← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1484

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.343.202/01 arrest van 27 mei 2025 in de zaak van [appellante] , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna aan te duiden als [appellante] , advocaat: mr. J.A.M.D. van Gerven te Eindhoven, tegen [geïntimeerde] , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. E.C.M.J. van Kempen te 's-Hertogenbosch, op het bij exploot van dagvaarding van 28 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 24 april 2024, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/307044/ HA ZA 22-294) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord; de mondelinge behandeling op 18 maart 2025, waarbij partij [appellante] spreekaantekeningen heeft overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.

  1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.2.
  2. [geïntimeerde] exploiteert een champignonkwekerij. [geïntimeerde] kweekt en levert champignons van verschillende kwaliteitsklassen. [appellante] exploiteert een onderneming die champignons verwerkt en veredelt. 3.2.
  3. [geïntimeerde] is een van de verschillende leveranciers van [appellante] . [appellante] plaatste periodiek orders bij [geïntimeerde] . 3.2.
  4. Met betrekking tot het jaar 2020 zijn [geïntimeerde] en [appellante] mondeling overeengekomen dat [geïntimeerde] wekelijks 15 ton champignons aan [appellante] zou leveren voor een vaste prijs van € 0,71 per kilo. Ten aanzien van de exacte hoeveelheid te leveren champignons aan [appellante] werd tussen partijen overleg gevoerd. Op deze wijze kon er rekening worden gehouden met de behoefte van [appellante] . 3.2.
  5. In de Covid-19 pandemie heeft [appellante] een aantal keren aan [geïntimeerde] verzocht om minder champignons te leveren. 3.2.
  6. Op 16 juni 2020 heeft [geïntimeerde] een partij van elf pallets champignons afgeleverd bij [appellante] . Deze champignons zijn door de keurmeester van [appellante] de heer [persoon A] gecontroleerd. De keurmeester heeft deze partij vervolgens afgekeurd. Vervolgens is de heer [geïntimeerde] naar het bedrijfspand van [appellante] gegaan en is er een hevige discussie ontstaan tussen de keurmeester en de heer [persoon A] . Partijen zijn vervolgens in onderling overleg overeengekomen dat de pallets, na verwijdering van een aantal slechte bakken door [geïntimeerde] , één klasse zouden worden gedegradeerd. 3.2.
  7. Naar aanleiding van dit incident heeft de heer [persoon B] van [appellante] per e-mailbericht van 16 juni 2020 de volgende brief naar [geïntimeerde] gestuurd. In deze brief staat: " (…) Wederom hebben wij moeten constateren dat u zich heden ongepast heeft gedragen op het bedrijfsterrein van [appellante] . Iedere keer wanneer wij een kwaliteitsissue met u aankaarten inzake een deel van de door u afgeleverde champignons, reageert u uitzinnig en bent u niet meer voor rede vatbaar. Ik heb u reeds een aantal malen medegedeeld als directeur van [appellante] dat ik dit gedrag richting mij, mijn personeel, niet langer kan accepteren. De wijze waarop u zich meent te moeten manifesteren is op negatieve wijze imponerend jegens het team van [appellante] waar ik uiteindelijk verantwoordelijk voor ben. Omdat ik het gevoel heb dat ik de veiligheid van mijn medewerkers niet langer kan garanderen wanneer ik u in hun nabijheid verkeerd, beëindig ik per onmiddellijk onze samenwerking en zal ik geen producten meer van u afnemen. (…)”. 3.2.
  8. [geïntimeerde] heeft op 29 juni 2020 per e-mailbericht het volgende naar [appellante] gestuurd: "(…) Naar aanleiding van de brief van [appellante] BV het volgende. We leveren al 5 jaar champignons aan [appellante] . Ieder jaar wordt in het najaar een nieuwe afspraak gemaakt over de omvang en prijs van de te leveren champignons. Voor het jaar 2020 loopt een afspraak van 15 ton champignons. Als het [appellante] beter past om er minder of meer te ontvangen, wordt dit wekelijks overgelegd. Dit laat ik afhangen wat hier mogelijk is i.v.m. transport en kosten (…) Op 16-06-2020 brachten we een restpartij van 11 pallets. Bij de eerste pallet ging het al mis. Deze was zo slecht volgens Keurmeester [persoon A] dat het stort was en mee terug moest. Toen ze mij dit berichten ben ik er naar toe gegaan, en heb de champignons bekeken. Van de pallet waren 2 bakken van de 40 die mogelijk niet geheel aan de kwaliteitseisen van de sortering zoals wij die aangeleverd hadden voldeden. Terwijl de keurmeester deze pallet als stort kwalificeerde. Wat hij had kunnen doen is om deze pallet 1 of meerdere klassen terug te zetten, maar niet als stort te bestempelen. Hierover hebben we een discussie gehad en onze standpunten over en weer geventileerd. Dit ging uiteindelijk gepaard met enige stemverheffing. Dit resulteerde dat deze pallet een klasse gedegradeerd werd en ik heb dit onder protest geaccepteerd. De keurmeester [persoon A] gaf aan dat hij de deze discussie niet fijn vond en stelde voor dit voorval snel te vergeten. (…)”. 3.2.
  9. Bij brief van 29 juli 2020 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] aan [appellante] medegedeeld dat de beëindiging van de (duur)overeenkomst niet rechtsgeldig is en verzocht aan [appellante] om de (duur)overeenkomst alsnog na te komen. Voorts heeft de gemachtigde aangegeven dat de afspraken van te leveren champignons nog gelden tot en met 31 december 2020 en indien deze afspraken niet zouden worden nagekomen de overeenkomst wordt omgezet in een vordering tot schadevergoeding. De procedure bij de rechtbank 3.3.
  10. In eerste aanleg vorderde [geïntimeerde] - na wijziging van eis - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. te verklaren voor recht dat [appellante] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de (duur)overeenkomst tot koop/verkoop van champignons jegens [geïntimeerde] en/of onrechtmatig heeft gehandeld ex artikel 6:162 BW, althans dat [appellante] de (duur)overeenkomst tot koop/verkoop van champignons met [geïntimeerde] niet rechtsgeldig heeft opgezegd en dat [appellante] uit dien hoofde aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden en nog te lijden schade; II. [appellante] te veroordelen aan [geïntimeerde] te betalen een schadevergoeding ten bedrage van € 52.543,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat [appellante] in verzuim is; III. [appellante] subsidiair te veroordelen een voorschot op de schadevergoeding te betalen ten bedrage van € 30.000,00, alsmede [appellante] te veroordelen tot vergoeding van de door [geïntimeerde] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de niet rechtsgeldige opzegging van de (duur)overeenkomst; IV. [appellante] te veroordelen tol betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 1.119,68, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag dat [appellante] in verzuim is; V. [appellante] te veroordelen in de kosten van dit geding. 3.3.
  11. Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat er sprake was van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd en dat [appellante] een opzegtermijn tot 31 december 2020 in acht had moeten nemen. Ook stelt [geïntimeerde] dat er voor [appellante] geen voldoende zwaarwegende grond was om de overeenkomst op 16 juni 2020 op te zeggen. Volgens [geïntimeerde] heeft zij doordat [appellante] de mondelinge overeenkomst heeft opgezegd schade geleden, bestaande uit de lagere prijs die [geïntimeerde] heeft ontvangen voor haar champignons bij een derde en de extra vervoerskosten die daarmee gepaard gaan. Naast deze schade stelt [geïntimeerde] dat zij schade heeft geleden uit hoofde van niet geretourneerde emballage voor een bedrag van € 6.500,
  12. 3.3.
  13. [appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 3.3.
  14. In het tussenvonnis van 12 april 2023 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [appellante] de overeenkomst tot koop/verkoop van champignons met [geïntimeerde] niet rechtsgeldig heeft opgezegd en dat [appellante] uit dien hoofde aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden en nog te lijden schade. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [appellante] is het volgens de rechtbank aan [geïntimeerde] om de door haar gestelde schade te bewijzen. De rechtbank heeft het daarbij voorshands nodig geacht om een deskundigenbericht in te winnen. 3.3.
  15. In het tussenvonnis van 2 augustus 2023 heeft de rechtbank de heer [deskundige] (hierna: [deskundige] ) benoemd tot deskundige ter beantwoording van de vraag: “Welke financiële schade [geïntimeerde] heeft geleden tot 31 december 2020 doordat [appellante] de overeenkomst tussen partijen op 16 juni 2020 heeft opgezegd?”. 3.3.
  16. De deskundige heeft op 1 december 2023 zijn deskundigenrapport ter griffie gedeponeerd bij de rechtbank. Ten aanzien van de schade vermeldt de deskundige in zijn rapport het volgende: “(…) Schade geleden door het niet kunnen verkopen van kwaliteiten 2-3-100 en 3-3-100 (…) Tot en met week 24 werd 1.395 kilo per week van de kwaliteiten verkocht voor een bedrag van € 720 per week. Gesteld en niet weersproken is dat [geïntimeerde] schade heeft geleden doordat zij van week 25 tot en met 53 die hoeveelheden niet heeft kunnen verkopen. De schade bedraagt aldus 29 x € 720 = € 20.
  17. (…) Schade geleden doordat de champignons tegen een lagere prijs werden verkocht (…) Ik meen dat het niet aannemelijk is dat de schade, ongeacht de kwaliteit, op een vast bedrag wordt gesteld en ga daarom voor alle kwaliteiten uit van een schade van 3,5%. (…) Ik meen dat de schade van [geïntimeerde] niet kan worden gebaseerd op een beoogde wekelijks geleverde hoeveelheid die nooit werd gehaald. Ik ga daarom uit van het totaal aan leveringen in de eerste 24 weken van 12.506 kilo per week minus de 1.395 kilo per week die niet verkocht kon worden. Deze wekelijkse 11.110 kilo heeft een prijs van € 7.
  18. De schade is aldus te stellen op € 7.
  19. (…) Schade door hogere transportkosten (…) Ik ga ervan uit dat de 3 leveringen per week, overeenkomstig de ritten tot en met week 24, niet gecombineerd kunnen worden omdat de champignons omwille van de versheid kort na de oogst moeten worden afgeleverd. Dat de grotere champignons onverkoopbaar waren zal resulteren in een lagere beladingsgraad maar niet in een kleiner aantal ritten. Ik ga daarom uit van het aantal ritten dat in de eerste 24 weken van 2020 is uitgevoerd. Dat zou resulteren in 87 ritten (29 weken x 3 ritten). [geïntimeerde] zelf gaat uit van 2 ritten in week 25 en totaal 86 ritten. Ik ga derhalve uit van deze opgave. De schade door de hogere transportkosten heb ik aldus becijferd uitgaande van 86 ritten x € 200 = € 17.
  20. (…) Schade door niet geretourneerde bakken en pallets (…) In de laatste e-mail zijdens [appellante] van 24 oktober wordt toegelicht dat de laatste aanlevering van 440 kratten en 11 pallets nog aanwezig is bij [appellante] . Ik meen dat de bakken en pallets, ongeacht de opzegging van de overeenkomst, geretourneerd dienen te worden en dat de gestelde post van € 6.500 geen deel uitmaakt van de schade door opzegging van de overeenkomst. (…) Schade door niet betaalde facturen (…) De vraag van de rechtbank betreft de schade ten gevolge van de opzegging van de overeenkomst met [geïntimeerde] door [appellante] . Eventueel onbetaald gebleven facturen maken daar geen deel van uit. Ik merk daarbij op dat de rechtbank ook geen restvraag heeft gesteld (of de deskundige nog andere opmerkingen heeft die voor de verdere beoordeling van het geschil relevant kunnen zijn). Ik onthoud mij derhalve van een oordeel omtrent de vermeend openstaande facturen, de verrekening en het resterende saldo. (…) Vertragingsschade [geïntimeerde] vordert een vergoeding van vertragingsschade op basis van de wettelijke handelsrente ex art. 6:199a subsidiair de wettelijke rente ex art. 6:
  21. Ik meen dat het hier niet om een handelstransactie gaat zodat art. 6:119 toepasselijk is. (…) De gehele schade ontstaat over de weken 25 tot en met
  22. Ik ga ervan uit dat het gehele schadebedrag midden in die periode rentedragend wordt. Aldus zijn er in het schrikkeljaar 2020 99 rentedagen á 2%, in 2021 365 rentedagen á 2%, in 2022 365 rentedagen á 2% en in 2023 tot rapportdatum 181 rentedagen á 4% en 152 rentedagen á 6%. Over de gehele periode groeit het schadebedrag daardoor met ruim 9,3% aan. Een vergoeding van de vertragingsschade is aldus te stellen op € 4.
  23. (…) Totale schade (…) Geen verkoop 2-3-100 en 3-3-100 € 20.866 Verkoop tegen lagere prijs € 7.977 Extra transportkosten € 17.200 € 46.043 Vertragingsschade € 4.302 Totaal € 50.345 ” 3.3.
  24. In het eindvonnis van 24 april 2024 heeft de rechtbank [appellante] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 52.543,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 januari 2021, tot de dag van volledige betaling. [appellante] is daarbij veroordeeld in de proceskosten, waaronder de deskundigenkosten, aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan het vonnis begroot op € 18.623,41 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de betekening van het vonnis tot de dag der volledige betaling. Voorts is [appellante] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 1.300,43 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders gevorderde is afgewezen door de rechtbank. De procedure in hoger beroep 3.
  25. [appellante] heeft in hoger beroep een algemene grief en zeven genummerde grieven aangevoerd die alle zijn voorzien van een toelichting. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] . Tevens heeft [appellante] gevorderd om [geïntimeerde] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest, al hetgeen op basis van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis door [appellante] alsdan aan [geïntimeerde] is betaald, aan [appellante] terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente althans de wettelijke rente hierover vanaf de dag van de specifieke betalingen tot de dag van algehele voldoening. Verder heeft [appellante] gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding van de schade die [appellante] ten tijde van het te wijzen arrest heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. 3.
  26. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en het hof verzocht om, zo nodig onder verbetering of aanvulling van gronden de grieven van [appellante] ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bekrachtigen en [appellante] uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Omvang van het hoger beroep 3.
  27. Er is door [appellante] geen grief gericht tegen de tussenvonnissen. Hierdoor geldt als uitgangspunt voor de verdere beoordeling in hoger beroep dat [appellante] de overeenkomst tot koop/verkoop van champignons met [geïntimeerde] niet rechtsgeldig heeft opgezegd en dat [appellante] uit dien hoofde aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden en nog te lijden schade, zoals de rechtbank bij vonnis van 12 april 2023 voor recht heeft verklaard. Beoordeling van de grieven 3.
  28. De algemene grief van [appellante] komt er op neer dat als gevolg van de niet rechtsgeldige opzegging door [appellante] van de overeenkomst [geïntimeerde] geen schade heeft geleden. Ter toelichting betoogt [appellante] dat de niet rechtsgeldige opzegging alleen tot gevolg heeft dat de overeenkomst nog bestaat en dat louter door het vervolgens niet-nakomen van de overeenkomst er schade kan ontstaan. Naar het oordeel van het hof echter verkeert [appellante] als gevolg van de niet-rechtsgeldige opzegging direct in verzuim als bedoeld in artikel 6:83 sub c BW. [geïntimeerde] moest immers uit de mededeling van [appellante] afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zou tekortschieten. Voor zover [appellante] ervan uitgaat dat door de niet rechtsgeldige opzegging alleen de oorspronkelijke overeenkomst herleeft zonder dat [geïntimeerde] vervangende schadevergoeding kan vorderen bestaat hiervoor geen wettelijke grondslag. Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde] bij brief van 28 september 2020 een omzettingsverklaring als bedoeld in artikel 6:87 BW heeft verzonden waardoor de verbintenis wordt omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. Dit betekent dat de algemene grief faalt. 3.
  29. Vervolgens is de vraag aan de orde welke vervangende schadevergoeding [geïntimeerde] toekomt als gevolg van de niet rechtsgeldige opzegging door [appellante] . Met grieven 2 tot en met 4 betoogt [appellante] - naar de kern genomen - dat voor de berekening van de door [geïntimeerde] geleden schade alleen moet worden aangesloten bij de levering van champignons met de kwaliteit ‘3-3-45’ nu de overeenkomst tussen partijen louter zag op de levering van die kwaliteit champignons. [appellante] voert daartoe verschillende omstandigheden aan. Zo wijst [appellante] erop dat bestellingen voor overige kwaliteiten (zoals ‘2-3-100’ en ‘3-3-100’) variabel waren en nimmer vooraf werden gemaakt. Ook werden de leveringen van andere kwaliteiten telkens individueel beoordeeld zonder dat sprake was van intensief contact. Voor de kwaliteit ‘3-3-45’ werden, zo betoogt [appellante] bij haar algemene grief periodieke prijsafspraken per kilo gemaakt, waarbij de hoeveelheden per ‘vlucht’ of maand werden afgestemd. Voor de kwaliteiten ‘2-3-65’, ‘2-3-80’, ‘2-3-100’ en ‘3-3-100’ was er geen sprake van periodieke afspraken, maar nam [appellante] restpallets met deze champignons uit coulance incidenteel van [geïntimeerde] af. De geleden schade ter zake de levering van deze andere kwaliteiten champignons dient daarom buiten beschouwing te blijven, aldus [appellante] . 3.
  30. Naar het oordeel van het hof falen de grieven 2 tot en met
  31. Hiervoor is het volgende redengevend. In onder meer de e-mailberichten van 18 april 2019 en 15 oktober 2019 van de heer [persoon B] namens [appellante] aan [geïntimeerde] wordt gesproken over het leveren door [geïntimeerde] aan [appellante] van champignons van verschillende kwaliteiten. Door [geïntimeerde] is ter zitting in hoger beroep uiteengezet dat verschillende soorten champignons per vrachtwagen werden afgeleverd bij [appellante] . Ook [appellante] heeft in hoger beroep erkend dat andere kwaliteiten champignons dan ‘3-3-45’ werden geleverd door [geïntimeerde] aan [appellante] , maar dat daarvoor geen vaste prijzen en hoeveelheden golden. [geïntimeerde] heeft voldoende onderbouwing aangeleverd voor de conclusie dat de overeenkomst meer omvatte dan alleen de kwaliteit ‘3-3-45’. De omstandigheid dat niet voor alle kwaliteiten vaste afspraken golden ter zake prijs en de af te nemen wekelijkse hoeveelheden, doet hier niet aan af. Van een (duur)overeenkomst kan ook sprake zijn wanneer periodiek producten in wisselende hoeveelheden en tegen fluctuerende prijzen worden afgenomen. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat het telen van champignons een natuurproduct betreft, waarvan zowel de kwaliteit als de kwantiteit per week verschilt. Zowel de onderlinge correspondentie tussen partijen als het gestelde ter zitting in hoger beroep duiden er aldus - in onderlinge samenhang bezien - op dat de (duur)overeenkomst tot het leveren door [geïntimeerde] van champignons aan [appellante] ziet op meerdere kwaliteiten champignons. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de deskundige, onder verwijzing naar hetgeen in de branche gebruikelijk is én onder verwijzing naar hetgeen tussen partijen feitelijk gebeurde, op overtuigende wijze heeft onderbouwd dat in de contractuele relatie tussen partijen ook andere kwaliteiten dan ‘3-3-45’ tegen bepaalde prijzen verhandeld werden. Het oorzakelijk verband tussen die onregelmatige beëindiging en de geleden schade (ook) aangaande andere kwaliteiten dan ‘3-3-45’ is daarmee gegeven. [geïntimeerde] mocht er op vertrouwen dat [appellante] meerdere kwaliteiten champignons zou afnemen, zodat ook de overige kwaliteiten terecht meegenomen zijn bij de vaststelling van de door [geïntimeerde] geleden schade. Dit betekent dat de grieven 2 tot en met 4 tevergeefs naar voren zijn gebracht door [appellante] en aldus niet slagen. 3.
  32. De rechtbank heeft zich ter beantwoording van de vraag omtrent de omvang van de schade laten voorlichten door gerechtelijk deskundige [deskundige] (zie rechtsoverweging 3.3.6). Met grief 1 voert [appellante] aan dat er meerdere gegronde redenen zijn om af te wijken van de hoofdregel waarbij de rechter in beginsel het oordeel van de deskundige volgt. De rechtbank heeft, zo betoogt [appellante] ter toelichting op haar grief, de deskundige expliciet gevraagd om onderzoek uit te voeren om de financiële schade te bepalen die [geïntimeerde] zou hebben geleden tot 31 december 2020 als gevolg van de opzegging van de overeenkomst door [appellante] op 16 juni
  33. Daardoor is de schadeberekening van de deskundige onjuist en gebaseerd op onjuiste aannames, aldus [appellante] . Gelet op het falen van grieven 2 tot en met 4 faalt ook grief
  34. [appellante] heeft verder geen gegronde redenen aangevoerd op grond waarvan de rechter dient af te wijken van het oordeel van de deskundige. Het hof merkt daarbij ten overvloede op dat de deskundige in zijn rapport op diverse punten juist het voor [appellante] meest voordelige uitgangspunt heeft gehanteerd bij de berekening van de omvang van de financiële schade. 3.
  35. [appellante] betoogt met grief 5 dat de rechtbank het gevorderde bedrag van € 6.500,- ten onrechte heeft toegewezen. Ter toelichting wijst [appellante] erop dat [deskundige] in het deskundigenbericht deze schadepost niet heeft meegenomen in de schadeopstelling, nu de gevorderde emballage wegens niet geretourneerde bakken en pallets niet het gevolg is van de beëindiging van de overeenkomst. Niettemin heeft de rechtbank deze schadepost toegewezen, nu er volgens de rechtbank wel een rechtsgrond voor teruglevering van de bakken en pallets bestaat en het beroep van [appellante] op verrekening moet worden gepasseerd. De rechtbank is buiten de rechtsstrijd tussen partijen getreden, [geïntimeerde] heeft geen vordering tot schadevergoeding van de emballage ingesteld, aldus [appellante] . 3.
  36. Naar het oordeel van het hof slaagt grief
  37. Daartoe is het volgende redengevend. In het deskundigenbericht is de vordering van € 6.500,- vermeld wegens niet geretourneerde kratten en pallets (te weten 440 en 11 stuks). Tevens is opgenomen in het deskundigenbericht dat dit tijdens de bespreking van 14 september 2023 van de deskundige met partijen en hun adviseurs is vermeld en dat niet weersproken is dat deze kratten en pallets niet geretourneerd zijn. Bij memorie van grieven daarentegen is deze vordering wel betwist door [appellante] onder verwijzing naar diverse e-mailberichten uit september en oktober 2023 met als bijlagen overzichten van de pallets en kratten die partijen elkaar over en weer verschuldigd waren (producties 6 tot en met 9, memorie van grieven). [geïntimeerde] heeft daartegenover geen voldoende onderbouwing aangeleverd voor haar vordering ter zake verschuldigde emballage, terwijl dat wel op haar weg had gelegen, gelet op de hoofdregel van art. 150 Rv. De schadeopstelling van 18 september 2023 van haar accountant [persoon C] heeft [geïntimeerde] niet in het geding gebracht en evenmin stukken waaruit blijkt welke kratten en pallets op 16 juni 2020 exact ontbraken. Gelet op de onvoldoende onderbouwing door [geïntimeerde] , komt het hof niet toe aan bewijslevering op dit punt, nog daargelaten dat geen voldoende specifiek bewijsaanbod hiervoor is gedaan door [geïntimeerde] . Dit betekent dat de vordering ad € 6.500,- wordt afgewezen. Het beroep door [appellante] op verrekening behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking. 3.
  38. Grief 6 is gericht tegen de veroordeling van [appellante] de door [geïntimeerde] geleden schade te vergoeden en de proceskostenveroordeling. Volgens [appellante] dient niet zij maar [geïntimeerde] veroordeeld te worden in de proceskosten in beide instanties, waaronder de deskundigenkosten en vermeerderd met de vertragingsschade. [appellante] voert ter toelichting op haar grief aan dat conform de regels van bewijslastverdeling en procesrecht [geïntimeerde] haar stellingen dient te bewijzen, hetgeen zij niet, althans onvoldoende heeft gedaan. Uit de voorgaande grieven volgt, aldus [appellante] , dat geen sprake is van schade, dat de geclaimde schade gebaseerd is op onjuiste aannames en dat de berekening van de schade incorrect is. Naar het oordeel van het hof kan gelet op het grotendeels falen van de overige grieven, deze grief niet slagen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vordering van [geïntimeerde] , met uitzondering van het deel dat ziet op de emballagekosten, voldoende is onderbouwd en op juiste gronden is toegewezen. 3.
  39. Met grief 7 voert [appellante] aan dat geen buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd nu [geïntimeerde] niet heeft aangetoond dat een buitengerechtelijk incassotraject heeft plaatsgevonden dat de gevorderde kosten rechtvaardigt. Het hof stelt het volgende voorop. Uitgangspunt bij het beoordelen van gevorderde buitengerechtelijke incassokosten is artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder c BW. Daarin is bepaald dat redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen. In het woord ‘redelijke’ ligt een dubbel redelijkheidsbegrip besloten: zowel het maken van de kosten als de omvang van de kosten moet redelijk zijn. 3.
  40. Nu de vordering van [geïntimeerde] is gebaseerd op een verbintenis tot betaling van een geldsom die is omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding (artikel 6:87 BW) is door de rechtbank terecht aangesloten bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (BIK). De hoogte van de te vorderen incassokosten wordt daarbij niet gerelateerd aan specifieke incassohandelingen die zijn verricht, maar uitsluitend aan de hoogte van de hoofdsom, waardoor niet relevant is welke specifieke incassokosten er zijn verricht zolang er daadwerkelijk incassokosten zijn gemaakt (HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405). Nu niet betwist is dat [geïntimeerde] zowel een sommatie als een omzettingsverklaring heeft verzonden, bestaat voldoende grond om de gevorderde incassokosten toe te wijzen. Dit betekent dat grief 7 faalt. Slotsom en afwikkeling 3.
  41. De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd voor zover het betreft de toewijzing van € 53.543,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover en opnieuw rechtdoende zal het hof [appellante] veroordelen te betalen aan [geïntimeerde] een bedrag van € 46.043,00 te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 januari 2021, tot de dag van volledige betaling. 3.
  42. Voor het overige dient het bestreden vonnis te worden bekrachtigd. Bewijslevering is niet aan de orde. De vordering van [appellante] om [geïntimeerde] te veroordelen om al hetgeen [appellante] ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft voldaan, terug te betalen wordt toegewezen voor zover sprake is geweest van voldoening door [appellante] van de in eerste instantie toegewezen vordering ter zake de emballagekosten ad € 6.500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover. 3.
  43. Het hof zal [appellante] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in het hoger beroep in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten zullen aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld worden op: Griffierechten € 2.175,- Salaris advocaat € 4.426,- (2 punten x tarief IV) Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 6.779,- 4De uitspraak Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover de rechtbank onder 5.
  44. van het vonnis [appellante] heeft veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 52.543,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 januari 2021, tot de dag van volledige betaling, opnieuw rechtdoende:veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 46.043,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 januari 2021, tot de dag van volledige betaling; bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige; veroordeelt [geïntimeerde] om binnen 14 dagen na betekening van dit arrest het bedrag van € 6.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente voor zover door [appellante] voldaan, aan [appellante] terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van de betaling door [appellante] aan [geïntimeerde] , tot de dag van algehele voldoening; veroordeelt [appellante] in de proceskosten in het hoger beroep, en begroot deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] op € 6.779,- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [appellante] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellante] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening; verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. A.C. van Campen, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en D. Knottenbelt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 mei
  45. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.