← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1433

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 22 mei 2025 Zaaknummers: 200.348.690/01 en 200.348.690/02 Zaaknummer eerste aanleg: C/02/423268 / FA RK 24-2636 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in principaal hoger beroep, verweerder in incidenteel hoger beroep en in het incident, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. A.J. Broekhuizen-Termaat, tegen [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verweerster in principaal hoger beroep, verzoekster in incidenteel hoger beroep en in het incident, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. M.A. Stoffijn. Deze zaak gaat over: - [minderjarige 1] (roepnaam: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 3 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep In de zaak met zaaknummer 200.348.690/01: 2.

  1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 december 2024, heeft de vader verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende: primair: te bepalen dat de moeder niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoeken, dan wel dat de verzoeken van de moeder alsnog worden afgewezen; de moeder te verbieden naar [plaats 1] te verhuizen en te gebieden binnen vijf kilometer (reisafstand) van de woning van de vader in [woonplaats] te wonen; subsidiair: de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader te bepalen; een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen te bepalen die zal inhouden dat de kinderen één weekend per veertien dagen bij de moeder zullen verblijven. Kosten rechtens. 2.
  2. Bij verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 18 maart 2025, heeft de moeder in het principaal hoger beroep verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking ten aanzien van de aan de moeder verleende vervangende toestemming voor de verhuizing naar [plaats 1] , alsmede de afwijzing van de zelfstandige verzoeken van de vader te bekrachtigen én, in het incidenteel hoger beroep verzocht: primair: - aan de moeder vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige 1] op het [college 1] college te [plaats 1] en de inschrijving van [minderjarige 2] op basisschool [basisschool 1] te [plaats 1] ; subsidiair: - bij de afwijzing van het verzoek van de moeder de zelfstandige verzoeken van de vader eveneens af te wijzen. In de zaak met zaaknummer 200.348.690/02: 2.
  3. De moeder heeft bij genoemd verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, bij wege van incident ex artikel 223 Rv, het hof verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat, hangende de beslissing van het hof in de bodemprocedure de bestreden beschikking alsnog uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. In de zaken met zaaknummers 200.348.690/01 en 200.348.690/02: 2.
  4. Bij verweerschrift op het incidenteel hoger beroep en op het incident, ingekomen ter griffie op 1 april 2025, heeft de vader een aanvullend verzoek in het principaal hoger beroep gedaan waarbij hij verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige 1] op het [college 2] College te [plaats 2] en heeft hij in het incidenteel hoger beroep verzocht de moeder in haar incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het gewijzigde verzoek van de moeder af te wijzen. 2.4.
  5. De vader heeft tevens bij genoemd verweerschrift in het incident verzocht om de moeder in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek van de moeder in het incident af te wijzen. Kosten rechtens. 2.
  6. De mondelinge behandeling van beide zaken heeft plaatsgevonden op 8 april
  7. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de vader, bijgestaan door mr. Broekhuizen-Termaat; de moeder, bijgestaan door mr. Stoffijn; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.5.
  8. Het hof heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt. 2.
  9. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 30 juli 2024; het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de vader op 28 maart 2025; de tijdens de mondelinge behandeling door mr. Broekhuizen-Termaat overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen. 3De beoordeling De feiten 3.
  10. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Tijdens deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. De vader heeft de kinderen erkend. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit. 3.
  11. Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld. In dit ouderschapsplan is onder andere het volgende opgenomen. Partijen blijven na de scheiding gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder. Bij een voorgenomen verhuizing zullen partijen vooraf met elkaar in overleg treden. Partijen zullen niet verder dan 30 kilometer van elkaar wonen. De kinderen verblijven om het weekend bij de vader vanaf vrijdagavond tot zondagavond. Eenmaal per vier weken, als de vader op vrijdag vrij is, zijn de kinderen een langer weekend, van donderdagavond tot zondagavond bij de vader. Ook verblijven de kinderen gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader. De procedure in eerste aanleg 3.
  12. De moeder heeft de rechtbank, voor zover nog van belang, verzocht aan haar vervangende toestemming te verlenen om: I. met ingang van 12 augustus 2024 met de kinderen naar [adres 1] te [plaats 1] te verhuizen, althans met ingang van een datum die de rechtbank het meest in het belang van kinderen acht, dan wel vervangende toestemming te verlenen om naar een eigen woning in [plaats 1] te verhuizen; II. per de datum van de beschikking beide kinderen in te schrijven op basisschool [basisschool 2] , gelegen aan [adres 2] ( [postcode 1] ) te [plaats 1] ; III. per de datum van de beschikking [minderjarige 1] in te schrijven bij Voetbalvereniging [voetbalvereniging] , gelegen aan [adres 3] ( [postcode 2] ) te [plaats 1] . 3.
  13. De vader heeft tegen deze verzoeken verweer gevoerd en de rechtbank verzocht om de verzoeken van de moeder af te wijzen. De vader heeft de rechtbank, bij wege van zelfstandig verzoek, verzocht: primair: I. de moeder te verbieden naar [plaats 1] te verhuizen en te gebieden om binnen vijf kilometer (reisafstand) van de woning van de vader in [woonplaats] te wonen; subsidiair: II. de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader te bepalen; III. een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen vast te stellen, waarbij de kinderen één weekend per veertien dagen bij de moeder zullen verblijven. 3.
  14. De moeder heeft de rechtbank verzocht om de zelfstandige verzoeken van de vader af te wijzen. 3.
  15. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank: aan de moeder – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vader – toestemming verleend om in de zomer van 2025 met de kinderen naar [plaats 1] te verhuizen; de overige verzoeken van de moeder afgewezen; de zelfstandige verzoeken van de vader afgewezen. De rechtbank heeft de bestreden beschikking gemotiveerd niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De procedure in hoger beroep 3.
  16. Partijen kunnen zich met deze beslissingen van de rechtbank niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. De moeder heeft daarbij tevens, bij wege van incident, het hof verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, zoals reeds onder rechtsoverweging 2.
  17. van deze beschikking is weergegeven (zaaknummer 200.348.690/02). In de zaak met zaaknummer 200.348.690/02: 3.
  18. Omdat het hof in deze beschikking tevens uitspraak doet in de hoofdzaak heeft de moeder geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het incident. Dit brengt met zich dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het incident. In de zaak met zaaknummer 200.348.690/01: De standpunten 3.
  19. De vader voert in het principaal hoger beroep – samengevat – het volgende aan. Partijen hebben zich conform hun toezeggingen tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank aangemeld bij het Centrum Jeugd en Gezin (CJG) van de gemeente [gemeente] voor een doorverwijzing naar het Uniform Hulpaanbod (UHA). Zij staan op de wachtlijst. De rechtbank heeft ten onrechte aan de moeder vervangende toestemming verleend om met de kinderen in de zomer van 2025 naar [plaats 1] te verhuizen. De rechtbank heeft op 3 september 2024 en daarom te voorbarig, een beslissing genomen over een verhuizing van de kinderen in de zomer van
  20. Het was toen nog onbekend welke belangen er in de zomer van 2025 spelen, hoe het dan met de kinderen gaat en wat voor een impact een dergelijke verhuizing dan op de kinderen heeft. De rechtbank heeft verder ten onrechte aangenomen dat de door de moeder gewenste verhuizing voldoet aan de door partijen in het ouderschapsplan overeengekomen afspraak dat zij niet verder dan 30 kilometer uit elkaar zouden wonen. De door de moeder voorgenomen verhuizing (33 kilometer) overschrijdt die grens. Bovendien hebben partijen deze grens van 30 kilometer vooral opgenomen om duidelijk te maken dat zij van plan waren om na het uiteengaan dicht bij elkaar in de buurt te blijven wonen. Allebei de kinderen zijn namelijk in [woonplaats] geworteld. In [plaats 1] moeten de kinderen weer helemaal opnieuw beginnen. De moeder toont met de door haar gewenste verhuizing onvoldoende inzicht in de belevingswereld van de kinderen en zij houdt daarmee ook onvoldoende rekening met hun wensen en belangen. De vader was niet op de hoogte van de wens van de moeder om naar [plaats 1] te verhuizen. De ‘roots’ van de moeder liggen bovendien in [plaats 3] en niet in [plaats 1] . De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de belangen van de moeder en de kinderen bij een verhuizing naar [plaats 1] zwaarder wegen dan het belang van de vader bij handhaving van de bestaande situatie. De rechtbank heeft de door de Hoge raad in de uitspraak van 25 april 2008 ECLI:NL:HR: 2008:BC5901 genoemde ‘verhuiscriteria’ onvoldoende afgewogen. De vader betwist de noodzaak van de moeder om naar [plaats 1] te verhuizen. De rechtbank heeft onvermeld gelaten waaruit de noodzaak van de moeder voor een verhuizing naar [plaats 1] bestaat. De vader betwist dat hij met allerlei vrouwen in het dorp vreemd is gegaan en dat de moeder daarom wordt nagewezen. De moeder wenst enkel vanwege haar nieuwe partner naar [plaats 1] te verhuizen. De partner van de moeder kan zijn onderneming in [plaats 4] ook prima vanuit [woonplaats] bereiken. De reisafstand is – ook bij calamiteiten – overbrugbaar. Inmiddels heeft de moeder met haar partner een woning in [plaats 1] gekocht. Deze woning ligt in het buitengebied. De kinderen worden hierdoor bemoeilijkt in het opbouwen van sociale contacten. Verder is de rechtbank voorbij gegaan aan de mate waarin de vader nu betrokken is in het dagelijks leven van de kinderen (school, de sport en de hobby’s). De communicatie tussen partijen is tot het nulpunt gedaald. De vader verwacht daarom na de verhuizing steeds minder van het leven van de kinderen mee te krijgen. Ook heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de zorgregeling door de verhuizing niet onder druk komt te staan. Een compensatie van de gevolgen van de verhuizing is – vanwege de reistijd – niet mogelijk. Het is vanwege files niet in het belang van de kinderen om iedere maandagochtend vanuit [woonplaats] naar hun scholen in [plaats 1] te worden gebracht. De moeder bevestigt dit zelf door aan te geven dat een doordeweeks contact om die reden niet wenselijk is. Verder acht de vader het onbegrijpelijk dat de rechtbank ondanks de grote bezwaren van [minderjarige 1] tegen de verhuizing, toch aan de moeder vervangende toestemming heeft verleend. De rechtbank heeft verder ten onrechte overwogen dat er voor [minderjarige 2] geen bezwaren voor een verhuizing aanwezig zijn. De vader maakt zich ook zorgen over [minderjarige 2] ; zij is sinds de procedure steeds introverter geworden. Een verhuizing zal ook voor haar grote gevolgen hebben en de rechtbank heeft dit onvoldoende in haar beslissing meegewogen. De kinderen hebben een leeftijd dat een verhuizing een grote impact op hun leven en sociaal-emotionele ontwikkeling zal hebben, waardoor hun belang bij het blijven in hun vertrouwde woning, voorgaat op het belang van de moeder om te verhuizen. Niet valt in te zien hoe partijen binnen het UHA alsnog tot een oplossing van de huidige situatie zouden kunnen komen. De kinderen scheiden is niet in hun belang. De rechtbank heeft tot slot ten onrechte de zelfstandige verzoeken van de vader afgewezen. Indien de moeder wordt toegestaan om zonder de kinderen naar [plaats 1] te verhuizen, dan is het in het belang van de kinderen dat hun hoofdverblijfplaats bij de vader wordt bepaald en dat een zorgregeling met de moeder wordt vastgesteld. De vader is – met behulp van zijn netwerk – in staat om de dagelijkse zorg voor de kinderen op zich te nemen. 3.
  21. De moeder voert in het principaal hoger beroep – samengevat – het volgende aan. De rechtbank heeft de belangen van de kinderen zorgvuldig afgewogen en is tot een beslissing gekomen die in hun belang is. Het gaat goed met de kinderen, zowel thuis als op school. De wens van de moeder om in de toekomst richting [plaats 1] terug te verhuizen is ten tijde van de relatiebreuk uitdrukkelijk besproken; daarom is in het ouderschapsplan een afstand van 30 kilometer opgenomen. De familieleden van de moeder wonen in verschillende plaatsen ( [plaats 1] [plaats 3] , [plaats 4] ), die allen dicht bij elkaar liggen. De moeder blijft van mening dat er een noodzaak tot verhuizing bestaat. Zij heeft in eerste aanleg genoegzaam aangevoerd waarom zij in [woonplaats] niet gelukkig is. Er is niets dat de moeder aan [woonplaats] bindt, terwijl er wel veel is dat haar aan de regio [plaats 1] bindt. De moeder heeft het recht om haar eigen leven voort te zetten. De partner van de moeder kan niet naar [woonplaats] verhuizen. Hij heeft een eigen onderneming in [plaats 4] , waardoor hij economisch en sociaal verbonden is aan de regio [plaats 4] . De moeder heeft inmiddels samen met haar partner een vrijstaande woning in [plaats 1] gekocht; dit was voor haar een unieke kans om een nieuw bestaan op te bouwen. De moeder heeft zorgvuldig nagedacht over de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen, waarbij de belangen van de kinderen voorop hebben gestaan. De kinderen zijn al sinds januari 2024 gedurende de helft van de weekenden en vakanties in [plaats 1] ; er is geen sprake van een onbekende omgeving voor hen. Alle voorzieningen zijn in de buurt en ook voor de kinderen makkelijk te bereiken. De verhuizing brengt geen wijziging in de zorgregeling met zich. De oorspronkelijke regeling waarbij de kinderen op donderdagavond bij de vader verblijven, zag op de oude werksituatie van de vader. De vader werkt inmiddels standaard op alle vrijdagen. In de praktijk wordt de zorg voor de kinderen dan door familieleden van de vader gedragen. De moeder heeft er bovendien geen enkel bezwaar tegen wanneer de vader de kinderen op maandagochtend naar school blijft brengen. Zij betwist dat er sprake is van files op de route naar school. De afstand tussen het woonadres van de vader enerzijds en de scholen en sportclubs van de kinderen in [plaats 1] anderzijds, is niet zodanig dat het daarmee voor de vader onmogelijk is om in de avonduren of in de weekenden aanwezig te zijn bij een training, ouderavond of wedstrijd. Ook kan het wegvallen van het contactmoment eenmaal per maand op de donderdagavond worden gecompenseerd door extra contact tijdens de vakanties en/of een extra weekend per maand. De vader kan dus in dezelfde mate in het leven van de kinderen betrokken blijven. Mogelijk heeft hij dan zelfs meer contact met de kinderen dan voor de verhuizing. Het ontbreken van communicatie met de vader, is niet aan de moeder te wijten. De moeder betwist dat er zorgen over [minderjarige 2] bestaan. [minderjarige 2] is nog steeds extravert. De jonge leeftijd van [minderjarige 2] zorgt ervoor dat zij heel veerkrachtig is. [minderjarige 2] is nog steeds enthousiast over de verhuizing. Zij rijdt graag samen met de moeder paard en de paarden kunnen nu ‘aan huis staan’. [minderjarige 1] gaat naar de middelbare school, waardoor hij toch een nieuwe stap moet zetten. Ook [minderjarige 1] kijkt ernaar uit om naar de woning in [plaats 1] te verhuizen. Beide kinderen verwachten door de bestreden beschikking dat zij in de zomer van 2025 naar [plaats 1] zullen verhuizen. De moeder verzoekt de zelfstandige verzoeken van de vader af te wijzen. De vader gaat daarin volledig voorbij aan de wensen van de kinderen om bij de moeder te blijven wonen. Hij weet bovendien dat de moeder nooit zonder de kinderen zou verhuizen. Het wijzigen van de zorgregeling waarbij de moeder eerst de hoofdopvoeder was, naar een regeling van één weekend per veertien dagen is onacceptabel. Die wijziging is voor de kinderen veel groter dan een verhuizing naar [plaats 1] . Het is niet in het belang van de kinderen om hen op te splitsen, in die zin, dat [minderjarige 2] bij de moeder gaat wonen en [minderjarige 1] bij de vader gaat wonen. 3.
  22. De moeder voert in het incidenteel hoger beroep – samengevat – het volgende aan. De rechtbank heeft aan de moeder vervangende toestemming verleend om met de kinderen te verhuizen. De moeder heeft de vader bij het vinden van een geschikte school voor de kinderen in [plaats 1] willen betrekken. De vader geeft hier geen gehoor aan en hij geeft geen toestemming voor de inschrijving van [minderjarige 1] op het [college 1] college. [minderjarige 1] moet gelet op zijn leeftijd een doorslaggevende stem hebben over de middelbare school waarop hij wordt ingeschreven. [minderjarige 1] heeft zelf zijn uitdrukkelijke voorkeur uitgesproken voor het [college 1] college in [plaats 1] . [minderjarige 1] kan zelfstandig op de fiets naar die school. Gelet op de verhuizing naar [adres 4] in [plaats 1] is het voor [minderjarige 2] prettiger wanneer zij niet naar basisschool [basisschool 2] , maar naar basisschool [basisschool 1] in [plaats 1] gaat. Omdat de vader geen schriftelijke toestemming heeft gegeven voor de inschrijving van de kinderen op genoemde scholen en het UHA-traject niet van start zal gaan voor de verhuizing, ziet de moeder zich genoodzaakt om het hof om vervangende toestemming te verzoeken. De moeder wijzigt daarom haar verzoek in hoger beroep en verzoekt het hof om aan haar alsnog vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige 1] op het [college 1] college en de inschrijving van [minderjarige 2] op basisschool [basisschool 1] . 3.
  23. De vader voert in het incidenteel hoger beroep – samengevat – het volgende aan. De vader kan niet instemmen met de gewijzigde verzoeken van de moeder. Het verzoek van de moeder tot verhuizing dient te worden afgewezen, waardoor [minderjarige 2] niet van school hoeft te wisselen en [minderjarige 1] niet in [plaats 1] naar de middelbare school hoeft te gaan. Desondanks is de vader op 28 maart 2025 met de moeder naar de basisschool [basisschool 1] geweest voor een rondleiding. Indien [minderjarige 2] naar [plaats 1] zal verhuizen dan heeft de vader er geen bezwaar tegen dat zij naar die school zal gaan. De vader betwist dat [minderjarige 1] een voorkeursschool heeft. Hij ziet dat [minderjarige 1] geen keuze kan maken, omdat er nog onzekerheid bestaat over of hij al dan niet in [woonplaats] zal blijven wonen. [minderjarige 1] is met toestemming van de moeder inmiddels ingeschreven op het [college 2] in [plaats 2] . 3.
  24. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep – samengevat – het volgende geadviseerd. De vader wil dat de kinderen in [woonplaats] blijven wonen en de moeder wil met de kinderen naar [plaats 1] verhuizen. De raad kan niet inschatten wat de wensen van de kinderen omtrent de door de moeder gewenste verhuizing zijn. Daarbij speelt ook een rol dat kinderen van gescheiden ouders hun ouders vaak willen ‘pleasen’. Het kan zijn dat [minderjarige 1] ten tijde van zijn uitspraken omtrent de verhuizing zich vooral loyaal naar de vader voelde. De raad zou naar de daadwerkelijke wens van de kinderen omtrent de verhuizing een onderzoek moeten verrichten. Gelet op de tijd die een dergelijk onderzoek kost, acht de raad dit niet in het belang van de kinderen. De ouders halen ter motivering van hun standpunt veel argumenten aan. De essentie moet zijn dat de ouders de belangen van de kinderen voorop stellen. De houding van de ouders dient daarom te veranderen. De ouders dienen de kinderen te ondersteunen en hen te wijzen op de positieve dingen van de uiteindelijke situatie. Wanneer de ouders daartoe in staat zijn dan is voor de kinderen met beide situaties ‘goed te handelen’. Het is voor de kinderen belangrijk dat wanneer het hof een beslissing over de vervangende toestemming neemt, de ouders zich volwassen gaan gedragen en uitvoering aan die beslissing gaan geven. Dit betekent concreet dat wanneer het hof de vervangende toestemming tot verhuizing bekrachtigt, de vader daar positief tegenover moet staan en dat dat ook uitstraalt richting de kinderen. De vader levert door de verhuizing wel tijd met de kinderen in. De moeder dient op haar beurt dan de vader te compenseren met een extra contactmoment; daartoe bestaan voldoende mogelijkheden. Indien het hof de aan de moeder verleende vervangende toestemming vernietigt dan is het belangrijk dat de moeder niet naar de kinderen uitstraalt dat de vader de ‘kwade genius’ in dezen is. De moeder heeft altijd het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen gehad. De raad vindt daarom de door de vader subsidiair verzochte wijziging van de hoofdverblijfplaats en de beperkte zorgregeling met de moeder, een te grote verandering voor de kinderen. De motivering van de beslissing 3.
  25. Het hof overweegt het volgende. In het principaal en incidenteel hoger beroep: Vervangende toestemming verhuizing 3.14.
  26. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt met zich dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van de kinderen en voor de inschrijving van de kinderen op een (andere) school in beginsel toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden, zal de rechter hierover een beslissing nemen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 3.14.
  27. Partijen zijn in artikel 2 van het door hen opgestelde ouderschapsplan overeengekomen dat zij bij een voorgenomen verhuizing vooraf met elkaar in overleg zullen treden. Verder zijn zij daarin overeengekomen dat zij niet verder dan 30 kilometer van elkaar zullen gaan wonen. Partijen hebben in onderling overleg geen overeenstemming bereikt over de door de moeder gewenste verhuizing naar [plaats 1] . Partijen hebben daarom dit geschil aan de rechtbank voorgelegd. Dit maakt dat het verhuisverzoek van de moeder dient te worden getoetst aan de in de jurisprudentie opgenomen ‘verhuiscriteria’ en de rechter een belangenafweging dient te maken tussen de belangen van alle betrokkenen. 3.14.
  28. Conform vaste rechtspraak (vgl. HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901 en HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:487) dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval en belangen in acht te nemen. Onder meer de navolgende omstandigheden en belangen kunnen daarbij worden gewogen: het recht en belang voor de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten; de noodzaak om te verhuizen; de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid; de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren; de mate waarin partijen in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg; de rechten van de andere ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving; de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg; de extra kosten van het contact na de verhuizing; de belangen van het kind, zijn leeftijd en de mate waarin hij geworteld is in zijn omgeving of juist gewend is aan verhuizingen. Een beoordeling betekent niet dat letterlijk alle stappen moeten worden doorlopen; slechts die criteria die relevant zijn bij de beoordeling van een in een voorliggende situatie aanwezige feiten en omstandigheden moeten in aanmerking worden genomen. Een dergelijke beoordeling kan er in een voorkomend geval toe leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te maken belangenafweging. 3.14.
  29. De vader heeft een belang bij de handhaving van de bestaande situatie en de moeder heeft een belang bij een verhuizing met de kinderen naar [plaats 1] . Het belang van de kinderen bestaat er volgens de raad vooral uit dat de ouders het belang van de kinderen centraal kunnen stellen en dat zij in onderling overleg beslissingen over de kinderen kunnen nemen die door hen beide gedragen worden, wat het hof onderschrijft. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de moeder getoetst aan de hiervoor genoemde ‘verhuiscriteria’ en op grond daarvan bepaald dat het belang van de moeder en de kinderen bij de verzochte verhuizing naar [plaats 1] zwaarder wegen dan het belang van de vader en de kinderen bij de handhaving van de bestaande situatie. 3.14.
  30. Het hof is op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep van oordeel dat deze belangenafweging anders zou moeten uitvallen en dat het belang van de vader en de kinderen bij de handhaving van de bestaande situatie dient te prevaleren. Dit maakt dat het verzoek van de moeder om vervangende toestemming om met de kinderen naar [plaats 1] te verhuizen alsnog dient te worden afgewezen. De moeder heeft – naar het oordeel van het hof – een intrinsieke wens ingegeven door haar persoonlijke omstandigheden om te verhuizen maar geen objectief (verifieerbare) dringende noodzaak aangetoond om te verhuizen. Hetgeen de moeder stelt ten aanzien van de noodzaak om te verhuizen ziet voornamelijk op haar eigen belang (zij is niet gelukkig in [woonplaats] en wil graag dichter bij haar familie/vrienden wonen) en het belang van haar partner (zijn onderneming in [plaats 4] ) en niet in de eerste plaats op het belang van de kinderen. Daar staat tegenover dat het belang van de vader bij handhaving van de bestaande situatie zich meer richt op het belang van de kinderen, omdat vast staat dat de kinderen in [woonplaats] geboren en getogen zijn en daar geworteld zijn. 3.14.
  31. Weliswaar acht het hof de wens van de moeder om te verhuizen naar [plaats 1] , waar ook haar netwerk woonachtig is, begrijpelijk en heeft zij een belang bij de verhuizing, maar van een objectief dringende noodzaak aan haar zijde om met de kinderen naar [plaats 1] te verhuizen is het hof niet, althans onvoldoende gebleken. Verder voert de moeder aan dat haar partner vanwege zijn onderneming in [plaats 4] sociaal en economisch verbonden is aan de regio [plaats 1] . Ook dit levert – naar het oordeel van het hof – geen objectief dringende noodzaak tot verhuizing op. Nog daargelaten dat in beginsel sprake is van een afgeleid belang van de moeder, valt niet in te zien waarom het verschil in afstand van slechts 19 kilometer tussen [plaats 4] - [plaats 1] (6,7 kilometer) en [woonplaats] - [plaats 4] (27,7 kilometer) voor de partner van de moeder onoverkomelijk is en hij zich niet in [woonplaats] zou kunnen vestigen. De moeder heeft deze stelling ook niet objectief verifieerbaar onderbouwd. Dat de moeder inmiddels met haar partner een woning in [plaats 1] heeft aangekocht, maakt evenmin dat er thans een objectieve dringende noodzaak tot verhuizing bestaat. De rechtbank heeft de aan de moeder verleende vervangende toestemming tot verhuizing niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard om voor beide partijen toetsing in hoger beroep mogelijk te maken zonder aan directe gevolgen van deze uitspraak gebonden te zijn vanaf de dag van instelling van een hoger beroep. Hiervan uitgaande heeft de moeder met de aankoop van een huis in [plaats 1] hangende de beroepstermijn voorbarig gehandeld. Deze handelwijze en de daarmee gepaard gaande verstrekkende financiële gevolgen, dient – naar het oordeel van het hof – daarom voor haar eigen rekening en risico te komen. De vader kon immers nog tot op de laatste dag van de beroepstermijn hoger beroep tegen de bestreden beschikking instellen, waarbij altijd de kans bestond dat het verzoek om vervangende toestemming alsnog zou worden afgewezen. 3.14.
  32. Het hof is verder van oordeel dat de gewenste verhuizing het contact tussen de vader en de kinderen teveel zal beperken en om die reden niet in het belang van de kinderen is. Vast staat dat de vader nauw betrokken is bij de school, sporten en hobby’s van de kinderen. De vader zou na de verhuizing – vanwege de afstand van circa 33 kilometer – niet meer in dezelfde mate in het leven van de kinderen betrokken kunnen zijn. Ook het doordeweekse contactmoment van éénmaal per vier weken op donderdag en dat de kinderen één keer per veertien dagen in het weekend tot maandag naar school bij de vader verblijven, komt daarmee onder druk te staan omdat dit door de reisafstand/reisduur praktisch niet uitvoerbaar is. Het hof acht – gelet op de mate van betrokkenheid van de vader in het leven van de kinderen – de door de moeder aangeboden compensatie in de zorg, in de vorm van een extra contactmoment in een weekend of vakantie, onvoldoende en te vrijblijvend. Omdat de noodzaak tot verhuizing ontbreekt en de vader door de verhuizing onvoldoende wordt gecompenseerd, behoeven de overige in de vaste jurisprudentie genoemde ‘verhuiscriteria’ geen verdere bespreking meer. Hetgeen de moeder verder nog in hoger beroep heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Wel staat het partijen vrij om in het nog op te starten UHA-traject, in onderling overleg, tot een andersluidende afspraak te komen. 3.14.
  33. Voor zover de vader verder in hoger beroep nog primair heeft verzocht om de moeder te gebieden om binnen vijf kilometer (reisafstand) van de woning van de vader in [woonplaats] te wonen, zal het hof dit verzoek afwijzen. Omdat het hof de door de moeder verzochte vervangende toestemming om naar [plaats 1] te verhuizen, alsnog heeft afgewezen bestaat hier – naar het oordeel van het hof – geen noodzaak meer voor. Daarbij komt dat het de moeder op zich vrij staat om – zonder de kinderen – naar [plaats 1] te verhuizen en het door de vader verzochte gebod reeds om die reden niet passend is. Wijziging hoofdverblijfplaats en wijziging zorgregeling 3.14.
  34. Omdat het hof het primaire verzoek in hoger beroep van de vader – omtrent de vernietiging van de vervangende toestemming tot verhuizing toewijst, komt het hof niet meer toe aan het subsidiaire verzoek in hoger beroep van de vader omtrent de wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de wijziging van de zorgregeling met de moeder. Scholen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] 3.14.
  35. Omdat het hof het verzoek van de moeder om vervangende toestemming om met de kinderen naar [plaats 1] te verhuizen alsnog heeft afgewezen, blijft de door [minderjarige 2] te bezoeken basisschool ongewijzigd. [minderjarige 1] gaat na de zomervakantie naar de middelbare school. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat [minderjarige 1] inmiddels – met toestemming van de moeder – is ingeschreven op het [college 2] in [plaats 2] . Dit maakt dat het hof over de inschrijving van [minderjarige 1] op een middelbare school geen beslissing meer hoeft te nemen. De slotsom 3.
  36. Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als hierna onder 4 vermeld. Proceskosten 3.
  37. Het hof zal – gelet op de aard van de procedure – de proceskosten in hoger beroep compenseren. 4De beslissing Het hof: in de zaak met zaaknummer 200.348.690/02: verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het incident waarbij zij het hof heeft verzocht om, hangende de beslissing van het hof in de bodemprocedure, de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 3 september 2024, alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. in de zaak met zaaknummer 200.348.690/01: op het principaal en incidenteel appel: vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 3 september 2024, voor zover de rechtbank daarbij aan de moeder toestemming heeft verleend – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vader – om in de zomer van 2025 met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar [plaats 1] te verhuizen, en in zoverre opnieuw rechtdoende: wijst het inleidend verzoek van de moeder om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar [plaats 1] te verhuizen alsnog af; bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, E.P de Beij en M.I. Peereboom-van Drunick en is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.