeft de inspecteur immers ook voor wat betreft de jaren 2013 tot en met 2015 niet aannemelijk gemaakt dat de stortingen niet kunnen worden verklaard door contant ontvangen huurinkomsten (zie 4.21). 4.41. Gelet op het vorenstaande heeft de inspecteur niet doen blijken dat het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2015 tot te lage bedragen zijn vastgesteld. De bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2015 gegeven boetebeschikkingen moeten worden vernietigd. 4.42. De bij de aanslag IB/PVV 2016 gegeven boetebeschikking betreft een verzuimboete van € 369. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze boete terecht is opgelegd en dat het bedrag passend en geboden is. Belanghebbende heeft hiertegen geen grieven gericht. Het hof is van oordeel dat de rechtbank in overweging 3.19 op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Aangezien de boete minder dan € 1.000 bedraagt, had de rechtbank deze niet hoeven verminderen vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Omdat belanghebbende door het instellen van hoger beroep niet in een slechtere positie mag komen te verkeren dan zonder het instellen van hoger beroep het geval zou zijn geweest (reformatio in peius), handhaaft het hof de verzuimboete op het door de rechtbank gematigde bedrag van € 295. h. Bezwaar- en proceskostenvergoeding 4.43. Belanghebbende stelt dat de rechtbank de vergoeding van de bezwaar- en proceskosten tot een te laag bedrag heeft vastgesteld. Hij stelt dat de rechtbank ten onrechte (
- i)geen reden heeft gezien om over te gaan tot het vergoeden van de werkelijke kosten van bezwaar en beroep en (
- ii)bij de toepassing van het forfait niet het verschijnen bij de hoorzitting in de bezwaarfase in aanmerking heeft genomen. 4.44. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht die aanleiding geven gebruik te maken van de bevoegdheid af te wijken van artikel 2, lid 1, Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit). Dit oordeel behoeft geen nadere motivering. 4.45. De rechtbank heeft derhalve terecht artikel 2, lid 1, Besluit toegepast. Ter zitting van het hof heeft de inspecteur bevestigd dat in dat geval 1 punt moet worden toegekend voor het verschijnen bij de hoorzitting in de bezwaarfase. Het hof zal de vergoeding van de bezwaar- en proceskosten opnieuw vaststellen. Tussenconclusie 4.46. De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is, voor zover het betrekking heeft op de navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2012 en Zvw 2010 en de beschikkingen vergrijpboeten en dat het hoger beroep voor het overige ongegrond is. 4.47. De slotsom is dat het incidenteel hoger beroep van de inspecteur gegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.48. De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 136 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Ten aanzien van de proceskosten 4.49. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep en ook het beroep bij de rechtbank gegrond is. Evenals de rechtbank ziet het hof geen redenen die afwijking van de forfaitaire proceskostenvergoeding rechtvaardigen. Naar het oordeel van het hof is van bijzondere omstandigheden geen sprake. Het hof zal de vergoeding van de bezwaar- en proceskosten vaststellen met toepassing van artikel 2, lid 1, Besluit. 4.50. Daarbij wordt uitgegaan van zes samenhangende zaken waarin belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld. Dit betreft de hoger beroepen met de nummers 23/353 tot en met 23/359, betrekking hebbend op de navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2014 en Zvw 2010 dan wel de daarbij gegeven boetebeschikkingen. 4.51. Het hof stelt de tegemoetkoming in de kosten van het bezwaar op 2 (punten) x € 647 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 1.941. 4.52. Het hof stelt de tegemoetkoming in de kosten van het beroep op 2 (punten) x € 907 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 2.721. 4.53. Het hof stelt de tegemoetkoming in de kosten van het hoger beroep op 2 (punten) x € 907 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 2.721. 4.54. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt. 5Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond voor zover het betrekking heeft op de navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2012 en Zvw 2010 en op de bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 tot en met 2014 gegeven boetebeschikkingen; verklaart het hoger beroep van belanghebbende voor het overige ongegrond; verklaart het incidenteel hoger beroep van de inspecteur gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV 2013 en 2014 en de aanslagen IB/PVV 2016 en Zvw 2016 en de beslissingen over de vergoeding van het griffierecht en de immateriële schade; verklaart het tegen de uitspraken op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op de navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2012 en Zvw 2010 en op de boetebeschikkingen gegeven bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 tot en met 2015; vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2012 en Zvw 2010 en op de boetebeschikkingen gegeven bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 tot en met 2015; bevestigt de uitspraken op bezwaar voor het overige; vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2012 en Zvw 2010; vernietigt de bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 tot en met 2015 gegeven boetebeschikkingen; bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 136 vergoedt; veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 1.941; veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 5.442. De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, T.A. Gladpootjes en L.B.M. Klein Tank, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden. De griffier, De voorzitter, M.M. Stassen-Kanters B.J. Rubbens Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Het ontnemingsrapport behoort tot de gedingstukken. De processen-verbaal en brondocumenten waarnaar het ontnemingsrapport in de voetnoten verwijst, behoren niet tot de processtukken buiten een aantal processen-verbaal die belanghebbende bij nader stuk in hoger beroep heeft ingebracht. In de belastingaanslagen IB/PVV is ook belastbaar inkomen uit sparen en beleggen begrepen, maar omdat dat niet in geschil is, is dat hier niet vermeld. Uitgaande van het maximum bijdrage-inkomen. Artikel 8:110, lid 2, Awb. Artikelen 6:5, lid 1, 6:6 en 6:24 Awb. Artikelen 6:6 en 6:24 Awb. Artikel 7 Procesregeling belastingkamers gerechtshoven 2022. Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083. M. op den Oordt, A. Komorowski, M. Bovens en F. Koch. Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2198 en Hoge Raad 11 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2160. Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093. Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526. Vgl. Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverweging 3.6.2, aanhef en onderdeel c, derde gedachtestreepje, en Hoge Raad 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, rechtsoverweging 4.2.3, aanhef, punt 2, tweede gedachtestreepje. Hoge Raad 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:4. 1 punt voor bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, zie Besluit. 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit. 1 punt voor hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit.