Parketnummer : 20-002329-22 Uitspraak : 2 mei 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de economische kamer van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 3 oktober 2022 op de vordering tot oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 82-282232-20 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, wonende te [adres 1] , hierna: betrokkene. Hoger beroep Bij het vonnis waarvan beroep is het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 63.240,58 en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor datzelfde bedrag. Daarnaast is de duur van de gijzeling – die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd – vastgesteld op 1080 dagen. Namens de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. De raadsman van de betrokkene heeft het hof primair verzocht de vordering tot oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af te wijzen, omdat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als gevolg van de inbeslagneming en vernietiging van het bij de betrokkene aangetroffen vuurwerk reeds is ontnomen. Subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan. Vonnis waarvan beroep Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen, omdat het zich daarmee niet kan verenigen. Bewijsmiddelen Het hof baseert zijn oordeel dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen op de hierna te vermelden wettige bewijsmiddelen – waarnaar telkens in de voetnoten wordt verwezen – en ontleent aan de inhoud van die bewijsmiddelen tevens de schatting van de omvang van bedoeld voordeel. Grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel De betrokkene is bij vonnis van de economische kamer van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s- Hertogenbosch, van 3 oktober 2022 onder parketnummer 82-282232-20, veroordeeld ter zake van het meermalen opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer (artikel 1.2.2, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit). Na het instellen van hoger beroep in deze zaak heeft het hof bij arrest van heden onder parketnummer 20-002328-22 de betrokkene eveneens veroordeeld ter zake van dezelfde feiten. Het hof ontleent aan de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen het oordeel dat de betrokkene een voordeel als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft verkregen. Het hof stelt vast dat aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van voormeld artikellid is voldaan, aangezien de betrokkene is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie en aannemelijk is dat dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 63.240,58. De advocaat-generaal heeft het hof verzocht het vonnis van de rechtbank te bevestigen. De raadsman van de betrokkene heeft het hof primair verzocht de vordering tot oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af te wijzen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel, als gevolg van de inbeslagneming en vernietiging van het onder de betrokkene aangetroffen vuurwerk, hem reeds is ontnomen. De betrokkene heeft namelijk al het voordeel dat hij uit eerdere handel in illegaal vuurwerk heeft verkregen, geïnvesteerd in de aankoop van nieuw vuurwerk, dat uiteindelijk door de politie in beslag is genomen en vernietigd. Subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het vuurwerk dat in Delft is aangetroffen en inbeslaggenomen, niet van de betrokkene was, en dat het overige inbeslaggenomen vuurwerk een waarde had van tussen de € 27.000,00 en € 32.000,00, terwijl in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van een waarde van € 83.696,25. Daar komt bij dat de betrokkene heeft verklaard dat (een deel van) de contante stortingen die op zijn bankrekening en op de bankrekening van zijn ex-vriendin [betrokkene 1] zijn gedaan, een legale herkomst hebben, namelijk die van een lening van [betrokkene 2] aan de betrokkene van € 8.500,00, een verjaardagsgift aan [betrokkene 1] ter hoogte € 1.400,00 en financiële bijdragen van de opa en oma van de betrokkene en de vader van [betrokkene 1] . Het hof overweegt als volgt. De betrokkene is bij arrest van dit hof van 2 mei 2025 veroordeeld ten zake van het meermalen overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer (artikel 1.2.2 eerste lid van het Vuurwerkbesluit). Betrokkene heeft toegegeven dat hij gedurende een – de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten omvattende – periode (onder andere online) heeft gehandeld in vuurwerk. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep acht het hof aannemelijk dat de betrokkene in de periode van 1 januari 2020 tot en met 22 juni 2021 wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de handel in illegaal vuurwerk, zoals in voormeld arrest bewezen is verklaard alsook uit andere feiten waarvoor naar het oordeel van het hof voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de betrokkene zijn begaan. Omdat in het strafrechtelijk onderzoek geen zicht is verkregen op alle individuele transacties met betrekking tot strafrechtelijke activiteiten en de daarmee samenhangende opbrengsten, is het voordeel door de politie geschat aan de hand van een zogenaamde eenvoudige kasopstelling. Door middel van deze methode van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt nagegaan of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene meer contante uitgaven heeft gedaan dan via legale bron kunnen worden verantwoord. In deze methode worden de totale contante uitgaven afgezet tegen de beschikbare legale contante gelden. Indien de totale contante uitgaven groter zijn dan de beschikbare legale contante gelden (met andere woorden: het uiteindelijke verschil negatief is), is er sprake van onbekende contante inkomsten. Een negatieve kas is immers niet mogelijk; men kan niet meer uitgeven dan men fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft, tenzij sprake is van een andere, onbekende contante inkomstenbron. In het geval van een negatief verschil tussen de contante uitgaven en de beschikbare legale contante gelden is – zonder aanvullende verklaring daaromtrent van de zijde van de betrokkene – aannemelijk dat die contante uitgaven (tot een totaal van het negatieve kassaldo) zijn gedaan door contante inkomsten die uit enig misdrijf zijn verkregen, zodat in elk geval tot dat bedrag sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. De politie heeft in de onderhavige zaak onderzoek gedaan naar de contante uitgaven die de betrokkene en zijn ex-vriendin [betrokkene 1] gedurende de onderzoeksperiode van 1 januari 2020 tot en met 22 juni 2021 – uit het dossier volgt dat de betrokkene en [betrokkene 1] in die periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en een economische eenheid hebben gevormd – méér hebben gedaan dan hun traceerbare, legale contante inkomsten in diezelfde periode. Uit de door de politie opgestelde eenvoudige kasopstelling blijkt dat de betrokkene en [betrokkene 1] in de onderzoeksperiode meer contante uitgaven hebben gedaan dan zij – in diezelfde periode – aan traceerbare legale contante inkomsten beschikbaar hebben gehad. In de eenvoudige kasopstelling, zoals opgesteld door de politie, zijn de volgende posten opgenomen: Beginsaldo € 0 + Legale contante inkomsten (inclusief bankopnamen) € 660,00 -/- Eindsaldo kas € 0 Totaal beschikbaar voor het doen van contante uitgaven € 660,00 Contante uitgaven (inclusief bankstortingen) € 63,900,58 + Overige contante uitgaven € 0 Totale contante uitgaven € 63,900,58 Totaal beschikbaar voor het doen van contante uitgaven € 660,00 -/- Totale contante uitgaven € 63,900,58 Onverklaarbare uitgaven € 63.240,58 Het hof volgt, net als de rechtbank, in de kern de berekeningswijze zoals deze door de politie is neergelegd in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel inclusief bijlagen. Ten aanzien van de hiervoor genoemde posten overweegt het hof als volgt. Contant geld beschikbaar voor het doen van uitgaven Uit het onderzoek is gebleken dat de betrokkene en [betrokkene 1] in de jaren 2019 en 2020 nauwelijks geld van hun bankrekeningen contant hebben opgenomen. In de eenvoudige kasopstelling is daarom uitgegaan van een beginsaldo aan contant geld (op 1 januari 2020) van € 0,00 (nihil). Tijdens de doorzoeking in de (huur)woning van de betrokkene en [betrokkene 1] aan [adres 2] op 22 juni 2021 (het einde van de onderzoeksperiode) zijn geen contante gelden aangetroffen. Omdat de laatste contante opname op 7 mei 2021 en dus ruim een maand voor de datum van de doorzoeking plaatsvond, is in de eenvoudige kasopstelling uitgegaan van een eindsaldo aan contant geld van € 0,00 (nihil). In de onderzochte periode van 1 januari 2020 tot met 22 juni 2021 hebben de betrokkene en [betrokkene 1] in totaal € 660,00 van hun bankrekeningen opgenomen (€ 170,00 van de bankrekening van de betrokkene en € 490,00 van de bankrekening van [betrokkene 1] ) en dus aan legale contante gelden ontvangen. Ter terechtzitting in eerste aanleg alsook in hoger beroep heeft de verdediging aangevoerd dat de betrokkene en [betrokkene 1] gedurende de onderzochte periode ook andere legale inkomsten hadden, een en ander zoals hiervoor is beschreven. Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat de betrokkene, met het overleggen van een schriftelijk stuk d.d. 12 december 2020 behelzende de verklaring van [betrokkene 2] – welke verklaring zonder nader onderzoek niet zonder meer terzijde kan worden geschoven - voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een lening heeft afgesloten met dhr. [betrokkene 2] , in het kader waarvan aan hem op 12 december 2020 een bedrag van € 8.500,00 aan contant geld is uitgekeerd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de betrokkene verklaard dat hij van dit geldbedrag een paar duizend euro heeft geïnvesteerd in zijn vuurwerkhandel; het overige geld heeft de betrokkene op zijn bankrekening en/of die van zijn ex-vriendin [betrokkene 1] gestort en daarvan zijn levensmiddelen en huur betaald. Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het hof er vanuit dat de betrokkene een paar duizend euro heeft geïnvesteerd in zijn handel en dit dus contant ter beschikking heeft gehad en daartoe heeft uitgegeven, en het van het geleende bedrag resterende gedeelte in contanten heeft gestort op een of meer ter beschikking staande bankrekeningen. Ten aanzien van de overige verklaringen van de betrokkene, dat hij financieel werd ondersteund door zijn opa en oma en door de vader van zijn ex-vriendin [betrokkene 1] , is het hof van oordeel dat een en ander door de betrokkene onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Door de betrokkene en [betrokkene 1] zijn geen verifieerbare gegevens overgelegd op basis waarvan kan worden vastgesteld dat zij dergelijke contante bedragen hebben ontvangen. Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene en [betrokkene 1] in de onderzochte periode van 1 januari 2020 tot met 22 juni 2021 in totaal een bedrag van € 9.160,00 aan contant geld ter beschikking hebben gehad voor het doen van uitgaven. Contante uitgaven inclusief bankstortingen Tijdens het onderzoek zijn de mutaties van de bankrekeningen op naam van de betrokkene en zijn ex-vriendin [betrokkene 1] over de periode vanaf 1 januari 2019 tot en met 22 juli 2021 opgevraagd. Daarbij zijn geen mutaties aangetroffen die te relateren zijn aan de in- of verkoop van vuurwerk. Evenmin zijn mutaties aangetroffen waaruit opgemaakt kan worden dat de betrokkene en/of [betrokkene 1] betaald heeft/hebben voor het huren van een opslaglocatie voor vuurwerk en/of het huren van een (vracht)auto voor het vervoeren van vuurwerk. Gelet hierop is het aannemelijk dat de betrokkene het vuurwerk dat onder hem aangetroffen en in beslag is genomen, met contant geld heeft aangeschaft. Bovendien is het algemeen bekend dat de (illegale) vuurwerkhandel een contante handel is. Uit het onderzoek naar de bankrekeningen is gebleken van diverse contante uitgaven en bankstortingen over de periode van 1 januari 2020 tot en met 22 juni 2021. In het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel zijn de contante uitgaven onderverdeeld in drie groepen: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.