Parketnummer : 20-001677-24 Uitspraak : 16 april 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 juni 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-169639-24 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Sittard te Sittard. Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van hetgeen onder feit 2 is tenlastegelegd. De politierechter heeft het onder feit 1 en onder feit 3 tenlastegelegde bewezenverklaarde, dat gekwalificeerd als ‘diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren’ (feit 1) en ‘diefstal’ (feit 3), de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] , die betrekking heeft op feit 1, geheel toegewezen tot een bedrag van € 657,17 bestaande uit € 107,17 aan materiële schade en € 550,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] , die betrekking heeft op feit 3, is toegewezen tot een bedrag van € 3.762,44 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Tenslotte heeft de politierechter een beslissing genomen omtrent de proceskosten. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het namens hem ingestelde hoger beroep voor zover dit ziet op feit 2. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf, en dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof overeenkomstig de politierechter dient te beslissen. De verdediging heeft vrijspraak bepleit van hetgeen aan de verdachte onder feit 1 is tenlastegelegd. Subsidiair is verzocht om de door de politierechter opgelegde straf aan de verdachte op te leggen. De verdediging heeft zich met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] op het standpunt gesteld dat deze niet kan worden toegewezen (het hof begrijpt: in verband met de bepleite vrijspraak van feit 1). De verdediging heeft zich, subsidiair, ten aanzien van de immateriële schade gerefereerd aan het oordeel van het hof en zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat de vordering voor zover deze ziet op de post ‘verlies van arbeidsvermogen’, dient te worden afgewezen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor zover deze ziet op de posten ‘Apple Iphone laders’ en ‘Kentekenbewijs’, niet kan worden toegewezen. Ontvankelijkheid van het hoger beroep De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Limburg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – met aanvulling van de bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1 en met aanvulling van de toepasselijke wetsartikelen. In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Aanvulling van de bewijsoverwegingen (feit 1) Het hof is van oordeel dat de bewijsmotivering van de politierechter voor zover deze betrekking heeft op feit 1, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, dient te worden aangevuld met de navolgende overwegingen. De verdediging heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen aan de verdachte onder feit 1 is tenlastegelegd. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat de herkenning door aangeefster [benadeelde 1] niet kan worden gebezigd voor het bewijs, nu uit het dossier niet blijkt welke foto(’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.