← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1173

Parketnummer : 20-002613-24 Uitspraak : 17 januari 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 1 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-067903-22 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1956, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘belaging’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de politierechter aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegd, te weten een contactverbod met [slachtoffer] voor de duur van 2 jaren, waarbij is bepaald dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen voor iedere keer dat de verdachte de maatregel overtreedt De rechtbank heeft de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schadevergoeding integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2021 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens heeft de politierechter de verdachte veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal een contactverbod voor de duur van drie jaar geëist en onmiddellijke uitvoerbaarverklaring daarvan. Tot slot heeft de advocaat-generaal geëist de vordering van de benadeelde partij volledig toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, alsmede met toewijzing van de proceskosten. De raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit. Voorts is een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging bepleit dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, subsidiair is de onderbouwing betwist. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met aanvulling en verbetering van de gronden, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Verbetering van de bewijsmiddelen Mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, is het hof van oordeel dat de bewijsvoering de navolgende verbetering behoeft. Het hof schrapt het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel ‘het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , brigadier bij de Eenheid Limburg d.d. 24 december 2021’, zoals weergegeven op pagina 5, onder d, van het beroepen vonnis. Voorwaardelijk verzoek De verdediging heeft verzocht verbalisant [verbalisant] als getuige te horen bij de raadsheer-commissaris voor zover het hof zou twijfelen aan de waarachtigheid van het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] of de verklaring van de getuige [getuige] ter terechtzitting. Nu het hof het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] noch de verklaring van getuige [getuige] bezigt voor het bewijs en in zoverre niet toekomt aan een beoordeling van de betrouwbaarheid hiervan, behoeft het voorwaardelijk verzoek geen verdere bespreking. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belaging. De verdachte heeft gedurende een periode van ruim drie maanden inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, die als advocaat van de wederpartij optrad in een civiele procedure tegen de partner van de verdachte. De verdachte had zelf geen enkele zakelijke relatie met het slachtoffer, maar heeft hem wel veelvuldig e-mailberichten gestuurd. De inhoud van de e-mails was vaak zeer onvriendelijk van toon. Zo werd het slachtoffer uitgescholden voor “maffia- maatje’’ en werd hem op zeer dwingende wijze geadviseerd de rechtsbijstand te staken. Ook werd gedreigd met omvangrijke vorderingen en klachtprocedures als het slachtoffer niet zou doen wat de verdachte wilde. Dat laatste is ook meerdere malen gebeurd. Door zijn handelen heeft de verdachte rechtstreeks de privacy en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer aangetast. Slachtoffers van belaging ervaren nog lange tijd gevoelens van angst en onveiligheid. Uit toelichting ter terechtzitting blijkt ook dat het slachtoffer tot op de dag van vandaag nog altijd psychische klachten ervaart en op geen enkele wijze contact wil hebben met de verdachte. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 oktober 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij hartproblemen heeft en onder controle staat van de cardioloog, dat hij medicatie gebruikt, dat hij samenwoont met zijn vrouw en dat hij een AOW-uitkering ontvangt. Alles afwegende acht het hof, met de rechtbank, oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Het hof ziet geen aanleiding om over te gaan tot oplegging van de straf zoals door de advocaat-generaal is gevorderd. Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het hof ziet voorts aanleiding om ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten over te gaan tot oplegging van een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat de verdachte op geen enkele wijze contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer [slachtoffer] . Het hof overweegt daartoe dat de verdachte bij vonnis van de politierechter van 1 oktober 2024 reeds een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod opgelegd had gekregen met het slachtoffer, welke maatregel dadelijk uitvoerbaar was verklaard, maar dat de verdachte desondanks op 5 oktober 2024 wederom bij de Orde van Advocaten een klacht heeft ingediend tegen het slachtoffer. Het contactverbod zal worden opgelegd voor de duur van 3 jaren met aftrek van de periode gedurende welke de maatregel al van kracht is geweest. Het hof zal daarbij bepalen dat indien het contactverbod wordt overtreden, per overtreding 3 dagen vervangende hechtenis zal worden toegepast, waarbij de totale duur van de vervangende hechtenis ten hoogste 6 maanden bedraagt. Het hof zal voorts bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, nu – gelet op het vorenstaande – er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens het slachtoffer [slachtoffer] . Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering integraal zal worden toegewezen. De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, subsidiair heeft de raadsman de onderbouwing van de vordering betwist nu er geen bewijs zou zijn dat het kantoor van het slachtoffer gesloten is geweest. Het hof overweegt als volgt. Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat, maar uit letsel op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof is uit de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde stukken en mondelinge toelichting gebleken dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde psychische schade heeft geleden en tot de dag van vandaag nog steeds de gevolgen en klachten daarvan ondervindt. De benadeelde partij staat nog steeds onder behandeling bij een psychiater en is door de belaging niet meer in staat zijn werkzaamheden als advocaat uit te kunnen oefenen. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, mede gelet op de bedragen die door de Nederlandse rechter in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht het hof de immateriële schade die de benadeelde partij rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden voor integrale toewijzing vatbaar. Mitsdien zal het hof daartoe overgaan. Wettelijke rente Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2021, zijnde de laatste dag van de bewezenverklaarde periode, tot aan de dag der algehele voldoening. Proceskosten Namens de benadeelde partij is door de advocaat verzocht om de verdachte te veroordelen in de proceskosten ter hoogte van € 476,00 en € 858,00, gemaakt voor de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. De advocaat van de benadeelde partij heeft voor wat betreft de procedure in hoger beroep verzocht om toewijzing naar de maatstaf van 1 punt conform het tarief I van het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven geldend vanaf 1 februari 2024. Het hof zal de verdachte veroordelen in de gevorderde proceskosten. Het hof sluit aan bij de kosten zoals gevorderd door de advocaat van de benadeelde partij. Gelet op de hoogte van de gevorderde bedragen in totaal en het toepasselijke liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven is het gevorderde bedrag redelijk en is ook overigens het maken van deze kosten redelijk, zodat de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden aangemerkt, zal worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. De kosten worden begroot op een totaalbedrag van € 1.334,00. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 2.500,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht: veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken; bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1974 te [geboorteplaats 2] , met aftrek van de periode gedurende welke de maatregel al van kracht is geweest, en beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, waarbij de duur van deze vervangende hechtenis ten hoogste 3 dagen bedraagt voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden en bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft; beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is; Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2021 tot aan de dag der voldoening; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.334,00 (zegge: duizend driehonderdvierendertig euro); legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2021 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt; bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige. Aldus gewezen door: mr. M.M. Koevoets, voorzitter, mr. S.C. van Duijn en mr. F. van Es, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. E.C.M. van der Valk, griffier, en op 17 januari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.