← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1436

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 22 mei 2025 Zaaknummer: 200.348.916/01 Zaaknummer eerste aanleg: 11166771 OV VERZ 24-3164 Beschikking over het verzoek tot opheffing van het bewind in de zaak in hoger beroep van: [de rechthebbende] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de rechthebbende, advocaat: mr. S.J. Nijssen, Als belanghebbende is aangemerkt: [B.V.] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de bewindvoerder. 1De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 16 oktober 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2De procedure in hoger beroep 2.

  1. Bij beroepschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 11 december 2024, heeft de rechthebbende verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - het verzoek tot opheffing van het bewind alsnog toe te wijzen, kosten rechtens. 2.
  2. Er is geen verweerschrift ontvangen. 2.
  3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 april
  4. Bij die gelegenheid is de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat, gehoord. De bewindvoerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. 2.
  5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het V-formulier van mr. Nijssen met bijlage, ontvangen op 2 januari 2025; het bericht van de bewindvoerder met bijlagen, ontvangen op 24 april
  6. 3De beoordeling De feiten 3.
  7. Bij beschikking van 26 september 2013 heeft de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, over de goederen die de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind ingesteld. 3.
  8. Met ingang van 24 juli 2024 is de huidige bewindvoerder tot opvolgend bewindvoerder benoemd. 3.
  9. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind afgewezen. 3.
  10. De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De standpunten 3.
  11. De rechthebbende voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de rechthebbende onvoldoende heeft aangetoond dat hij voldoende zelfredzaam is om zijn financiën zelfstandig te regelen. Op het moment dat het bewind is ingesteld had de rechthebbende schulden die hij niet zelfstandig te boven kon komen. Hij heeft nu geen problemen meer in het omgaan met geld. Hij heeft van het verleden geleerd en heeft dit ook aangetoond. De rechthebbende ontvangt al lange tijd maandgeld en dat verloopt goed. De bewindvoerder heeft ten onrechte naar voren gebracht dat de man in de periode van december 2022 tot september 2023 teveel extra geld heeft uitgegeven. De rechthebbende heeft nooit meer geld uitgegeven dan er binnen kwam. Zijn uitgavenpatroon is aantoonbaar verbeterd. De rechthebbende ervaart het bewind als beklemmend en zijn vertrouwen in de bewindvoerder is beschadigd. Dit maakt dat het niet zinvol is om het bewind voort te zetten. De financiën van de rechthebbende zijn overzichtelijk. De rechthebbende heeft het recht om zelf over zijn financiën te beschikken, zonder een bewindvoerder. 3.
  12. De bewindvoerder voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan. Op verzoek van de rechthebbende is een zelfredzaamheidstraject gestart, waarbij de rechthebbende de beschikking over de beheerrekening heeft verkregen. Uiteindelijk is dit traject gestopt, omdat de rechthebbende niet in staat bleek de juiste afwegingen te maken. De uitgaven overstegen de inkomsten, waardoor werd ingeteerd op de toen nog aanwezige reserves. Er dienden verder betalingen te worden uitgesteld in afwachting van de ontvangst van zijn uitkering. Ook de afgelopen periode is gebleken dat rechthebbende nog onvoldoende overzicht heeft. Er wordt regelmatig verzocht om de uitbetaling van het leefgeld van € 600,- te vervroegen. Daarnaast worden er met regelmaat extra bedragen (voorschotten) gevraagd, hoewel bij de rechthebbende bekend is dat de reserves minimaal zijn. De rechthebbende is zonder overleg een lening aangegaan voor elektronica en er heeft een omzetting van een abonnement plaatsgevonden, wat onnodig tot tijdelijke dubbele lasten heeft geleid. Hoewel de wens van de rechthebbende invoelbaar is, kan de bewindvoerder niet anders concluderen dan dat de rechthebbende structureel problemen heeft om tot goede financiële afwegingen te komen. Dit maakt dat de rechthebbende nog immer gebaat is bij continuering van de onderbewindstelling. Het wettelijk kader 3.
  13. Op grond van artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve. De overwegingen van het hof 3.
  14. Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is verklaard dient het hof te beoordelen of er bij de rechthebbende nog steeds sprake is van een lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel verkwisting of het hebben van problematische schulden, die een onderbewindstelling van zijn goederen rechtvaardigt. 3.
  15. Het hof is van oordeel dat hiervan sprake is en zal hierna uitleggen waarom. Het staat vast dat het bewind destijds is ingesteld wegens schuldenproblematiek. Gelet op de informatie van de bewindvoerder wordt aangenomen dat sinds 2018 van schulden geen sprake meer is. Er heeft in de periode 2022-2023 een traject plaatsgevonden om te bezien of de rechthebbende zelfredzaam is. Sinds de beëindiging van dit zelfredzaamheidstraject, dat overigens niet met succes is afgerond, heeft de rechthebbende diverse keren om extra geld gevraagd, in ieder geval ook nog in januari
  16. In januari 2025 is extra geld uitgekeerd voor verf en lampen, maar de rechthebbende heeft niet aan de bewindvoerder kunnen laten zien hoe dit geld precies is besteed. Uit de overgelegde emailberichten tussen de bewindvoerder en de rechthebbende concludeert het hof dat een deel van het geld kennelijk aan andere zaken is besteed. De rechthebbende heeft voorts niet betwist dat hij regelmatig vraagt om het leefgeld eerder uit te keren. Verder is gebleken dat de rechthebbende zonder overleg met de bewindvoerder een contract (lening) met KPN heeft afgesloten voor een nieuwe tablet. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechthebbende erkend dat hij zich toen niet heeft gerealiseerd dat hij daarmee een lening aanging. De door rechthebbende zelf gekozen en ingezette overstap naar een andere internetprovider heeft ertoe geleid dat er tijdelijk sprake is geweest van een dubbel abonnement met derhalve dubbele kosten. De rechthebbende verwijt de bewindvoerder wel dat deze niet adequaat genoeg heeft gehandeld hierin, maar als de rechthebbende zijn zaken zelf wenst te regelen en hij een dergelijke overstap in gang zet, ligt het ook op zijn weg om zijn eigen verantwoordelijkheid hierin te nemen en te laten zien dat hij zelf een goede oplossing kan vinden. Uit het voorgaande concludeert het hof dat het voor de rechthebbende lastig is om voldoende overzicht te houden over zijn uitgaven en dat hij zich, bijvoorbeeld, onder druk van een dagaanbieding kan laten verleiden tot extra uitgaven, zonder zich voldoende te realiseren welke verplichting hij hiermee aangaat. Het hof is er niet van overtuigd geraakt dat de rechthebbende voldoende inzicht heeft in zijn inkomen, zijn vaste lasten, en wat hij nodig heeft voor onverwachte uitgaven. Wanneer extra gelden worden uitgekeerd wordt er ingeteerd op het spaargeld, dat bedoeld is voor onvoorziene zaken. Het hof maakt zich net als de rechtbank zorgen of de rechthebbende voldoende in staat is om hierin de juiste keuzes te maken. Ten slotte wordt hierbij in aanmerking genomen dat de rechthebbende een beperkt netwerk heeft om hem bij zijn budgettering te ondersteunen en/of te adviseren. 3.
  17. Al deze omstandigheden tezamen maken dat niet aannemelijk is geworden dat de rechthebbende op dit moment voldoende in staat is om zijn financiële zaken zelf te regelen. 3.
  18. Daarbij wordt nog uitdrukkelijk opgemerkt dat de rechthebbende zeker de nodige positieve stappen heeft gezet om zijn financiële zaken meer zelf te kunnen regelen en meer inzicht te krijgen in zijn budget. Verder heeft de rechthebbende tijdens de mondelinge behandeling zelfinzicht getoond door te erkennen dat hij in het verleden niet altijd de juiste keuzes heeft gemaakt. Het is dan ook voorstelbaar dat er op termijn opnieuw wordt gekeken of een zelfredzaamheidstraject aan de orde kan zijn, waarbij de bewindvoerder de rechthebbende tevens kan adviseren over een betrouwbaar vangnet, zoals vrijwillig budgetbeheer via de gemeente of een instantie als [instantie] . 3.
  19. Voor zover de rechthebbende nog heeft willen verzoeken om de huidige bewindvoerder te ontslaan en een andere bewindvoerder te benoemen, wordt aan dit verzoek voorbij gegaan. De problemen die de rechthebbende ervaart hebben niet zozeer te maken met de persoon van de bewindvoerder, maar veel meer met het bewind als zodanig. Als er een andere bewindvoerder zou worden benoemd verdwijnen die problemen niet. Bovendien is er geen reden om er aan te twijfelen dat de bewindvoerder zijn taken goed uitvoert en dat het bewind goed verloopt. Er zijn ten slotte onvoldoende concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan moet worden aangenomen dat het bewind vanwege een verstoorde verhouding tussen de rechthebbende en de bewindvoerder niet uitvoerbaar is. De slotsom 3.
  20. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gronden van het bewind nog steeds aanwezig zijn. Het hof zal de beschikking waarvan beroep bekrachtigen. Proceskosten 3.
  21. Gezien de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. 4De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg van 16 oktober 2024; compenseert de proceskosten in hoger beroep; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, A.M. Bossink en K.A. Boshouwers en is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.