GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 15 mei 2025 Zaaknummer: 200.347.550/01 Zaaknummers eerste aanleg: C/02/417656 / FA RK 23-6142 (voogdij) C/02/418029 / FA RK 24-190 (gezag en omgang) in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. J.J. Bronsveld, tegen de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuid-West-Nederland, locatie: [locatie] hierna te noemen: de raad. Het hof merkt als belanghebbende aan: Stichting Jeugdbescherming West-Zeeland, gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI), Het hof merkt als informanten aan: [(half)broer] en [partner van de (half)broer], wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de heer [(half)broer] respectievelijk mevrouw [partner van de (half)broer] . [gezinshuisouder 1] en [gezinshuisouder 2], wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de gezinshuisouder(s). De zaak in het kort: Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ). De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank waarbij de GI tot voogd over [minderjarige] is benoemd en het verzoek van de vader om hem met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten en het verzoek om een omgangsregeling vast te leggen, is afgewezen. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 23 juli 2024, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 21 oktober 2024, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en verzocht opnieuw rechtdoende te bepalen dat de vader het eenhoofdig gezag zal uitoefenen over [minderjarige] en voorts dat een omgangsregeling zal worden bepaald tussen de vader en [minderjarige] van eenmaal in de veertien dagen een volledig weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, dan wel een omgangsregeling die het hof juist acht. Kosten rechtens. 2.
- Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 24 december 2024, heeft de raad verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten. 2.
- Bij verweerschrift ingekomen ter griffie op 19 december 2024 heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek in hoger beroep van de vader af te wijzen. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 april
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de vader, bijgestaan door mr. Bronsveld; - [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad; - [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI; - de heer [(half)broer] ; - de heer [gezinshuisouder 1] . 2.4.
- Mevrouw [partner van de (half)broer] en mevrouw [gezinshuisouder 2] zijn hoewel opgeroepen, niet naar de mondelinge behandeling gekomen. 2.4.
- Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en zij heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden met de voorzitter en de griffier gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. 2.
- Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het V8-formulier met als bijlage het procesdossier eerste aanleg van de advocaat van de vader d.d. 18 november 2024; - de brief met bijlagen van de GI d.d. 24 december 2024; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de rechtbank ZeelandWestBrabant op 5 april
- 2.5.
- Op de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vader verwezen naar een brief van de GI van 25 februari 2025, gericht aan het hof. Omdat het hof deze brief niet heeft ontvangen, heeft de advocaat van de vader deze brief alsnog tijdens de mondelinge behandeling overgelegd. Zowel (de advocaat van) de vader als de raad hebben deze brief wél eerder ontvangen en hiervan dus kennis kunnen nemen. Het hof slaat daarom ook acht op deze brief. 3De beoordeling De feiten 3.
- [minderjarige] is het kind van [de moeder] (hierna: de moeder) en de vader. De vader heeft [minderjarige] op [datum erkenning] 2014 erkend. De moeder was alleen met het ouderlijk gezag belast. 3.
- De moeder is op [datum overlijden] 2023 overleden. 3.
- [minderjarige] verbleef sinds 6 oktober 2023 samen met haar (half)zus [(half)zus] bij de heer [(half)broer] , de (half)broer van [minderjarige] , en mevrouw [partner van de (half)broer] . Sinds eind maart 2024 verblijft [minderjarige] met [(half)zus] bij de gezinshuisouders in een gezinshuis. 3.
- Bij beschikking van 19 oktober 2023 heeft de kinderrechter de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] voor de duur van twee weken. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden. 3.
- Bij beschikking van 27 oktober 2023 is de voorlopige voogdij over [minderjarige] verlengd met ingang van 2 november 2023 tot 19 januari 2024 waarbij de GI met de voorlopige voogdij belast is gebleven. Deze maatregel zou van rechtswege eindigen op 19 januari 2024, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechtbank een voorziening in het gezag over [minderjarige] zou zijn verzocht. De voorlopige voogdij zou dan doorlopen totdat op dit verzoek is beslist. 3.
- Op 28 december 2023 heeft de raad verzocht om de GI te belasten met de (tijdelijke) voogdij over [minderjarige] . 3.
- Op 11 januari 2025 heeft de vader verzocht hem met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten, het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader te bepalen en een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te leggen. 3.
- Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de GI tot voogd over [minderjarige] benoemd en de verzoeken van de vader tot uitoefening van het eenhoofdig gezag, vaststelling van het hoofdverblijf bij de vader en de vaststelling van een omgangsregeling afgewezen. 3.
- De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De standpunten 3.
- De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - het volgende aan. De vader is de biologische vader van [minderjarige] en hij heeft haar erkend. De vader is altijd intensief betrokken geweest bij de opvoeding van [minderjarige] en aanwezig geweest in haar leven. Na het overlijden van de moeder van [minderjarige] is daar verandering in gekomen. De GI is tot voogd benoemd over [minderjarige] en de vader ziet [minderjarige] niet meer. De rechtbank heeft het verzoek van de vader om met het gezag te worden belast afgewezen omdat er zorgen zouden zijn over de situatie van de vader vanwege middelengebruik en omdat er veel veranderingen in het leven van [minderjarige] zijn geweest. Er is echter op geen enkele wijze vast komen te staan dat de vader niet in staat is om de belangen van [minderjarige] op goede wijze te kunnen behartigen of dat hij anderszins in strijd met het belang van [minderjarige] zou handelen bij de uitoefening van het gezag. De vader wil graag beslissingen over [minderjarige] kunnen nemen en betrokken blijven bij haar leven. Dat was in het verleden ook het geval. De vader betwist dat hij drugs en alcohol gebruikt. Bovendien betekent middelengebruik niet dat gezag niet mogelijk is. De rechtbank heeft ten onrechte geen omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld. Er is op dit moment geen enkel contact en ook geen zicht op contactherstel. De GI onderneemt geen concrete stappen om de vader een rol van betekenis te laten spelen in het leven van [minderjarige] . Daarmee vervreemdt [minderjarige] van de vader en zal het steeds lastiger voor de vader worden om een band op te bouwen met [minderjarige] . [minderjarige] heeft belang bij contactherstel met de vader. De vader heeft een huis, een baan en zijn financiën zijn op orde. Er zijn geen contra-indicaties en als die er wel zijn dan moet er gekeken worden wat er nodig is om die weg te nemen. Er komt echter geen enkel initiatief vanuit de GI. Het is voor de vader duidelijk dat er sprake zal moeten zijn van een opbouwende omgangsregeling. De vader heeft er geen problemen mee als daarin begeleiding vanuit hulpverlening zal plaatsvinden. De vader is bereid mee te werken aan hulpverlening of diagnostiek. Nu krijgt hij geen enkele kans om als vader een rol van betekenis te kunnen spelen. 3.
- De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - het volgende aan. [minderjarige] heeft een heel belast verleden. Er waren al vele Veilig Thuis meldingen, binnen het gezin is er sprake geweest van uithuisplaatsing van de andere kinderen en de moeder had een drugsverleden. [minderjarige] heeft ontzettend veel meegemaakt, met als klap op de vuurpijl het reanimeren van de moeder. Daarna is [minderjarige] naar de heer [(half)broer] gegaan. Toen verblijf daar niet haalbaar bleek, moest ze ook daar weg. Het is in de huidige situatie niet in het belang van [minderjarige] dat de vader het ouderlijk gezag uitoefent. Er is regie en opvolging van het welbevinden van [minderjarige] en inzet van hulpverlening voor haar nodig. Omdat de vader dit haar onvoldoende kan bieden, doet de GI dit nu in samenspraak met de gezinshuisouders. Vader heeft geen contact en geen zicht op [minderjarige] en kan die verantwoordelijkheid daarom niet dragen. De raad onderschrijft de beslissing van de rechtbank om geen omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te leggen. [minderjarige] heeft ontzettend veel meegemaakt en heeft er nu de ruimte niet voor. Er zijn acties uitgezet en stappen gezet om de mogelijkheden tot contactherstel te onderzoeken. Op dit moment druist contactherstel in tegen de behoeften en belangen van [minderjarige] en de GI heeft duidelijk beschreven waarom dat het geval is. Het onderwerp contactherstel wordt door de gezinshuisouders actief bij [minderjarige] onder de aandacht gebracht. Daarnaast is het ook belangrijk dat er actief gewerkt gaat worden aan de herinneringen aan de onveilige periode die het onderwerp vader oproepen en de angsten die dit mogelijk nog oproept bij [minderjarige] . Als zij nu gedwongen zou worden tot contact met de vader, zou dat de ontwikkeling die [minderjarige] nu doormaakt, doorkruisen. 3.
- De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling samengevat - het volgende aan. Het verzoek van de vader tot gezag is op terechte gronden door de rechtbank afgewezen. Het contact met de vader is minimaal; het initiatief van de vader blijft uit. Dat constateren zowel de gezinshuisouders, school als de GI. Gezien de zorgen en de behoeften van [minderjarige] kan de vader op dit moment onvoldoende voldoen aan de verwachtingen binnen het uitvoeren van gezag. De vader speelt op dit moment ook geen grote rol in het leven van [minderjarige] waardoor hij geen belangrijke besluiten over haar kan nemen. De vader weet onvoldoende wat [minderjarige] nodig heeft. Ook ten aanzien van het verzoek tot omgang heeft de rechtbank een juiste beslissing genomen. Het afdwingen van een omgangsregeling zoals de vader deze verzoekt, gaat volledig voorbij aan de behoeften en belangen van [minderjarige] . Dat zal een gevoel van onveiligheid veroorzaken bij [minderjarige] . De GI heeft voldoende oog voor de ontwikkeling van [minderjarige] en het contactherstel met de vader. Het uitblijven van contact geeft [minderjarige] veel rust en dat is op dit moment wat zij nodig heeft. Het is belangrijk dat [minderjarige] een gevoel van veiligheid ervaart. Daarnaast is het ook belangrijk dat vader initiatief toont tot contact en mee gaat met het tempo van [minderjarige] . Dit is minimaal nodig om tot positief contactherstel te kunnen komen. Wanneer [minderjarige] er aan toe is, kunnen een opbouw van de omgangsregeling en begeleide bezoeken worden overwogen. [minderjarige] geeft nu duidelijk aan geen contact met de vader te willen. De GI begrijpt dat het voor de vader voelt alsof hij geen kansen heeft gehad maar het volgen van de behoeften en de ontwikkeling van [minderjarige] heeft op dit moment prioriteit. Zij heeft de tijd, ruimte en ondersteuning nodig om zich verder te ontwikkelen in een veilige omgeving, waarbij er aandacht blijft voor de rol die de vader heeft en altijd zal hebben. 3.
- De heer [(half)broer] brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. Hij heeft verklaard er voor [minderjarige] te zijn als er iets is. [minderjarige] komt regelmatig bij hem en zijn partner mevrouw [partner van de (half)broer] . Dan doen ze leuke dingen. [minderjarige] heeft veel meegemaakt in haar leven en is ontzettend vaak gekwetst. De heer [(half)broer] wil niet dat ze nog meer wordt gekwetst. [minderjarige] moet niet nóg meer stress worden bezorgd door haar contact met de vader te laten hebben. Daar is de tijd nu niet rijp voor. 3.
- De gezinshuisouder brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat ze eerst mag landen. Ze heeft ontzettend veel meegemaakt en ze duwt veel weg. Het verleden beangstigt haar. Ze zal waarschijnlijk binnen een jaar met EMDR of een dergelijke behandeling starten. Contactherstel met de vader is nu nog niet aan de orde. Het is ook belangrijk dat de vader stappen zet. Hij zou bijvoorbeeld kunnen afstemmen of er een kaartje of kleding naar [minderjarige] gestuurd kan worden. De motivering van de beslissing 3.
- Het hof overweegt het volgende. Ten aanzien van het gezag en de voogdij 3.15.
- Ingevolge artikel 1:253g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt de rechter dat indien van de ouders degene overlijdt die alleen het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefent, de overlevende ouder of een derde met het gezag over de kinderen wordt belast. Het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten wordt slechts afgewezen, indien de rechter oordeelt dat het belang van de minderjarige zich tegen inwilliging verzet. Indien een minderjarige niet onder ouderlijk gezag staat en er niet op wettige wijze is voorzien in de voogdij, benoemt de rechter een voogd (artikel 1:295 BW). 3.15.
- Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat het belang van [minderjarige] zich verzet tegen inwilliging van het verzoek van de vader om hem met het gezag te belasten. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe. 3.15.
- Wanneer de vader het gezag zou krijgen, betekent dit in beginsel dat hij ook de volledige zorg en verantwoordelijkheid voor [minderjarige] zou krijgen. [minderjarige] zou dan door het eenhoofdig gezag van vader automatisch haar hoofdverblijf bij hem krijgen. Zowel de GI als het gezinshuis vallen dan weg. Naar het oordeel van het hof is uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling genoegzaam gebleken dat de vader op dit moment de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet kan dragen en haar geen stabiele en veilige opvoedomgeving kan bieden. Met de GI als voogd en de gezinshuisouders als opvoeders, zijn op dit moment de veilige opvoedsituatie van [minderjarige] en de hulpverlening voor haar wél geborgd. Bovendien blijkt uit de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep en het kindgesprek dat de voorzitter met [minderjarige] heeft gevoerd, dat [minderjarige] op dit moment ernstige bezwaren heeft ten aanzien van het contact met de vader en ook niet wil dat haar vader het gezag krijgt. Deze bezwaren zijn gebaseerd op de negatieve ervaringen die [minderjarige] in het verleden met de vader heeft opgedaan. Ieder contact tussen de vader en [minderjarige] ontbreekt al anderhalf jaar. De vader heeft geen zicht op de leefwereld en de behoeften van [minderjarige] . De vader lijkt niet in te zien wat [minderjarige] in het verleden allemaal heeft meegemaakt en wat dit voor [minderjarige] betekent. De vader lijkt vooral vanuit zichzelf en vanuit zijn eigen behoeften te handelen. Hij heeft onvoldoende inzicht in wat [minderjarige] nu nodig heeft. Dat blijkt ook uit het feit dat de vader niet of nauwelijks het initiatief neemt om bij [minderjarige] in beeld te blijven. De GI heeft richting de vader uitgesproken dat, ondanks dat [minderjarige] nu niet openstaat voor contactherstel, de vader hiermee zelf een begin kan maken door bijvoorbeeld kaartjes, brieven of presentjes voor haar verjaardag en/of de feestdagen te sturen. De vader heeft hier vooralsnog geen gehoor aan gegeven. Ook is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog ter sprake gekomen dat de vader bij de gezinshuisouder navraag heeft gedaan naar de schoenmaat van [minderjarige] zodat hij haar schoenen cadeau kon geven voor haar verjaardag. Vervolgens heeft de vader daar niets meer mee gedaan. Dat heeft tot een teleurstelling bij [minderjarige] geleid. [minderjarige] lijkt, ondanks de ingrijpende gebeurtenissen die zij heeft meegemaakt, zoals het overlijden van haar moeder en zeer recent nog het overlijden van haar opa, momenteel haar rust te hebben gevonden bij het gezinshuis. Het gezinshuis biedt haar een stabiele en veilige omgeving waar [minderjarige] zich optimaal kan ontwikkelen en waar de gezinshuisouders oog hebben voor haar welzijn en persoonlijke groei. Zij blijven alert op haar behoeften, waaronder eventueel het hervatten van traumatherapie en bovendien blijven zij aandacht houden voor het contactherstel met de vader. 3.15.
- Al het voorgaande in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat het belang van [minderjarige] zich verzet tegen het beëindigen van de voogdij en het toekennen van het gezag aan de vader. Ten aanzien van de omgangsregeling 3.15.5 Ingevolge artikel 1:377a BW stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. 3.15.
- Het hof is, evenals de rechtbank en mede gelet op hetgeen hiervoor over het gezag is overwogen, van oordeel dat omgang op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . De situatie is sinds de bestreden beschikking niet zodanig veranderd dat dit leidt tot een ander oordeel. [minderjarige] is onverminderd gebaat bij rust en stabiliteit om zich te ontwikkelen en heeft op dit moment niet de ruimte voor contactherstel met de vader. Dit belang van [minderjarige] staat op dit moment voorop. Het hof neemt hierbij verder nog in overweging dat er een gedragswetenschapper bij het gezinshuis betrokken is. Uit de stukken is naar voren gekomen dat [minderjarige] tijdens een gesprek met deze gedragswetenschapper dieper is ingegaan op de weerstand die zij laat zien ten aanzien van het contactherstel met de vader. Ondanks dat er bij [minderjarige] nu geen ruimte is voor contact tussen haar en de vader, wordt er dus wel gewerkt aan de mogelijkheid van contactherstel. Het hof is ook gebleken dat het onderwerp ‘vader’ geregeld in het gezinshuis besproken wordt met [minderjarige] en dat ook de GI de ontwikkelingen op dit punt blijft monitoren. Weliswaar zal het hof op dit moment geen omgangsregeling vastleggen, maar dit betekent niet dat er geen taak meer voor de vader is. Het is aan de vader om positief bij te dragen aan de mogelijkheid van contactherstel (denk aan: kaartjes, brieven, presentjes sturen). Conclusie 3.
- Uit het voorgaande volgt dat de grieven van de vader falen. Dit betekent dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. 3.
- Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren. 4De beslissing Het hof: bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 23 juli 2024; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes , E.M.C. Dumoulin en E.M.D.M. van der Linden, en is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.