Parketnummer : 20-000625-24 Uitspraak : 7 januari 2025 TEGENSPRAAK (ex. art 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 maart 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-260671-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen’ (feit 1 primair) en ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen (feit 2), veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 2.500,00 bestaande uit een bedrag van € 1.500 als vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 1.000,00 als vergoeding van immateriële schade, zulks met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De politierechter heeft de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en bepaald dat dit deel aangebracht kan worden bij de burgerlijke rechter. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft – naar het hof begrijpt – gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarnaast heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten slotte heeft de raadsman verweer gevoerd met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij, zulks op na te melden wijze. Vonnis waarvan beroep Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
- primairzij op of omstreeks 29 januari 2023 te Goirle openlijk, te weten [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] door: - meermalen, althans eenmaal in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen en/of te stoten en/of te duwen en/of te trappen en/of te schoppen en/of - meermalen, althans eenmaal met een schroevendraaier en/of een mes, althans een scherp voorwerp te steken en/of te krassen in/op het lichaam van die [slachtoffer] ; subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: zij op of omstreeks 29 januari 2023 te Goirle tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door deze meermalen, althans eenmaal in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te stoten en/of te duwen en/of te trappen en/of te schoppen en/of meermalen, althans eenmaal met een schroevendraaier en/of een mes, althans een scherp voorwerp in/op het lichaam te steken en/of te krassen; 2.zij op of omstreeks 29 januari 2023 te Goirle opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto (Mercedes), in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [aangever] en/of [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1.primair zij op 29 januari 2023 te Goirle openlijk, te weten aan [adres] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door: - meermalen tegen het gezicht van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen en hem te duwen en - meermalen met een scherp voorwerp te krassen op het lichaam van die [slachtoffer] . 2.zij op of omstreeks 29 januari 2023 te Goirle opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto (Mercedes), die geheel of ten dele aan [aangever] en/of [slachtoffer] , toebehoorde heeft beschadigd. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal Vernieling en openlijke geweldpleging van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, Team Leijdal, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie, registratienummer PL2000-2023199366, gesloten d.d. 6 augustus 2023, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met
- Het proces-verbaal van aangifte d.d. 3 februari 2023 (dossierpagina’s 12-14), met fotobijlage (dossierpagina’s 15-27), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [slachtoffer] : Ik doe aangifte ter zake zware mishandeling, eenvoudige mishandeling en vernieling tegen mijn buren, woonachtig op [adres] . Op zondag 29 januari 2023, omstreeks 01.30 uur, zag ik dat de buurvrouw van [adres] met een schroevendraaier de motorkap van onze auto aan het bekrassen was. Ik zag dat de buurman naast haar stond. Ik liep direct naar buiten. Mijn vriendin, [getuige 1] en [getuige 2] volgden mij. Ik zag dat de buurman naar mij toe kwam. Ik keek op dat moment om en ik zag dat de buurman naast mij stond. Ik voelde dat hij mij naar de grond duwde, ik weet niet meer hoe dit ging. Vervolgens zag ik dat de buurvrouw op mij sprong. Ik raakte vervolgens buiten bewustzijn. Toen ik terug bij bewustzijn kwam, werd ik door de kinderen naar binnengebracht. Ik voelde pijn aan mijn hoofd en ik voelde me wazig. De volgende ochtend, zondag 29 januari 2023, stond ik op en voelde ik pijn aan mijn hoofd en hele lijf. Ik ben naar de huisartsenpost gegaan en daar bleek dat mijn neus was gebroken, ik een hersenschudding had en meerdere krassen over mijn rug en ledematen had.
- Het proces-verbaal van aangifte d.d. 3 februari 2023 (dossierpagina’s 7-11), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [aangever] : Ik doe aangifte van zware mishandeling, eenvoudige mishandeling en vernieling van mijn auto door de buren van [adres] . Sinds een jaar of twee wonen [medeverdachte] en [verdachte] , haar achternaam weet ik niet, naast ons, [op] [adres] . Zondag 29 januari omstreeks 01:15 uur zaten [slachtoffer] (het hof begrijpt hier en hierna: aangever [slachtoffer] ), [getuige 1] , [getuige 2] en ik nog in de woonkamer. Op een gegeven moment hoorden we geluid buiten. [slachtoffer] is door het raam gaan kijken en zag dat [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna: verdachte [verdachte] ) met een schroevendraaier de motorkap van mijn auto aan het bewerken was. [slachtoffer] is naar buiten gelopen en heeft geroepen dat [verdachte] moest stoppen. [medeverdachte] was ook buiten en begon [slachtoffer] te duwen. [verdachte] stond met een telefoon in haar handen het duw en getrek van [slachtoffer] en [medeverdachte] te filmen. Op dat moment draaide [slachtoffer] om, die achter mij stond. Hij werd toen geduwd door [medeverdachte] . [slachtoffer] viel op de grond. [verdachte] begon [slachtoffer] te steken met de schroevendraaier die ze in haar hand had.
- Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 mei 2023 (dossierpagina’s 39-46), voor zover inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] : V: Vraag verbalisant A: Antwoord verdachte A: Ik heb hem toen drie pompen gegeven. V: Wat bedoel je met drie pompen gegeven? A: Hij kwam op me af, toen gaf ik hem een klap. Daarna viel hij op de grond. (…) Ik heb de drie klappen met mijn vuist gegeven in zijn gezicht.
- De eigen waarneming van het gerechtshof op de in het procesdossier gevoegde foto’s (pg. 15 tot en met 27): Het hof neemt op de foto’s waar diverse schaafwonden, blauwe plekken en roodkleurige krassen op het lichaam van aangever. Ook neemt het hof op de foto’s waar diverse blauwe/rode plekken en zwellingen in het gezicht van aangever, met daarbij een kromstand van de neus.
- Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 maart 2023 (dossierpagina’s 29-30), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] : [slachtoffer] draaide om waarop [medeverdachte] , de buurman, [slachtoffer] van achter duwde. Hij viel op de grond, met zijn buik op de grond. Ik zag dat [verdachte] er meteen opdook en ik wilde daarop reageren door haar weg te duwen, maar [medeverdachte] viel mij meteen aan en probeerde mij weg te houden. Ik zag in mijn ooghoek nog dat [verdachte] bezig was met [slachtoffer] . Ik zag dat ze erop dook, maar het ging heel snel.
- Het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, van 1 maart 2024, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] : Ik heb de auto bekrast. De buren zijn naar buiten gekomen en toen was er ruzie. Er kwam een gevecht. Bewijsoverwegingen I. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman – in de kern weergegeven – het volgende aangevoerd. Hoewel vastgesteld kan worden dat verdachte [verdachte] de auto met een scherp voorwerp heeft bekrast en dat het daarna tot een confrontatie is gekomen tussen aangever [slachtoffer] en medeverdachte [medeverdachte] , waarbij [medeverdachte] door aangever werd geduwd en [medeverdachte] hem in reactie daarop meermalen heeft geslagen, kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] aangever met een scherp voorwerp heeft gestoken. Het letsel van het slachtoffer is verklaarbaar door de val op de grond waar kiezelstenen lagen. Het gaat om twee aparte incidenten. Van openlijk in vereniging gepleegd geweld jegens aangever is geen sprake, aldus de raadsman. Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat medeverdachte [medeverdachte] het slachtoffer heeft geduwd en geslagen, waardoor deze op de grond terecht is gekomen. Gelet op de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [verdachte] hem vervolgens met een scherp voorwerp op zijn lichaam heeft gekrast. Dit volgt uit de verklaring van [aangever] in combinatie met de foto’s van het letsel van [slachtoffer] , waarop meerdere krassen zichtbaar zijn, die gelet op de uiterlijke verschijningsvorm lijken te zijn toegebracht met een enkel scherp voorwerp en niet door dicht op elkaar liggende scherpe kiezelstenen. Het hof acht de verklaring van verdachte, dat zij het mes na het bekrassen van de auto naar binnen heeft gebracht niet geloofwaardig, nu het dossier geen enkele aanwijzing bevat dat zij tussendoor naar binnen is geweest. Integendeel, uit de verklaring van getuige [getuige 1] volgt dat de verdachte direct na de duw op [slachtoffer] vloog en dat de medeverdachte hem belette om in te grijpen. Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen straf Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging, waarbij de verdachte en haar mededader het slachtoffer [slachtoffer] – kort gezegd – meermalen tegen het gezicht hebben geslagen/gestompt en meermalen met een scherp voorwerp op zijn lichaam hebben gekrast. Door aldus te handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. In het algemeen veroorzaakt dergelijk handelen gevoelens van onrust, angst en onveiligheid bij slachtoffers. Dit incident heeft openlijk plaatsgevonden, waardoor personen ongewild getuige (kunnen) zijn geweest van (een deel van) het gepleegde geweld. Bij hen kan door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte tevens een gevoel van onrust, angst en onveiligheid ontstaan. Voorts is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat zij de auto van het slachtoffer heeft bekrast en aldus heeft beschadigd. Met dit handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat zij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 oktober 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat zij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft ten slotte acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten gaan bij een openlijke geweldpleging begaan tegen personen en met lichamelijk letsel ten gevolge hebbend als vertrekpunt uit van een taakstraf voor de duur van 150 uren. Alles afwegende acht het hof in de zaak oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg ten aanzien van het tenlastegelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.733,33 aan schade, bestaande uit € 4.233,33 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade. De materiële schade heeft betrekking op kosten ter zake van de reparatie van de auto. De politierechter heeft bij vonnis waarvan beroep de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.500,- bestaande uit materiële schade en een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof een bedrag van € 1.000,- zal toewijzen als vergoeding van immateriële schade en een bedrag van € 4.123,33 zal toewijzen aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. De raadsman heeft primair bepleit dat het hof de immateriële schade zal afwijzen in verband met de bepleite vrijspraak. Met betrekking tot de materiële schade heeft de raadsman primair bepleit de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd, in welk verband de raadsman de afzonderlijke posten en/of onderdelen van de vordering heeft betwist. Subsidiair, en in het geval het hof gebruik maakt van zijn schattingsbevoegdheid, heeft de raadsman bepleit dat het hof het toe te kennen bedrag aan materiële schadevergoeding substantieel zal matigen. Immateriële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof verder voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat door het bewezenverklaarde handelen een grove inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij en het hof acht het voldoende aannemelijk dat het bewezenverklaarde een psychische impact op het slachtoffer heeft gehad. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, en gelet op de bedragen die door de Nederlandse rechter in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, begroot het hof de immateriële schade die de benadeelde partij rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op een bedrag van € 500,
- De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof is voorts van oordeel dat de verplichting tot schadevergoeding hoofdelijk opgelegd dient te worden en dat de vordering voor het overige afgewezen dient te worden. Materiële schade Niettegenstaande dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de auto van benadeelde partij door de verdachte is beschadigd, is naar het oordeel van het hof door de benadeelde partij niet inzichtelijk gemaakt welk deel van de gevorderde schadevergoeding het rechtstreeks gevolg is van het strafbare feit. Het hof is van oordeel dat het een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren indien het hof de zaak aan dient te houden om de gegrondheid van de gevorderde materiële schade nader te kunnen onderzoeken. Daarbij komt dat de vordering door de verdediging is betwist. De benadeelde partij kan daarom thans in dit gedeelte van de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering voor dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2023, zijnde de datum van het bewezenverklaarde feit, tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof acht termen aanwezig om de proceskosten te compenseren in dier voege dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 500,
- De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 141 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (zegge: honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (zegge: vijfenzeventig) dagen hechtenis; wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte met haar mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag; wijst de vordering tot schadevergoeding voor wat betreft de immateriële schade voor het overige af; verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten dragen; legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 10 (zegge: tien) dagen kan worden toegepast, indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Aldus gewezen door: mr. drs. M.C.C. van de Schepop, voorzitter, mr. S.V. Pelsser en mr. drs. J.J. Peters, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. C. Schenker, griffier, en op 7 januari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken. De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.