GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.349.015/01 arrest van 20 mei 2025 in de zaak van Dexia Nederland B.V., gevestigd te Amsterdam, appellante, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen 1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
- [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam, op het bij exploot van dagvaarding van 26 november 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 3 oktober 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen appellante als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en in het incident en geïntimeerden als eisers in conventie, verweerders in reconventie en het incident. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10762389 EL 23-39) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep 2.
- Appellante heeft bij voormeld exploot van 26 november 2024 geïntimeerden opgeroepen om te verschijnen ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 december 2024, waarbij in een nog in te dienen memorie van grieven gronden zullen worden aangevoerd ter onderbouwing van de eis en conclusie zoals in de appeldagvaarding vermeld. 2.
- Aan appellante is vervolgens een termijn en vervolgens uitstel verleend voor het nemen van de memorie van grieven. 2.
- Op de rol van 11 maart 2025 heeft de rolraadsheer vastgesteld dat het recht van appellante om de memorie van grieven te nemen is vervallen, omdat die proceshandeling niet binnen de daarvoor gestelde termijn is verricht en daarvoor geen nader uitstel is verkregen. De rolraadsheer heeft van dat feit aan de wederpartij akte van niet-dienen verleend. 2.
- Nu appellante tegen het vonnis waarvan beroep geen grieven heeft aangevoerd, kan zij in het hoger beroep niet worden ontvangen. Zij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep. Geïntimeerden hebben niet verzocht een memorie van eis in incidenteel hoger beroep te mogen nemen (art. 2.21 LPR). 2.
- Als de in het ongelijk gestelde partij zal appellante worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. 3De uitspraak Het hof: verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep; veroordeelt appellante in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van geïntimeerden op € 349,- aan griffierecht en op € 607,- aan salaris advocaat (½ punt liquidatietarief II). Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, P.P.M. Rousseau en E.H. Schulten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 mei
- griffier rolraadsheer