← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1149

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.337.133/01 arrest van 22 april 2025 in de zaak van 1 [appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,

  1. [appellante sub 2] ,wonende te [woonplaats] , appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep, hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten] en afzonderlijk als [appellant sub 1] en [appellante sub 2] , advocaat: mr. I.A.C. Cools te Tilburg , tegen 1Gemeente [XX] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
  2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] , geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als de gemeente en [geïntimeerde sub 2] , advocaat: mr. B.J.P.G. Roozendaal te Breda, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 maart 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/395260 / HA ZA 22-107 gewezen vonnis van 20 september
  3. De zaak in het kort Partijen hebben al jaren een moeizame relatie met elkaar. [appellanten] beschuldigen [geïntimeerde sub 2] onder andere van aanranding van [appellante sub 2] . De gemeente en [geïntimeerde sub 2] willen dat [appellanten] stoppen met het uiten van onterechte beschuldigingen. Zij krijgen daarin gelijk. Het (grond)recht van [appellanten] op vrijheid van meningsuiting moet worden beperkt door een gebod om te stoppen met het beschuldigen omdat het (grond)recht van [geïntimeerde sub 2] en de gemeente op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en op bescherming van de eer en goede naam zwaarder weegt. [appellanten] vinden dat de gemeente en [geïntimeerde sub 2] hen zonder goede reden stelselmatig controleren en daarin te ver gaan. [appellanten] krijgen ongelijk omdat ze niet aannemelijk maken dat de gemeente misbruik van haar wettelijke bevoegdheden maakt. 1Het verdere verloop van de procedure 1.1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 12 maart 2024; het proces-verbaal van mondelinge behandeling na aanbrengen van 1 mei 2024; de memorie van grieven; de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel met eiswijziging, met producties; de memorie van antwoord in incidenteel appel. 1.1.
  4. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 2De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep De feiten 2.1.
  5. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij voor haar beoordeling relevant achtte. Deze vaststelling is niet met enige grief bestreden. In dit hoger beroep staan daarom de volgende feiten vast. 2.1.
  6. [geïntimeerde sub 2] is sinds eind 2007 in dienst van de gemeente, laatstelijk in de functie van concern directeur. [appellanten] zijn inwoners van de gemeente. 2.1.
  7. Tussen de gemeente en [appellanten] bestaat sinds 2005 een moeizame relatie. In dat jaar heeft de gemeente in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek het recht op uitkering van [appellanten] beoordeeld. Dit heeft geleid tot een besluit tot intrekking en terugvordering van de uitkering over een langere periode. De Centrale Raad van Beroep heeft de beslissing van de gemeente in stand gelaten. 2.1.
  8. [appellanten] hebben op 3 november 2011 via hun advocaat bij de gemeente een klacht ingediend over [geïntimeerde sub 2] . De klachtbrief, gericht aan [geïntimeerde sub 2] , vermeldt onder meer het volgende: "Cliënten lieten mij weten reeds geruime tijd hinder te ondervinden van bemoeienissen vanuit de gemeente [XX] . Hierbij komt opvallend vaak uw naam boven in de diverse contacten (...) Zo liet [appellante sub 2] weten dat zij op een onheuse manier door u bejegend is. U zou haar tijdens een gesprek op het gemeentehuis het gemeentekantoor hebben uitgeduwd. Cliënte was hiervan uiterst ontdaan en zij heeft hiervan aangifte willen doen bij de politie. Zij is ook daadwerkelijk naar het politiebureau te [XX] gegaan alwaar de betreffende verbalisante haar halverwege het gesprek, zodra uw naam werd genoemd, heeft aangeraden even te wachten. Later zou deze verbalisante cliënte telefonisch hebben geadviseerd de zaak te laten rusten met het oog op uw positie. 2.1.
  9. De gemeente heeft de klacht bij brief van 8 maart 2012 op basis van het advies van de klachtencommissie van 8 maart 2012 ongegrond verklaard. De klachtencommissie heeft de klacht onderzocht. De klachtencommissie heeft [appellanten] gehoord, en heeft [geïntimeerde sub 2] en zijn collega [persoon A] gehoord. De klachtencommissie vermeldt in haar advies: "(...) De Commissie hecht er verder aan te vermelden, dat haar gebleken is, dat [appellant sub 1] in het verleden onderwerp is geweest van de zogenaamde ‘patseraanpak’, maar dat dit niet meer het geval is en dat de concrete klachten ook geen relatie hebben met die aanpak. (...) Er is niet gebleken van enige vorm van ongepast handelen of van het proberen te voorkomen, dat een aangifte in behandeling wordt genomen. De verklaringen van klagers en beklaagde staan recht tegenover elkaar. [persoon A] , die op het moment van de gestelde mishandeling in de kamer aanwezig was, onderschrijft de verklaring van [geïntimeerde sub 2] . (...)" 2.1.
  10. [appellante sub 2] heeft in 2013 aangifte gedaan tegen [geïntimeerde sub 2] vanwege aanranding. Op 8 februari 2014 heeft [geïntimeerde sub 2] van de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant een kennisgeving van sepot ontvangen. Volgens de officier van justitie is [geïntimeerde sub 2] ten onrechte als verdachte aangemerkt. Het door [appellante sub 2] ingediende beklag tegen het sepot (een zogenaamde artikel 12-Sv procedure) is door het gerechtshof ongegrond verklaard. 2.1.
  11. Op 23 juni 2014 heeft een handhavingsactie plaatsgevonden vanuit de gemeente bij de panden van [appellanten] Het ‘operationeel plan integrale handhavingsactie [YY] ’ vermeldt onder andere: "(…) Algemene informatie /actuele situatie Sinds jaar en dag wordt [appellant sub 1] en zijn familie besproken op diverse integrale overleggen. Reden hiervan is het ondermijnende gedrag van de familie. [appellant sub 1] heeft diverse objecten in eigendom of huurt deze van o.a. de gemeente. Er is geen zicht op de activiteiten op deze locaties. Ook is geen duidelijk beeld op de feitelijke bewoning van de diverse onroerende zaken. (...) Deze actiedag in het kader van de BIT (Bestuurlijk interventie team) is gericht op het uitstralen van één overheid, een overheid die zich niet laat intimideren, maar een overheid die regels stelt én handhaaft. (...) Algemene uitgangspunten • Het beleid is erop gericht dat de handhavingsactie ongestoord doorgang kan vinden. • Het moet [appellant sub 1] duidelijk worden dat de "lokale" overheid klaar met hem is. Uitgangspunten gemeente Het gedegen inventariseren en controleren van al het oneigenlijk gebruik van de panden/gronden/loodsen van [appellant sub 1] en overige overtredingen op grond van die wet- en regelgeving en die lokale verordeningen (art. 149 Gemeentewet) waarvoor het gemeentebestuur het bevoegd gezag is. Dit met als uiteindelijk doel om mogelijke fraude en misbruik van wet- en regelgeving te beëindigen. Dit houdt in dat er onder meer gecontroleerd zal worden op: • Het bestaan van illegale bouwwerken • De constructieve veiligheid van de bouwwerken • De feitelijke bewoningssituatie • De brandveiligheid • Illegale bedrijvigheid (...)" 2.1.
  12. [appellante sub 2] heeft op 7 mei 2015 aangifte van stalking gedaan tegen de burgemeester en wethouders, tegen iemand van handhaving van de gemeente en tegen [geïntimeerde sub 2] . Verder is aangifte gedaan wegens misbruik van bevoegdheid door de gemeente. Op 14 juli 2015 is van [appellante sub 2] een aanvullende verklaring opgenomen. In het proces-verbaal van dat verhoor is onder andere opgenomen: "V: Zijn er nog andere zaken die we niet besproken hebben? A: [geïntimeerde sub 2] heeft mij destijds van mijn stoel geduwd, bij mijn borsten gepakt en gezegd dat als ik aangifte zou doen, hij mij helemaal kapot zou maken. Dit staat ook allemaal in de brieven die wij nu inleveren bij u. En hij zorgt er nu ook voor dat mijn loods en de wei worden afgepakt. (...)" 2.1.
  13. Op 20 juni 2017 heeft [appellant sub 1] een klacht ingediend bij de gemeente over de handelwijze van de afdeling handhaving, in het bijzonder van twee medewerkers. [appellant sub 1] is van mening dat de gemeente zich stelselmatig inmengt in zijn privéleven (en dat van zijn familie) en daarmee de gangbare controle- c.q. handhavingsbevoegdheid van een gemeente inmiddels ver overschreden heeft. In de klachtbrief wordt verwezen naar passages uit het ‘operationeel plan integrale handhavingsactie [appellant sub 1] ’ uit
  14. 2.1.
  15. De klacht van [appellant sub 1] is op 2 augustus 2017 ongegrond verklaard. 2.1.
  16. [appellanten] hebben op 2 juli 2018 een beroepschrift ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van 24 mei 2018 van de burgemeester van de gemeente [ZZ] , waarbij het bezwaar tegen het besluit van de burgemeester om een vergunningaanvraag buiten behandeling te laten, ongegrond is verklaard. In het beroepschrift staat onder meer te lezen: "(...) In ieder geval sinds het jaar 2012 gaat het echtpaar gebukt onder acties van bepaalde ambtenaren of functionarissen van genoemde gemeente. Deze acties zijn gericht tegen het echtpaar en hun gezin. Niet valt uit te sluiten dat de aanleiding van deze acties is gelegen in het feit dat [appellante sub 2] aangifte heeft gedaan tegen één van de gemeentefunctionarissen, welke aangifte uiteindelijk, ondanks een artikel 12 Sv- procedure niet heeft geleid tot vervolging. (...)" 2.1.
  17. Tijdens de behandeling van het beroepschrift bij de bestuursrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 13 november 2018 heeft [appellant sub 1] op de zitting opgemerkt: "Sinds 2005 rechtszaken in [XX] . Sindsdien altijd problemen met twee personen: [geïntimeerde sub 2] en [persoon C] . Die laatste is nu burgemeester. Ik heb gelijk gekregen bij de CRvB. Daarna is het blijven sudderen. Er is een aanranding geweest van [geïntimeerde sub 2] tegen mijn vrouw. Er zijn daarna dingen gebeurd, er moeten binnenkort 13 ambtenaren bij de rechter-commissaris komen. De aanranding werd niet gehonoreerd (...) Uit principe. Burgemeester [persoon C] krijgt dan zijn zin, als grote vriend van de aanrander van mijn vrouw. (...)" 2.1.
  18. Op 20 december 2018 heeft [appellant sub 1] een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, vanwege het voornemen om een vordering op grond van onrechtmatige daad in te stellen tegen de gemeente. Zowel [appellant sub 1] als [appellante sub 2] zijn op 3 juni 2019 als getuige gehoord. 2.1.
  19. [appellant sub 1] heeft onder andere verklaard: "Mijn vrouw is ooit eens aangerand door ene [geïntimeerde sub 2] , hoofd veiligheid bij de gemeente [XX] , Mijn vrouw heeft daarover aangifte gedaan bij de politie. (...) " 2.1.
  20. [appellante sub 2] heeft onder andere verklaard: "Ik ben het meest geraakt door het feit dat zij mij alles hebben afgenomen en ook dat [geïntimeerde sub 2] mij heeft aangerand. Dat gebeurde toen ik een afspraak had met [persoon A] van de gemeente. Op enig moment kwam [geïntimeerde sub 2] binnen. [persoon A] ging even de kamer uit nadat zij [geïntimeerde sub 2] aan mij had voorgesteld. Hij was haar baas zei ze. Toen [persoon A] even de kamer uit was pakte [geïntimeerde sub 2] mij plots bij mijn borsten en zei mij dat het met ons afgelopen moest zijn, anders zou hij ons helemaal kapot maken. Mijn man zat buiten in de auto te wachten. En ik ben onmiddellijk met hem naar het politiebureau gereden. Hij moest daar voor iets anders zijn. Toen heb ik ook direct melding gemaakt van dit voorval. (...) Men drong er bij op aan die aangifte niet te doen (…).” 2.1.
  21. Tijdens de voortzetting van het voorlopig getuigenverhoor op 9 september 2019 respectievelijk 6 november 2019 hebben eerder genoemde [persoon A] en [geïntimeerde sub 2] een verklaring afgelegd. 2.1.
  22. [persoon A] heeft onder andere verklaard: “Ik heb 2 maal met [appellante sub 2] persoonlijk contact gehad. 1 maal nadat zij mij overstuur had gebeld. Ik heb haar toen uitgenodigd voor een gesprek op het stadshuis. Zij is gekomen, maar dat verliep niet zoals zij dat zichzelf had voorgesteld. Omdat ik dat gesprek met haar in een rustige setting wilde voeren en er geen andere ruimte beschikbaar was dan de ruimte van mijn baas [geïntimeerde sub 2] , heb ik hem gevraagd of ik op zijn kamer het gesprek met [appellante sub 2] kon hebben. Dat vond hij prima als hij maar rustig op zijn plek verder kon werken. Hij is geen moment alleen met haar in de kamer geweest en heeft ook niet deelgenomen aan het gesprek. Op enig moment is [appellante sub 2] boos de kamer uit gelopen en ik ben haar nog achterna gelopen of zij ook daadwerkelijk de lift naar beneden zou nemen. Ik weet dat zij buiten nog stampij heeft gemaakt beneden bij de fontein. Nogmaals [geïntimeerde sub 2] is geen moment alleen met [appellante sub 2] geweest. (...)“ 2.1.
  23. [geïntimeerde sub 2] heeft onder andere verklaard: “(...) U vraagt mij naar datgene waarover [appellante sub 2] als getuige heeft verklaard, te weten dat ik haar zou hebben aangerand en waarover zij een klacht heeft ingediend en een aangifte heeft gedaan. Wat zij daarover vertelt is een leugen. Het betreft een bijeenkomst in mijn werkkamer van het gemeentehuis. Mijn collega [persoon A] , kwam aan mij vragen of zij op mijn kamer een gesprek kon hebben met [appellante sub 2] . Ik vond dat akkoord maar ik wilde wel kunnen blijven werken op mijn werkplek. Ik had in mijn tamelijk langwerpige kamer een spreektafel slaan en enkele meters verder mijn werkbureau. Het gesprek tussen [appellante sub 2] en [persoon A] was al gaande toen ik via één van de twee toegangen tot mijn kamer binnenkwam. Ik kwam via de ingang vanuit de richting van de kamer waar mijn secretaresse waarmee ik direct achter mijn bureau kwam. Ik ben aan mijn bureau gaan zitten en heb niet deelgenomen aan het gesprek tussen [appellante sub 2] en [persoon A] . Ik heb haar ook niet de hand geschud. De deur naar de secretaressekamer stond open en is open blijven staan. Ik heb er enkele minuten gezeten en ben toen weer vertrokken. Ik heb [appellante sub 2] daarna ook niet meer gezien. Het gesprek tussen [appellante sub 2] en [persoon A] was kennelijk geëindigd, althans zij waren er niet meer toen ik terugkwam. (...)" 2.1.
  24. De gemeente en [geïntimeerde sub 2] hebben [appellanten] bij brief van 23 december 2021 aansprakelijk gesteld. [appellanten] hebben aansprakelijkheid bij reactie van 12 januari 2022 afgewezen. 2.1.
  25. Op 18 februari 2022 heeft [appellant sub 1] telefonisch contact opgenomen met het Klant Contact Center (hierna: KCC) van de gemeente. Hij vroeg om een gesprek met een hoge ambtenaar vanwege een casus van een ambtenaar die iemand had aangerand. [appellant sub 1] is doorverbonden met [persoon D] , woordvoerder van de burgemeester van de gemeente. In de notitie die [persoon D] heeft opgesteld van het telefoongesprek is onder meer vermeld: "(...) De KCC-medewerker vertelde dat er iemand aan de lijn was die wilde spreken over een ambtenaar die iemand had aangerand, dat de zaak nog loopt, dat de gemeente voor schut zou gaan op deze casus en dat hij naar de krant zou gaan. [appellant sub 1] startte het gesprek met een uiteenzetting: Er is een ambtenaar die mijn vrouw heeft aangerand, in een ruimte in het gemeentehuis. Daar heeft hij aangifte van willen doen 2-3 jaar geleden. Op het politiebureau wilde men de aangifte niet in behandeling nemen omdat de politieagent deze ambtenaar kende en hem eerst wilde raadplegen. Twee dagen later belde de politie en heeft toen gezegd dat meneer beter geen aangifte kon doen. Daar zouden problemen van komen. Dit betreft een invloedrijke persoon. (...) Deze ambtenaar probeert me al jaren kapot te maken. Anderhalve maand geleden heb ik een brief van de gemeente, van AKD gekregen. Daar stond een dreigement in. Mijn advocaat zegt dat de gemeente te ver is gegaan. Ze speelt gevaarlijk spel. Er wordt met gemeenschapsgeld een advocaat betaald voor die aanrander. (...) Anderhalf jaar geleden is er een zaak geweest, daarin zijn ambtenaren gehoord. Daar is vastgesteld dat er sprake is van corruptie, valsheid in geschrifte, meineed. Waarom heb ik zoveel last van deze man. Dat maakt me laaiend. Ik ga hem last bezorgen, er komen verschillende artikelen, binnen twee weken, volgende week in de krant. Denk aan de Telegraaf. (...) Hij denkt mijn vrouw kapot te maken. Ik pik het niet dat die ambtenaar klakkeloos blijft werken, Die brief waarin ik aansprakelijk wordt gesteld is een regelrechte bedreiging. (...) Als hij (de ambtenaar) slim is dan trekt hij zich terug. Als ze (de gemeente) doorgaan met mij lastigvallen, dan zoek ik week in week uit de krant. Dit is grensoverschrijdend gedrag. (...) [appellant sub 1] zocht nogmaals contact: Iets later kreeg ik een terugbel notitie van het KCC, ik heb [appellant sub 1] teruggebeld. Hij wilde nog toevoegen dat hij met zijn advocaat Milo had gesproken. Die had gezegd dat hij nog moest toevoegen: dat de gemeente nooit heeft gevraagd om een toelichting, dat de gemeente nooit op verzoeken is ingegaan om te praten, dat de gemeente op de hoogte is van deze zaak, dat de gemeente achter een vermeende aanrander staat, dat de gemeente zich had moeten distantiëren en dat de gemeente niet erkent wat er met hem en zijn vrouw gebeurd is. Jullie gaan een zware pijp roken." 2.1.
  26. Kort hierop hebben de gemeente en [geïntimeerde sub 2] [appellanten] gedagvaard voor de rechtbank. De procedure bij de rechtbank 2.2.
  27. De gemeente en [geïntimeerde sub 2] vorderden (in conventie) - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. [appellanten] veroordeelt om zich (voortaan) te onthouden van het doen van uitlatingen, zowel schriftelijk als mondeling, over de gemeente en [geïntimeerde sub 2] , in het bijzonder [geïntimeerde sub 2] , waarbij [geïntimeerde sub 2] wordt beschuldigd van aanranding, stalking, bedreiging, fysiek en/of verbaal geweld of andere strafbare gedragingen; II. [appellanten] veroordeelt om aan [geïntimeerden] te voldoen een direct opeisbare, niet voor matiging vatbare dwangsom van € 5.000,00 voor iedere keer dat [appellanten] in strijd met het onder I geformuleerde veroordeling handelen, met een maximum van € 250.000,00; III. [appellanten] veroordeelt in de volledige proceskosten, inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente indien de kosten niet binnen twee weken na betekening van het vonnis zijn voldaan. 2.2.
  28. De gemeente en [geïntimeerde sub 2] hebben aan hun vordering het volgende ten grondslag gelegd. [appellanten] hebben de eer en goede naam van zowel de gemeente als van [geïntimeerde sub 2] aangetast door [geïntimeerde sub 2] in het openbaar ten onrechte te beschuldigen van - onder andere - aanranding van [appellante sub 2] . Dit levert een onrechtmatige daad op, die het gevraagde gebod rechtvaardigt. 2.2.
  29. [appellanten] vorderden (in reconventie) samengevat - dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat gemeente en [geïntimeerde sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellanten] door gedurende een lange periode en op ondeugdelijke gronden inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van [appellanten] ; II. de gemeente en [geïntimeerde sub 2] veroordeelt in de kosten van dc procedure, inclusief nakosten. 2.2.
  30. [appellanten] hebben aan hun vordering het volgende ten grondslag gelegd. De gemeente en [geïntimeerde sub 2] hebben jarenlang zonder deugdelijke grond met diverse instanties gesproken over [appellanten] en hebben ten onrechte handhavingsacties ingezet. De gemeente en [geïntimeerde sub 2] hebben daarmee inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [appellanten] Het stelselmatig zonder deugdelijk grond of onderbouwing, zonder toepassing van hoor en wederhoor en op oneigenlijke wijze gebruik maken van bevoegdheden is onrechtmatig, aldus [appellanten] 2.2.
  31. De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis van 20 september 2023 de vordering van de gemeente en [geïntimeerde sub 2] toegewezen voor zover deze ziet op de beschuldiging van aanranding, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen. Er is sprake van een ernstige beschuldiging die geen steun vindt in het feitenmateriaal. De beschuldiging is herhaaldelijk in het openbaar geuit. De beschuldiging heeft schadelijke gevolgen voor de gemeente en [geïntimeerde sub 2] . Dit alles maakt dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het recht op vrijheid van meningsuiting en dat het gevorderde gebod (grotendeels) toewijsbaar is. Het opleggen van een dwangsom is nodig omdat uit niets blijkt dat [appellanten] bereid zijn vrijwillig aan de veroordeling te voldoen. De rechtbank heeft de vordering van [appellanten] afgewezen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen. [appellanten] hebben niet aangevoerd dat de gemeente en [geïntimeerde sub 2] een bevoegdheid hebben ingezet die zij op grond van de wet niet hebben. Als uitgangspunt geldt dan ook dat de gemeente en [geïntimeerde sub 2] bevoegd waren om tot controle over te gaan, uiteraard binnen de grenzen van die bevoegdheid. Dat de gemeente en [geïntimeerde sub 2] die grenzen hebben overschreden, in die zin dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid, is door [appellanten] onvoldoende gemotiveerd gesteld. De procedure bij het hof 2.3.
  32. [appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank (in conventie en in reconventie). Zij hebben acht grieven aangevoerd en geconcludeerd het bestreden vonnis te vernietigen, de vorderingen van de gemeente en [geïntimeerde sub 2] alsnog af te wijzen en de vorderingen van [appellanten] alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de gemeente en [geïntimeerde sub 2] in de proceskosten. 2.3.
  33. De gemeente en [geïntimeerde sub 2] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank (in conventie). Zij hebben één grief aangevoerd en geconcludeerd het bestreden vonnis te vernietigen, voor zover betrekking hebbend op de gedeeltelijke afwijzing van de vordering van de gemeente en [geïntimeerde sub 2] , en opnieuw rechtdoende op grond van de gewijzigde eis die luidt: I. [appellanten] te veroordelen om zich (voortaan) te onthouden van het doen van een beschuldiging richting en over de gemeente en [geïntimeerde sub 2] , zowel schriftelijk als mondeling, te weten dat [geïntimeerde sub 2] in 2011 tijdens een gesprek in het gemeentehuis op ook maar enigerlei wijze [appellante sub 2] onheus heeft bejegend, daaronder doch niet uitsluitend begrepen bejegening op het gebied van aanranding, stalking, mishandeling, bedreiging, fysiek en/of verbaal geweld of een andersoortige bejegening die in het maatschappelijk verkeer als onbetamelijk moet worden aangemerkt; II. [appellanten] te veroordelen om aan de gemeente en [geïntimeerde sub 2] te voldoen een direct opeisbare, niet voor matiging vatbare dwangsom van € 5.000,00, voor iedere keer dat [appellanten] in strijd handelen met het onder I gevorderde verbod met een maximum van € 250.000,00; III. [appellanten] te veroordelen in de (proces)kosten alsmede de nakosten van het geding, onder bepaling dat [appellanten] de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over deze kosten verschuldigd zullen zijn wanneer zij deze kosten niet binnen twee weken na betekening het in deze te wijzen arrest zullen hebben voldaan. 2.3.
  34. [appellanten] hebben geen processuele bezwaren geuit tegen de wijziging van eis van de gemeente en [geïntimeerde sub 2] . Het hof acht de wijziging ook ambtshalve niet in strijd met de goede procesorde, zodat het hof de gewijzigde eis zal beoordelen. Het recht op vrijheid van meningsuiting tegenover het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer 2.4.
  35. Het hof behandelt eerst de grieven 1 tot en met 5 van [appellanten] en de (ene) grief van de gemeente en [geïntimeerde sub 2] naar aanleiding van de beslissingen van de rechtbank over de uitlatingen van [appellanten] richten hun grieven tegen de beslissingen van de rechtbank: - dat de uitlatingen geen steun vinden in het feitenmateriaal (grief 1); - dat de uitlatingen herhaaldelijk in het openbaar zijn gedaan (grief 2); - dat er een reële kans is dat de uitlatingen reputatieschade veroorzaken (grief 3); - dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het recht op vrijheid van meningsuiting (grief 4); - dat het opleggen van een dwangsom aangewezen is (grief 5). De gemeente en [geïntimeerde sub 2] richten hun grief tegen de beslissing van de rechtbank dat het gebod alleen ziet op de beschuldiging van aanranding. 2.4.
  36. De rechtbank heeft in 5.
  37. van het bestreden vonnis het beoordelingskader uiteengezet voor situaties zoals in deze zaak aan de orde, waarin de gemeente en [geïntimeerde sub 2] ter onderbouwing van hun vordering op grond van onrechtmatige daad een beroep doen op het (grond)recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en [appellanten] in het kader van hun verweer daartegen een beroep doen op het (grond)recht op vrijheid van meningsuiting. Tegen dit beoordelingskader is geen grief gericht. Het hof neemt dit - juiste-beoordelingskader ook in hoger beroep tot uitgangspunt. De rechtbank heeft in 5.
  38. tot en met 5.
  39. van het bestreden vonnis uitgebreid gemotiveerd op grond van welke feiten en omstandigheden zij tot het oordeel is gekomen dat het door de gemeente en [geïntimeerde sub 2] gevorderde gebod toewijsbaar is. De hiertegen door [appellanten] gerichte grieven slagen niet. Daartoe overweegt het hof het volgende. 2.4.
  40. Het hof deelt niet het in hoger beroep bepleite standpunt van [appellanten] dat [appellante sub 2] steeds consistent heeft verklaard over de gebeurtenissen tijdens het gesprek in
  41. Uit de hierboven weergegeven vaststaande feiten blijkt dat [geïntimeerde sub 2] in 2011 het verwijt wordt gemaakt dat hij [appellante sub 2] het kantoor zou hebben uitgeduwd (2.1.4.), in 2013 dat hij haar zou hebben aangerand (2.1.6.), in 2015 dat sprake zou zijn van stalking (2.1.8.), in 2018 en 2022 dat [geïntimeerde sub 2] [appellante sub 2] zou hebben aangerand. In 2019 verklaarde [appellante sub 2] dat [geïntimeerde sub 2] haar had aangerand en bij de borsten zou hebben gepakt (2.1.15). Gelet hierop is geen sprake van consistente verklaringen. Het hof ziet daarnaast geen verklaring van [appellanten] voor de omstandigheid dat kort na het gesprek in 2011 het verwijt wordt gemaakt dat [appellante sub 2] het kantoor uit zou zijn geduwd en in 2013, geruime tijd na het gesprek, het verwijt wordt gemaakt van aanranding, een beduidend andere handeling en een beduidend ernstiger beschuldiging. In 2019 verklaart zij voor het eerst dat hij haar bij de borsten zou hebben gepakt. Het hof ziet voorts voor geen van deze verwijten, noch voor de overige gemaakte verwijten steun in enig ander bewijsmiddel. De verklaring van [persoon A] (2.1.17) vermeldt dat [appellante sub 2] nooit alleen met [geïntimeerde sub 2] in de kamer is geweest en dat alleen zij het gesprek met [appellante sub 2] heeft gevoerd. De verklaring van [persoon A] vermeldt verder dat [appellante sub 2] boos de kamer uitliep omdat het gesprek niet naar haar zin verliep en ook dat [appellante sub 2] buiten het kantoor nog boos gedrag vertoonde. Deze verklaring biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat [geïntimeerde sub 2] tijdens het bezoek van [appellante sub 2] aan het kantoor in 2011 enige onheuse of onbetamelijke handeling jegens [appellante sub 2] heeft verricht. Het verwijt van stalking wordt niet gemaakt naar aanleiding van het gesprek in 2011, maar naar aanleiding van een handhavingsactie van de gemeente, zo blijkt uit de hierboven in 2.1.
  42. en volgende vermelde feiten. De beschuldiging(en) van [appellanten] vinden dan ook geen steun in het beschikbare feitenmateriaal. 2.4.
  43. De beschuldiging van aanranding is door [appellanten] herhaaldelijk in het openbaar gedaan. Onder uitlatingen in het openbaar gedaan dient te worden verstaan dat de uitlatingen zijn gedaan onder zodanige omstandigheden of op zodanige wijze dat zij in beginsel door anderen dan tegenover wie zij zijn gedaan zouden kunnen worden gehoord. De uitlating dat [geïntimeerde sub 2] [appellante sub 2] in 2011 heeft geduwd dan wel mishandeld is in 2011 gedaan in een klacht aan de gemeente. Naar aanleiding daarvan heeft de klachtencommissie onderzoek verricht. Daarmee is de beschuldiging jegens [geïntimeerde sub 2] ook aan anderen bekend gemaakt. De uitlating dat [geïntimeerde sub 2] [appellante sub 2] heeft aangerand is in 2013 gedaan in een aangifte bij de politie. De politie heeft onderzoek verricht, waarna een artikel 12 Sv procedure is gevolgd bij het gerechtshof. Daarmee is de beschuldiging jegens [geïntimeerde sub 2] ook aan anderen bekend gemaakt. In een nadere verklaring naar aanleiding van een aangifte van stalking is de uitlating gedaan dat [geïntimeerde sub 2] [appellante sub 2] heeft aangerand. Daarmee is de beschuldiging ook aan anderen bekend gemaakt. De uitlating dat [geïntimeerde sub 2] [appellante sub 2] heef aangerand is vervolgens in 2018 in een procedure bij de bestuursrechter en in 2019 in een procedure bij de burgerlijke rechter gedaan. Daarmee is de beschuldiging jegens [geïntimeerde sub 2] ook aan anderen bekend gemaakt. Dezelfde beschuldiging is tot slot ook geuit in 2022 in een gesprek met het Klant Contact Center van de gemeente, waarna [persoon D] , woordvoerder van de burgemeester van de gemeente, een gesprek met [appellant sub 1] heeft gevoerd. De niet nader gemotiveerde betwisting van [appellanten] dat dit gesprek heeft plaatsgehad wordt, gelet op de gedetailleerde verklaringen van [persoon D] op schrift en ter zitting van de rechtbank, verworpen. 2.4.
  44. [appellanten] betogen dat geen sprake is van aantasting van de eer en goede naam van [geïntimeerde sub 2] en de gemeente. Zij verwijten de rechtbank slechts veronderstellingen te hebben gedaan en betogen dat bewijs van (reputatie)schade ontbreekt. [appellanten] wijzen erop dat uitlatingen alleen in procedures waarbij de gemeente betrokken is zijn gedaan. Het hof constateert dat de gemeente en [geïntimeerde sub 2] in de dagvaarding bij de rechtbank hebben gesteld dat zij immateriële schade lijden als gevolg van de uitlatingen van [appellanten] omdat [geïntimeerde sub 2] in persoon en in zijn hoedanigheid van (hoge) ambtenaar valselijk wordt beschuldigd van onbetamelijk gedrag, hetgeen hem raakt, en welke beschuldiging ook bij andere personen bekend is gemaakt. De onheuse beschuldiging berokkent ook de gemeente als overheidsorgaan dat een goede reputatie hoog heeft te houden reputatieschade, zo stelt de gemeente. Blijkens hetgeen de rechtbank in 5.
  45. van het bestreden vonnis heeft overwogen hebben [geïntimeerde sub 2] en de gemeente hun stellingen ter zitting bij de rechtbank nader toegelicht. Uit de overwegingen van de rechtbank volgt dat de rechtbank ten minste de mogelijkheid aannemelijk acht dat [geïntimeerde sub 2] en de gemeente (reputatie)schade hebben geleden. De enkele omstandigheid dat [appellanten] de uitlatingen tijdens procedures waarbij de gemeente is betrokken heeft gedaan, zoals [appellanten] aanvoeren, acht het hof ontoereikend om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De uitlatingen zijn immers niet uitsluitend in procedures gedaan, maar ook via een aangifte, klacht of gesprek bij anderen, waaronder medewerkers van de gemeente en politie terecht gekomen, zo volgt uit hetgeen het hof in 2.4.
  46. heeft overwogen. 2.4.
  47. Het hof begrijpt uit de inhoud van de memorie van grieven dat [appellanten] vinden dat de inhoud van hun grieven 1 tot en met 3 meebrengt dat de weging van de beide grondrechten in hun voordeel moet uitvallen. Het hof deelt dit standpunt niet nu uit de voorgaande overwegingen volgt dat de grieven 1 tot en met 3 niet slagen. Het hof voegt daar het volgende aan toe. [appellanten] hebben over een lange periode vanaf 2011 tot en met 2022 de uitlating gedaan dat [geïntimeerde sub 2] [appellante sub 2] tijdens een gesprek in 2011 heeft aangerand. Dit is een ernstige zware beschuldiging die geen steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal. Toen het gerechtshof in de artikel 12 Sv procedure het bewijsmateriaal had onderzocht en de klacht van [appellanten] tegen de beslissing van het openbaar ministerie om [geïntimeerde sub 2] niet strafrechtelijk te vervolgen ongegrond had verklaard, hadden zij moeten stoppen met deze uitlating. Dat hebben zij niet gedaan. Zij hebben in 2018 en 2019 de beschuldiging in gerechtelijke procedures herhaald en in het bijzonder in 2022 de beschuldiging ook aan medewerkers van de gemeente nog eens geuit, onder (herhaaldelijke) dreiging naar de media te gaan. De omstandigheid dat uitlatingen ook tijdens gerechtelijke procedures zijn gedaan en de uitlating aldaar bij een beperkte kring van personen is terechtgekomen laat onverlet dat de uitlating ook bij medewerkers van de politie en van de gemeente bekend is en, zo blijkt uit het verslag van [persoon D] , bij twee politieke partijen bekend is. Tot slot is - ten minste - de mogelijkheid aannemelijk dat [geïntimeerde sub 2] en de gemeente als gevolg van de uitlatingen (reputatie)schade lijden. Dit alles leidt ertoe dat het (grond)recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer voorgaat boven het (grond)recht op vrijheid van meningsuiting. Dit laatste recht van [appellanten] dient gelet op de voorgaande beoordeling te worden beperkt omdat sprake is van een onrechtmatige daad van [appellanten] 2.4.
  48. De grief van [appellanten] dat de rechtbank ten onrecht een dwangsom aan de door haar gegeven veroordeling heeft verbonden is niet inhoudelijk gemotiveerd. Ook tegen de hoogte ervan is geen verweer gevoerd, terwijl de rechtbank in eerste aanleg eveneens heeft geconstateerd dat een dergelijk verweer niet is gevoerd. Het ontbreken van verweer in twee instanties brengt mee dat het hof geen aanleiding ziet de gevorderde en opgelegde dwangsom ambtshalve te matigen. 2.4.
  49. Naar aanleiding van de grief van de gemeente en [geïntimeerde sub 2] is nu aan de orde wat de inhoud van het aan [appellanten] te geven gebod is. De gemeente en [geïntimeerde sub 2] beogen met hun in hoger beroep gewijzigde vordering dat [appellanten] zich onthouden van iedere beschuldiging van onheus of onbetamelijk gedrag van [geïntimeerde sub 2] tijdens een gesprek in
  50. De gemeente en [geïntimeerde sub 2] hebben dit verwoord met de formulering dat [appellanten] worden veroordeeld zich te onthouden van uitlatingen inhoudende ‘dat [geïntimeerde sub 2] in 2011 tijdens een gesprek in het gemeentehuis op ook maar enigerlei wijze [appellante sub 2] onheus heeft bejegend, daaronder doch niet uitsluitend begrepen bejegening op het gebied van aanranding, stalking, mishandeling, bedreiging, fysiek en/of verbaal geweld of een andersoortige bejegening die in het maatschappelijk verkeer als onbetamelijk moeten worden aangemerkt’. 2.4.
  51. Het hof overweegt dat, anders dan de gemeente en [geïntimeerde sub 2] betogen, voor het opnemen van concrete handelingen of gedragingen in een gebod ter beperking van het (grond)recht van vrijheid van meningsuiting noodzakelijk is dat ten aanzien van elke concreet verwoorde handeling of gedraging stellingen voorhanden zijn die het oordeel rechtvaardigen dat het uiten daarvan na weging van de beide in geding zijnde (grond)rechten op grond van onrechtmatige daad dient te worden beperkt. Afhankelijk van alle omstandigheden van het geval kan een weging immers tot verschillende uitkomsten leiden en al dan niet een verbod rechtvaardigen. Het hof is het wel met de gemeente en [geïntimeerde sub 2] eens dat een gebod voldoende doeltreffend dient te zijn om het (grond)recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer te beschermen. Om die reden is aanvulling van de door de rechtbank gegeven veroordeling aangewezen in die zin dat [appellanten] zich ook dienen te onthouden van mondelinge of schriftelijke uitlatingen inhoudende dat [geïntimeerde sub 2] in 2011 tijdens een gesprek in het gemeentehuis [appellante sub 2] onheus heeft bejegend op een wijze die in het maatschappelijk verkeer als onbetamelijk moeten worden aangemerkt. Is sprake van misbruik van bevoegdheid van de gemeente jegens [appellanten] ? 2.5.
  52. Met de grieven 6 en 7 betogen [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de gemeente jegens hen niet onrechtmatig heeft gehandeld. [appellanten] verwijten de gemeente stelselmatig inbreuk te maken op hun persoonlijke levenssfeer. [appellanten] voeren aan dat de gemeente meermalen bevoegdheden heeft ingezet zonder dat daartoe naar de mening van [appellanten] enige verklaarbare aanleiding was. Zij wijzen op: - Een huurkwestie op het adres aan [adres A] , beschreven in een brief van 3 november 2011 (productie 1 bij de conclusie van antwoord); - Het klaarblijkelijk bespreken van [appellanten] in een 'patseroverleg', zoals is bevestigd door de adviescommissie naar aanleiding van een klacht van [appellanten] (productie 2 Conclusie van antwoord) - De handhavingsactie van 23 juni 2014 (productie 3 conclusie van antwoord); - De bemoeienissen van de gemeente met de zaak tussen [appellanten] en [bedrijf A] aangaande de woning aan de [adres B] (productie 9 van de zijde van [appellanten] in eerste aanleg) - Handhavingsacties in 2015, 2016 en 2017 op het adres [adres C] (productie 5 conclusie van antwoord); - De aanwezigheid van de gemeente [XX] bij de zaak rondom [adres D] te [ZZ] (productie 9 van [appellanten] in eerste aanleg). 2.5.
  53. Het hof constateert dat [appellanten] in hun grieven slechts het standpunt vermelden dat de gemeente zonder aanleiding bevoegdheden jegens hen of hun eigendommen inzet. Zij motiveren in de grieven aan de hand van het rapport naar aanleiding van de handhavingsactie in 2014 dat de in dat rapport genoemde beweegredenen voor die actie ontoereikend zijn om die actie te rechtvaardigen. Ook vermelden [appellanten] het standpunt dat alle acties van de gemeente niets hebben opgeleverd. 2.5.
  54. Zoals de rechtbank in 5.
  55. van het bestreden vonnis heeft overwogen is sprake van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 lid 2 BW indien deze bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden, met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in een situatie waarin dat naar redelijkheid niet had gemogen, omdat het belang bij uitoefening duidelijk niet opweegt tegen het belang dat wordt geschaad. [appellanten] hebben niet gesteld dat de gemeente niet bevoegd is controles uit te voeren en, indien daartoe aanleiding is, handhavend op te treden. De voorbeelden die [appellanten] noemen betreffen situaties waarin de gemeente deze, haar toekomende bevoegdheden heeft uitgeoefend. Het ontbreekt, evenals in de procedure bij de rechtbank het geval was, aan door [appellanten] te stellen feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de gemeente disproportioneel heeft gehandeld of heeft gehandeld met de bedoeling hen te schaden. Uit het rapport van de acties in 2014 blijkt de aanleiding en de doelstelling daarvoor. Uit het rapport blijkt ook, anders dan [appellanten] betogen, dat er toen meerdere situaties zijn geconstateerd die tot handhaving aanleiding gaven. Uit de door [appellanten] vermelde correspondentie over acties in 2015, 2016 en 2017 aan de [adres C] blijkt eveneens dat herhaaldelijk een situatie is geconstateerd die tot handhaving aanleiding gaf. Ook ten aanzien van de betrokkenheid van de gemeente bij de verkoop van een woning door [bedrijf A] in 2015 en ten aanzien van de controleactie van ‘ [adres D] ’ in 2016, in verband waarmee [appellanten] wijzen op productie 9 in eerste aanleg, ontbreken stellingen die de conclusie rechtvaardigen dat daarbij sprake is van misbruik van bevoegdheid. Het hof constateert ook dat [appellanten] geen voorbeelden geven van bevoegdheidsuitoefening door de gemeente van na 2016 tot in
  56. [appellanten] voeren wel aan dat de reden voor de door hen gevorderde verklaring voor recht is dat zij op die wijze erkenning voor het hun aangedane leed wensen, maar het belang bij deze enkele verklaring voor recht is na zo’n lang tijdsverloop tot de datum van dit arrest niet evident duidelijk. Wat daar ook van zij, uit het voorgaande volgt dat de vordering van [appellanten] een deugdelijke grondslag ontbeert. De grieven tegen de beslissing tot afwijzing van de vordering slagen niet. De slotsom 2.6.
  57. De grieven 1 tot en met 7 van [appellanten] in principaal hoger beroep slagen niet. Dat brengt mee dat grief 8, die is gericht tegen de beslissing dat [appellanten] in de proceskosten worden veroordeeld van de gedingen in conventie en reconventie, ook niet slaagt. De grief van de gemeente en [geïntimeerde sub 2] in incidenteel hoger beroep slaagt gedeeltelijk, hetgeen tot een aanvulling van de door de rechtbank gegeven veroordeling leidt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, met dien verstande dat de veroordeling van [appellanten] wordt aangevuld op de wijze als in 2.4.
  58. is verwoord. 2.6.
  59. Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de gemeente en [geïntimeerde sub 2] zullen vastgesteld worden op: Griffierechten € 783,00 Salaris advocaat € 1.821,00 (1,5 punt(en) x tarief II à € 1.214,00) Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.782,00 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3De uitspraak Het hof: op het principaal en incidenteel hoger beroep bekrachtigt het bestreden vonnis van 20 september 2023, met dien verstande dat de veroordeling onder 6.
  60. van dit vonnis wordt aangevuld en luidt: veroordeelt [appellanten] om zich te onthouden van het doen van uitlatingen, zowel schriftelijk als mondeling, inhoudende dat [geïntimeerde sub 2] in 2011 tijdens een gesprek in het gemeentehuis [appellante sub 2] heeft aangerand, dan wel anderszins onheus heeft bejegend op een wijze die in het maatschappelijk verkeer als onbetamelijk moeten worden aangemerkt; veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van de gemeente en [geïntimeerde sub 2] , begroot op € 2.782,00, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [appellanten] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten zij € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening; veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan; verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders door de gemeente en [geïntimeerde sub 2] gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. P.W.A. van Geloven, S.M.J. Korthuis-Becks en D. Knottenbelt en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 april
  61. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.