← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1228

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.348.715/01 arrest van 29 april 2025 in de zaak van 1de vennootschap onder firma [appellante sub 1] ,gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

  1. [appellant sub 2] , vennoot van appellante sub 1,wonende en kantoorhoudende te [woonplaats] ,
  2. [appellant sub 3] , vennoot van appellante sub 1, wonende en kantoorhoudende te [woonplaats] ,
  3. [appellant sub 4] , vennoot van appellante sub 1, wonende en kantoorhoudende te [woonplaats] ,
  4. [appellante sub 5] , vennoot van appellante sub 1, wonende en kantoorhoudende te [woonplaats] , allen in hoedanigheid van bewindvoerder over de gelden en goederen van [partij], wonende te [woonplaats] , appellanten, hierna aan te duiden als [appellante sub 1] , advocaat: mr. M. Raaijmakers te Amsterdam, tegen Stichting WonenBreburg, gevestigd en kantoorhoudende te Tilburg, geïntimeerde, hierna aan te duiden als WonenBreburg, advocaat: mr. M.M. de Cock te Tilburg, op het bij exploot van dagvaarding van 4 december 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 6 november 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , gewezen tussen [appellante sub 1] als gedaagden en WonenBreburg als eiseres. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 11068922 \ CV EXPL 24-1455) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep 2.
  5. [appellante sub 1] heeft bij voormeld exploot WonenBreburg opgeroepen om te verschijnen ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 december 2024, waarbij in een nog in te dienen memorie van grieven gronden zullen worden aangevoerd ter onderbouwing van de eis en conclusie zoals in de appeldagvaarding vermeld. 2.
  6. Aan [appellante sub 1] is een termijn en vervolgens uitstel, ambtshalve peremptoir, verleend voor het nemen van de memorie van grieven. 2.
  7. Op de rol van 11 maart 2025 heeft de rolraadsheer vastgesteld dat het recht van [appellante sub 1] om de memorie van grieven te nemen is vervallen, omdat die proceshandeling niet binnen de daarvoor gestelde termijn is verricht en daarvoor geen nader uitstel is verkregen. De rolraadsheer heeft van dat feit aan WonenBreburg akte van niet-dienen verleend. 3De beoordeling 3.
  8. [appellante sub 1] heeft tegen het vonnis waarvan beroep geen grieven aangevoerd. Dit brengt mee dat [appellante sub 1] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep. WonenBreburg heeft niet verzocht een memorie van eis in incidenteel hoger beroep te mogen nemen (artikel 2.21 LPR). 3.
  9. [appellante sub 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. 4De uitspraak Het hof: verklaart [appellante sub 1] niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep; veroordeelt [appellante sub 1] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van WonenBreburg tot aan deze uitspraak begroot op € 798,00 aan griffierecht en op € 607,00 (0,5 punt x tarief II) aan salaris advocaat. Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, P.P.M. Rousseau en E.H. Schulten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 april
  10. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.