GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 22 mei 2025 Zaaknummer: 200.331.527/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/03/306911 / FA RK 22-2484 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. C.C.B. Breij, tegen [de vader] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. J.E.A.H. Verstraelen. Deze zaak gaat over [minderjarige], hierna te noemen: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. De zaak in het kort: De rechtbank heeft een wijziging van de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader vastgesteld. De moeder is het hier niet mee eens. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 31 mei 2023 uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 augustus 2023, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken van de vader tot uitbreiding van de huidige zorgregeling alsnog af te wijzen althans een regeling vast te stellen die het hof juist acht. 2.
- Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 10 oktober 2023, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de moeder af te wijzen. 2.
- Partijen hebben uitstel gevraagd en verkregen van de op 11 januari 2024 geplande mondelinge behandeling, in verband met een lopend hulpverleningstraject. Daarna is op verzoek van partijen de zaak meerdere malen aangehouden. Het laatste aanhoudingsverzoek in januari 2025 heeft het hof afgewezen; er is een mondelinge behandeling bepaald. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 april
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de vader, bijgestaan door zijn advocaat; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.4.
- Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die de griffie heeft ontvangen op 11 maart
- Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. 2.
- Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 13 april 2023; het V6-formulier met bijlage namens de moeder, ingekomen ter griffie op 26 maart
- 3De beoordeling 3.
- Uit de inmiddels verbroken relatie van partijen is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. Beide ouders zijn belast met het ouderlijk gezag. [minderjarige] woont bij de moeder. 3.
- Bij beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 19 juni 2014 is - kort gezegd - bepaald dat de ouders samen het ouderlijk gezag hebben over [minderjarige] en is daarnaast een verdeling van zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld waarbij [minderjarige] met ingang van 10 juni 2014 op dinsdagmorgen van 08.30 uur tot 11.30 uur, alsmede met ingang van 1 juli 2014 afwisselend op zaterdag en zondag van 15.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vader kan verblijven, waarbij de vader [minderjarige] zal ophalen en terugbrengen. 3.
- Nadien hebben de ouders nadere afspraken gemaakt met betrekking tot de zorgregeling. Op grond daarvan zou [minderjarige] in ieder geval op de woensdagen van 13.00 uur tot 19.00 uur en op de zondagen van 9.30 uur tot 19.30 uur bij de vader verblijven. 3.
- Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank, de door partijen onderling overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd zodat [minderjarige] als volgt bij de vader zal verblijven: - op woensdag van 13.00 uur tot donderdag voor school, waarbij de vader [minderjarige] naar school brengt; - eenmaal per twee weken van zaterdag van 10.00 uur tot zondag 19.30 uur; - in de zomervakantie 2023 in totaal twee weken, in onderling overleg tussen de ouders af te spreken. 3.
- De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De vader heeft verweer gevoerd. Voor de standpunten van partijen verwijst het hof naar het beroepschrift en het verweerschrift. 3.
- De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht het zorgelijk te vinden dat [minderjarige] het contact met haar vader (en daarmee ook met haar halfbroertjes) afwijst. Het is in het belang van [minderjarige] dat er contactherstel met de vader plaatsvindt en een basis- zorgregeling komt. Soms moet er iets doorbroken worden; de angst van [minderjarige] wordt nu in stand gehouden. Het is belangrijk dat de ouders hiervoor hulp inroepen en accepteren, waarbij het hulptraject een andere insteek moet hebben dan het huidige traject bij [instantie 1] . Een verwijzing naar de module ‘Ouderschap Blijft’ via het Uniform Hulpaanbod is een mogelijkheid. 3.
- Het hof overweegt als volgt. 3.7.
- De uitgebreidere zorgregeling zoals de rechtbank die in de bestreden beschikking heeft vastgesteld, wordt niet nagekomen. Al ruim twee jaar is er zelfs geen enkel contact tussen de vader en [minderjarige] . Het hof acht het net als de raad noodzakelijk en in het belang van [minderjarige] dat er een vorm van contact komt tussen [minderjarige] en haar vader en dat de ouders bij het herstellen van het contact hulp krijgen en accepteren door middel van een hulpverleningstraject binnen het Uniform Hulpaanbod. Uniform Hulpaanbod (UHA) 3.7.
- Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling hebben beide ouders ingestemd met de verwijzing naar een hulpverleningstraject via het UHA. 3.7.
- De bedoeling van het in te zetten hulptraject is dat door partijen gewerkt wordt aan het behalen van het volgende resultaat: - de ouders kunnen een gesprek met elkaar aangaan; - er wordt uitvoering gegeven aan een zorgregeling waarbij [minderjarige] onbelast contact heeft met haar vader, waarbij een structurele omgangsregeling het uitgangspunt is. 3.7.
- Gelet op het voorgaande en omdat beide partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard hiermee te kunnen instemmen, zal het hof partijen voor een traject verwijzen naar [instantie 2] . [instantie 2] zal vervolgens de aanmelding doorsturen naar de door de woonplaatsgemeente van [minderjarige] aangewezen zorgaanbieder (hierna: de zorgaanbieder). 3.7.
- Het hof heeft zich ervan vergewist dat partijen ermee instemmen dat [instantie 2] of de zorgaanbieder aan het hof rapporteert over het verloop en de resultaten van het traject en ook dat de rapportage over een niet geslaagd traject wordt toegezonden aan de raad en voor de raad aanleiding kan zijn om (nader) onderzoek te doen en advies uit te brengen aan het hof. 3.7.
- In verband met de verwijzing naar het UHA zal het hof de beslissing over de zorgregeling aanhouden. 3.7.
- Het hof verzoekt [instantie 2] dan wel de zorgaanbieder om uiterlijk op 1 december 2025 of zoveel eerder als mogelijk is bij het hof de eindrapportage over het verloop en de resultaten van het UHA-traject in te dienen. Het hof zal deze rapportage doorzenden naar de advocaten van partijen en hen in de gelegenheid stellen daarop binnen twee weken te reageren en daarbij aan te geven of zij een nadere mondelinge behandeling noodzakelijk achten. Indien het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat, verzoekt het hof [instantie 2] of de zorgaanbieder de eindrapportage tevens tegelijkertijd te zenden naar de raad, zodat de raad kan bezien of (nader) onderzoek en advies door de raad noodzakelijk is. 3.7.
- De raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage het hof te laten weten of hij aanleiding ziet voor nader onderzoek. Wanneer de raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt het hof partijen in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten. 3.7.
- Wanneer de raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt het hof de raad nu reeds voorwaardelijk dit onderzoek te verrichten en daarover bij het hof een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen: - Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ? - In hoeverre komt een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ? - Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden? 3.7.
- Na ontvangst van het advies van de raad zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop binnen veertien dagen te reageren, waarna de behandeling van de zaak voor een mondelinge behandeling – indien gewenst – zal worden voortgezet. 3.7.
- Partijen hebben toestemming gegeven voor het delen van hun bij het hof bekende persoonsgegevens met [instantie 2] , de woonplaatsgemeente van de minderjarige, de in te zetten zorgaanbieder en de raad. 3.
- Op grond van het voorgaande beslist het hof als volgt. 4De beslissing Het hof: verwijst partijen voor hulpverlening ten behoeve van het hiervoor in r.o. 3.7.3 genoemde resultaat naar [instantie 2] ( [adres] [postcode] [plaats] ); verzoekt [instantie 2] dan wel de zorgaanbieder om uiterlijk op 1 december 2025 een eindrapportage van de in te zetten zorgaanbieder over het verloop en de resultaten van het UHA-traject in te dienen, zulks met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 3.7.
- is overwogen. De advocaten krijgen vervolgens twee weken de tijd om daar schriftelijk op te reageren; verzoekt de raad, indien de eindrapportage van de zorgaanbieder daartoe aanleiding geeft, het hof (nader) te adviseren, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van zijn rapport en advies aan de advocaten van partijen; houdt iedere beslissing over de zorgregeling aan tot pro forma 20 december
- Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.N.M. Antens en G.M. Goes en is op 22 mei 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.