GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 15 mei 2025 Zaaknummer : 200.351.486/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/03/326660/ FA RK 24-256 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. R.H.P. Feiner, tegen Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie [locatie] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de raad. Als belanghebbenden worden aangemerkt: - [de vader], wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de vader - William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling). In het kort De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank haar ouderlijk gezag over de 7-jarige [minderjarige] heeft beëindigd. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 10 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 februari 2025, zoals aangevuld op de mondelinge behandeling, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog het verzoek van de raad tot beëindiging van haar gezag over [minderjarige] af te wijzen. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 april 2025, heeft de raad verzocht de bestreden beschikking in stand te laten en het hoger beroep af te wijzen. 2.3. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 april 2025, heeft de GI verzocht de moeder in haar ingestelde beroep niet ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 april 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ; de vader; de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en de heer [vertegenwoordiger van de GI 2] . 2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 10 december 2024. 3De beoordeling 3.1. Uit de moeder is geboren: - [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] . Tot het moment waarop de bestreden beschikking werd gegeven waren de moeder en de vader samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 3.2. [minderjarige] staat sinds 8 juni 2022 onder toezicht van de GI. Op 20 september 2022 is zij met spoed uit huis geplaatst. Sindsdien heeft zij niet meer thuis bij de moeder gewoond. De moeder en [minderjarige] hebben begeleid contact met elkaar. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn laatstelijk verlengd tot 8 juni 2025. [minderjarige] verblijft sinds 30 januari 2024 op de behandelgroep [behandelgroep] van [instantie 1] . 3.3. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd. 3.4. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, voert zij – samengevat en voor zover relevant – het volgende aan. Ondanks dat het opgroeiperspectief van [minderjarige] niet meer ligt bij de moeder betekent dit niet dat is voldaan aan de voorwaarden voor beëindiging van het gezag. Er is voor [minderjarige] nog geen concreet perspectief bepaald waar zij kan opgroeien, hoewel de aanvaardbare termijn is verstreken. Het gezag van de vader is niet beëindigd en het perspectief van [minderjarige] ligt ook niet bij hem. De rechtbank heeft miskend dat de beëindiging van het gezag in strijd is met het in artikel 8 EVRM gewaarborgde recht van moeder en kind op een gezinsleven, nu de doorkruising ervan noodzakelijk noch proportioneel is. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de moeder de hulpverlening in het verleden meermalen heeft beschuldigd van seksueel misbruik, liegen, bedriegen en samenspannen. De rechtbank heeft het oordeel van de Gl tot de hare gemaakt, in navolging van de raad, dat de moeder kennelijk in strijd met haar opvoedingsplicht handelde door van concrete signalen melding te maken bij de politie. De rechtbank heeft door dat te doen het beginsel van hoor en wederhoor geschonden ex artikel 19, eerste lid Rv, althans de beginselen van een goede procesorde. De rechtbank heeft miskend dat het sterk verouderde raadsrapport géén voldoende feitelijke grondslag meer kan bieden voor de verstrekkende maatregel van beëindiging van het gezag. Daarmee is géén sprake meer van een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM en is gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde. De rechtbank heeft ten aanzien van de moeder een striktere toetsingsmaatstaf aangelegd dan ten aanzien van de vader in strijd met artikel 8 jo. artikel 14 EVRM. De rechtbank heeft miskend dat de rechtsbescherming van ouder en kind op een goed contact ex artikel 8 EVRM door de beëindiging van het gezag structureel wordt beperkt. De moeder heeft tot op heden laten zien in het belang van [minderjarige] te hebben gehandeld. Haar wordt kennelijk verweten dat zij zorgelijke uitspraken en gedrag van [minderjarige] heeft geadresseerd. De beëindiging van de destijds als perspectiefbiedend bedoelde plaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders is géén keuze van moeder geweest. De moeder werd destijds onterecht verweten dat zij wilde dat de signalen van seksueel misbruik werden onderzocht. [minderjarige] is te jong om te beseffen wat ouderlijk gezag inhoudt. Het kan niet dat zij positief op de beëindiging daarvan reageert, zoals de GI beweert. De moeder heeft nooit toestemming gegeven dat [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] (voormalig pleegmoeder van de broer van [minderjarige] ) betrokken zou raken bij [minderjarige] . De vader en [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] zijn in het verleden te close met elkaar geworden en daarom wil de moeder [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] niet in [minderjarige] leven. De moeder heeft zelfs zwart op wit dat [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] geen contact meer zou hebben met [minderjarige] . [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] is helemaal niet belangrijk voor [minderjarige] . 3.5. De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. De gronden voor de gezagsbeëindigende maatregel zijn nog altijd aanwezig. [minderjarige] is een 7-jarig meisje dat in haar jonge leven veel onveiligheid heeft gekend en veel kwetsuren heeft opgelopen op het gebied van trauma en hechting. [minderjarige] ontvangt bij [instantie 1] intensieve zorg. Ze vertoont daar zeer heftig gedrag, zoals slaan, schoppen, schreeuwen, schelden en het toebrengen van pijn aan zowel andere kinderen als groepsleiding. Dit gedrag vormt een ernstige belemmering voor [minderjarige] verdere ontwikkeling en behoeft een gestructureerde en veilige behandelsetting met voorspelbare volwassenen en hechtingsfiguren zodat [minderjarige] toe kan komen aan de voor haar zo noodzakelijke traumabehandeling. Het lukt de moeder nog steeds niet om aan te sluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft en in te stemmen met de nodige zorg en veilige contacten om [minderjarige] zich zo optimaal mogelijk te laten ontwikkelen, waardoor er zicht kan komen op haar perspectief. De moeder is wisselend in haar houding richting de GI en [minderjarige] waarbij het de moeder nog steeds niet lukt om zich aan afspraken rondom bijvoorbeeld de omgang te houden of in te stemmen met contact tussen [minderjarige] en [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] . [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] is op dit moment de enige veilige hechtingsfiguur in het leven van [minderjarige] en zij kan aansluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. Ook staan de continuïteit van de hulpverlening ( [instantie 2] , [instantie 3] , [instantie 4] ) en [minderjarige] verblijfplek met regelmaat onder druk of worden deze abrupt beëindigd vanwege beschuldigingen van de moeder richting hulpverleners en het wisselend geven van toestemming. Hierdoor kent bijvoorbeeld de medicatietherapie geen stabiel verloopt. De gezagsbeëindigende maatregel is ook gelet op artikel 8 EVRM noodzakelijk in het belang van [minderjarige] . De wijze waarop de moeder invulling gaf aan haar gezag en, naar is te verwachten, zou geven wanneer de beschikking van de rechtbank zou worden vernietigd, is schadelijk voor [minderjarige] . Het raadsrapport dat ten grondslag ligt aan het verzoek tot de gezagsbeëindigende maatregel van de moeder is weliswaar verouderd, maar de informatie waarop de raad zich baseert bij dit advies is recent. De raad heeft in oktober 2024 de zaak opnieuw volledig onder de loep genomen naar aanleiding van het verzoek van de GI om, opnieuw, de wenselijkheid van behoud van het gezag van de vader over [minderjarige] te onderzoeken. 3.6. De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. De moeder kan niet accepteren dat [minderjarige] niet bij haar kan wonen en blijft keuzes maken die niet in het belang zijn van [minderjarige] . De GI ziet geen aanleiding dat er ook voor de vader een gezagsbeëindigende maatregel dient te worden uitgesproken. De vader werkt volledig mee met de GI en hij realiseert zich dat hij niet voor [minderjarige] kan zorgen. Sinds er duidelijkheid is over het perspectief van [minderjarige] en het gezag van de moeder wordt er bij [minderjarige] ander gedrag gezien. Ze benoemt richting hulpverlening wat ze wel en niet wil in het contact met de moeder, iets wat [minderjarige] eerder niet kon/deed. De moeder geeft wisselend toestemming voor belangrijke beslissingen in het leven van [minderjarige] en handelt daarmee niet in [minderjarige] belang, ook niet tijdens de omgangsregeling. Ze houdt zich niet aan de afspraken en de planning die zij tevoren heeft gemaakt, ze verrast [minderjarige] met andere activiteiten en past zich niet aan op het moment dat [minderjarige] duidelijk aangeeft het niet te willen en bang te zijn. Tijdens de bezoeken wordt er ook gezien dat de moeder moeite heeft met het aansluiten bij [minderjarige] , het handelen in [minderjarige] belang, inspelen op de behoeftes van [minderjarige] en het leeftijdsadequaat reageren op [minderjarige] . [minderjarige] is zoekend naar een veilige hechtingsfiguur. Uit diagnostiek onderzoek blijkt, wat ook op de groep wordt geconstateerd, dat ze tijdens de bezoeken geen veiligheid ervaart bij haar ouders. De moeder heeft op 17 oktober 2024 haar toestemming ingetrokken rondom het contact met [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] (voormalig gezinshuismoeder van de oudste broer van [minderjarige] en al betrokken bij [minderjarige] vanaf zeer jonge leeftijd). [minderjarige] is in het verleden meerdere keren hiernaartoe gegaan en heeft hier ook vaker overnacht. Sinds begin maart 2025 is er een vaste omgangsregeling tussen [minderjarige] en [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] . Er wordt door de groep een verschil gezien in hoe [minderjarige] terugkomt van [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] en hoe ze terugkomt van de ouders. Na een bezoek van de ouders is [minderjarige] niet te sturen en wordt er bij haar lichamelijke spanning gezien. Na het bezoek met [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] is [minderjarige] ontspannen en is zij door groepsleiding te sturen. [minderjarige] is iedere zaterdag bij [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] en gaat dan ook naar de scouting. Dat gaat goed, maar het is fragiel. De GI wil deze contacten uitbreiden met overnachtingen met als doel dat [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] een weekendpleeggezin wordt voor [minderjarige] . De contacten met [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] moeten worden gecontinueerd. De GI is vrijwel zeker van dat, op het moment dat de moeder het gezag terug zou krijgen, deze contacten stopgezet zouden worden omdat de moeder een conflict heeft met [voormalig pleegmoeder van de broer van minderjarige] . Hierbij wordt er door de moeder niet gekeken naar het belang van [minderjarige] en dat het stoppen van dit contact weer een verlieservaring betekent voor [minderjarige] . In juni 2025 komt de plaatsing van [minderjarige] bij [instantie 1] tot een einde. Er wordt naar een ander passend gezinshuis gezocht. [minderjarige] komt niet tot behandeling. Ze vertoont in toenemende mate gevaarlijk gedrag (voor zichzelf en medewerkers) en over haar seksuele ontwikkeling bestaan ook grote zorgen. Voor [minderjarige] is één op één begeleiding niet toereikend. Ze is getraumatiseerd, maar ze is nog te jong om haar verhaal te kunnen vertellen. Traumatherapie is nog niet passend. 3.7. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij het eens is met de beslissing van de rechtbank. Het hof overweegt het volgende. 3.8.1. Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien: een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of de ouder het gezag misbruikt. 3.8.2. Bij artikel 1:266 lid 1 aanhef en sub a BW is blijkens de memorie van toelichting het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind de periode van onzekerheid over in welk gezin hij verder zal opgroeien die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn/haar leeftijd en ontwikkeling. De rechter dient na te gaan of de gezagsbeëindiging in het concrete geval in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en of het te beogen resultaat niet met een minder ingrijpend alternatief bereikt kan worden (subsidiariteitsbeginsel). Uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vloeit voort dat de beëindiging van het gezag van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.