← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:1485

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.346.563/01 arrest van 27 mei 2025 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats], appellant, hierna aan te duiden als [appellant], advocaat: mr. A. de Rooij te Leusden, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde], advocaat: mr. P.W.M. Broekmans te Roermond, op het bij exploot van dagvaarding van 12 augustus 2024 ingeleide hoger beroep van het kortgedingvonnis van 18 juli 2024, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/03/331263 / KG ZA 24-186) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de door [appellant] genomen memorie van grieven met producties 1 en 2; de door [geïntimeerde] genomen memorie van antwoord met producties 8, 9 en 10; de door [appellant] genomen akte met producties 3 en 4; de door [geïntimeerde] genomen antwoordakte met productie

  1. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling De vaststaande feiten en de kern van het geschil 3.1.
  2. Het gaat in dit kort geding naar de kern genomen om de vraag of [geïntimeerde] voldaan heeft aan de bij arrest van dit hof van 6 februari 2024 in een bodemprocedure jegens hem op straffe van verbeurte van een dwangsom uitgesproken veroordeling om van bomen op zijn perceel alle takken die overhangen boven het perceel van [appellant] te snoeien en teruggesnoeid te houden. 3.1.
  3. In dit hoger beroep kan op hoofdlijnen worden uitgegaan van de volgende feiten. a. [geïntimeerde] is sinds 1995 eigenaar van het perceel gelegen aan de [perceel 1]. [geïntimeerde] heeft de eigendom van dit perceel verkregen van zijn vader, en woont met zijn gezin in een woning op het perceel. Op de kadastrale kaart die als productie 1 bij de conclusie van antwoord is overgelegd, is dit perceel aangeduid met nummer
  4. b. [appellant] heeft het naastgelegen perceel in 2013 in eigendom verworven. Hij woont elders. Op de zojuist genoemde (noordgerichte) kadastrale kaart is dit perceel aangeduid met nummer [nummer]. Het perceel van [appellant] bevindt zich ten noorden van het perceel van [geïntimeerde]. c. Op het perceel van [geïntimeerde] staan, dicht bij de erfgrens met het perceel van [appellant], meerdere bomen met een hoogte van meer dan tien meter. d. [appellant] heeft [geïntimeerde] op 7 april 2020 gedagvaard in een bodemprocedure voor de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond. [appellant] vorderde in die procedure veroordeling van [geïntimeerde] tot het snoeien van de takken die boven het perceel van [appellant] hangen en tot het teruggesnoeid houden van die takken, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Aan die vordering heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat hij sinds het voorjaar van 2014 ernstige overlast ondervindt door de grote hoeveelheid afval die van de overhangende takken komt. e. In de betreffende procedure heeft de kantonrechter bij vonnis van 18 november 2020 (zaaknummer 8445820 \ CV EXPL 20-1559) geoordeeld – kort gezegd – dat de vordering van [appellant] moet worden afgewezen voor zover die ziet op het afzagen van overhangende takken die zich hoger dan zes meter bevinden, maar dat de vordering toewijsbaar is ten aanzien van takken die zich minder dan zes meter hoog bevinden. Op grond van dat oordeel heeft de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeeld tot het snoeien van de takken die boven het perceel van [appellant] hangen tot een hoogte van zes meter en tot het teruggesnoeid houden van de overhangende takken tot een hoogte van zes meter, op straffe van een dwangsom van € 100,-- voor iedere dag dat [geïntimeerde] niet aan de veroordeling voldoet, met bepaling dat boven een bedrag van € 2.500,-- geen verdere dwangsommen worden verbeurd. f. [appellant] heeft tegen het vonnis van 18 november 2020 hoger beroep ingesteld. In dat hoger beroep heeft [appellant] door middel van grief 1 aangevoerd dat er geen enkele reden is om de op [geïntimeerde] rustende snoeiverplichting te beperken tot een hoogte van zes meter. Verder heeft [appellant] in dat hoger beroep zijn eis vermeerderd met een vordering ter zake zes op het perceel van [geïntimeerde] nabij de erfgrens aanwezige fruitbomen. g. Dit hof heeft in dat hoger beroep bij tussenarrest van 25 juli 2023 (zaaknummer 200.290.412/01) naar aanleiding van grief 1 onder meer het volgende overwogen: “6.7.
  5. (…) Het eigendomsrecht is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben (artikel 5:1 BW) en omvat voorts de bevoegdheid tot gebruik van de ruimte boven en onder de oppervlakte (artikel 5:21 lid 1 BW). Het gebruik van de ruimte boven en onder de oppervlakte is aan anderen toegestaan, indien dit zo hoog boven of zo diep onder de oppervlakte plaats vindt, dat de eigenaar geen belang heeft zich daartegen te verzetten (artikel 5:21 lid 2 BW). Dat belang behoeft niet van vermogensrechtelijke aard te zijn. De enkele mogelijkheid, dat het gebruik voor de eigenaar schade of hinder zal veroorzaken, rechtvaardigt in het algemeen dat hij zich tegen dit gebruik verzet (Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 125). Of het belang redelijk is. speelt hierbij geen rol. De eigenaar behoort in dit opzicht, binnen de grenzen van artikel 5:1 BW en de regels betreffende ruimtelijke ordening waarnaar deze bepaling mede verwijst en behoudens de algemene regels van misbruik van bevoegdheid, vrij te zijn (Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 127). Het enkele aanwezig zijn van overhangende takken levert in beginsel dan ook een onrechtmatig handelen van de eigenaar van deze takken op jegens de eigenaar van wie het perceel door deze takken wordt overhangen wegens inbreuk op het eigendomsrecht van [appellant], terwijl voorts het nalaten van [geïntimeerde] om deze te verwijderen na een daartoe gedaan verzoek van [appellant] eveneens onrechtmatig is wegens handelen in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt. 6.
  6. (…) Voor zover er takken toebehorende tot het perceel van [geïntimeerde] boven het perceel van [appellant] hangen, is er – althans in beginsel – sprake van onrechtmatig handelen door [geïntimeerde]. 6.
  7. Nu [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord erkent dat sprake is van overlast veroorzaakt door takken en bladeren (weliswaar dermate gering dat [appellant] daarvan geen hinder ondervindt) heeft [appellant] wel degelijk belang om zich te verzetten tegen het gebruik van de ruimte boven zijn perceel door [geïntimeerde]. Van misbruik van recht is dan ook niet gebleken. 6.
  8. Uit het onder rechtsoverweging 6.
  9. tot en met 6.
  10. overwogene, volgt dat de eerste grief slaagt.” Naar aanleiding van de vermeerderde eis over de fruitbomen heeft het hof overwogen – kort gezegd – dat beide partijen moeten worden toegelaten tot bewijslevering. Ook heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld een minnelijke regeling te treffen. - h. De partijen hebben vervolgens een minnelijke regeling getroffen die inhoudt dat [appellant] zijn vordering ter zake de fruitbomen intrekt en dat [geïntimeerde] zich niet langer verzet tegen de vordering van [appellant] tot het terugsnoeien en teruggesnoeid houden van alle over het perceel van [appellant] hangende takken. De partijen hebben het hof verzocht die regeling in een arrest vast te leggen. Het hof heeft naar aanleiding van dat verzoek op 6 februari 2024 eindarrest gewezen en in het dictum van dat arrest onder meer het volgende opgenomen: “15.
  11. vernietigt het bestreden vonnis van 18 november 2020 gewezen door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond (…) en opnieuw rechtdoende: 15.
  12. veroordeelt [geïntimeerde] om uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest álle overhangende takken die boven het perceel van [appellant] hangen te snoeien en teruggesnoeid te houden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [geïntimeerde] na betekening van het in deze te wijzen arrest in gebreke blijft om aan deze verplichtingen te voldoen, tot een maximum van € 2.500,00; 15.
  13. verklaart dit arrest voor wat betreft de onder 15.2 opgenomen veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;” i. [geïntimeerde] heeft de bomen in februari 2024 gesnoeid. Partijen hebben hierover gecorrespondeerd. [appellant] heeft zich in die correspondentie op het standpunt gesteld dat niet alle overhangende takken zijn gesnoeid. j. [geïntimeerde] heeft vervolgens een loonwerker ingeschakeld die de bomen op 2 maart 2024 met een hoogwerker heeft gesnoeid. De advocaat van [geïntimeerde] heeft daarna bij e-mail van 4 maart 2024 aan de advocaat van [appellant] meegedeeld dat geen sprake meer is van overhangende takken. k. De advocaat van [appellant] heeft per e-mail van 6 maart 2024 aan de advocaat van [geïntimeerde] meegedeeld nog steeds sprake is van overhangende takken en dat ook die overhangende takken verwijderd moeten worden. l. [appellant] heeft op 8 maart 2024 de grosse van het arrest van 6 februari 2024 aan [geïntimeerde] laten betekenen. Daarbij is aan [geïntimeerde] bevel gedaan om aan de veroordeling onder 15.2 van het arrest te voldoen en dus om binnen veertien dagen álle overhangende takken die boven het perceel van [appellant] hangen te snoeien en teruggesnoeid te houden. Bij het exploot is voorts aan [geïntimeerde] aangezegd dat hij de in het arrest opgenomen dwangsommen gaat verbeuren als hij niet aan het bevel voldoet. m. In opdracht van [appellant] heeft een deurwaarder op 5 april 2024 een proces-verbaal van constatering opgemaakt. In dat proces-verbaal van constatering staat onder meer het volgende: “(…) heb ik ter plaatse het navolgende GECONSTATEERD dat op het perceel [perceel 1] diverse bomen staan nabij de erfgrens van het perceel van rekwirant ([perceel 2]) en waarvan ik de navolgende foto's heb genomen. Deze foto's heb ik genomen vanaf de openbare weg aan de voorzijde van de percelen en vanaf het perceel van rekwirant; (…)” In het proces-verbaal zijn vervolgens 18 foto’s opgenomen waarbij de deurwaarder heeft omschreven vanaf welke positie die foto’s zijn genomen. De deurwaarder heeft zich in de tekst van het proces-verbaal niet uitgelaten over het antwoord op de vraag of de takken die op de foto’s zichtbaar zijn, overhangen boven het perceel van [appellant]. - n. Bij e-mail van 7 mei 2024 heeft de advocaat van [appellant] het proces-verbaal van constatering toegezonden aan de advocaat van [geïntimeerde], en meegedeeld dat [geïntimeerde] niet aan de veroordeling heeft voldaan en dat inmiddels het maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 2.500,-- is bereikt. In de e-mail wordt [geïntimeerde] gesommeerd het bedrag van € 2.500,-- vermeerderd met explootkosten binnen 10 dagen te voldoen, en worden executiemaatregelen aangekondigd voor het geval betaling uitblijft. Het geding bij de voorzieningenrechter 3.2.
  14. [geïntimeerde] heeft [appellant] vervolgens bij dagvaarding van 3 juli 2024 in de onderhavige kortgedingprocedure betrokken. [geïntimeerde] vorderde bij de voorzieningenrechter in conventie, als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv, [appellant] te verbieden enige executiemaatregelen tegen [geïntimeerde] te nemen ter zake het opeisen van beweerdelijk verbeurde dwangsommen, althans [appellant] te gelasten alle reeds in gang gezette executiemaatregelen te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag dat [appellant] zich hier niet aan houdt, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. 3.2.
  15. Aan deze vordering heeft [geïntimeerde], samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] gaat er ten onrechte van uit dat de door hem geplaatste erfafscheiding op de erfgrens tussen de percelen van partijen staat. Die erfafscheiding staat tenminste 30 centimeter voorbij de erfgrens op het perceel van [geïntimeerde]. De erfgrens bevindt zich dus tenminste 30 centimeter voorbij de erfafscheiding in de richting van het perceel van [appellant]. Mede gelet daarop is geen sprake van boven het perceel van [appellant] overhangende takken van bomen op het perceel van [geïntimeerde]. Het is vrijwel onmogelijk om de in geding zijnde bomen te snoeien boven een hoogte van 10-12 meter. De machines van de loonwerker reiken niet zover en zakken weg in de ter plaatse veelal drassige ondergrond. Het is bovendien in het buitengebied gebruikelijk dat bomenrijen dicht bij de erfgrens staan en dat takken en bladeren kunnen overwaaien naar een buurperceel. [appellant] kende deze situatie toen hij het perceel kocht. [appellant] maakt misbruik van bevoegdheid door in de gegeven omstandigheden aanspraak te maken op dwangsommen. 3.2.
  16. [appellant] heeft in conventie gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. Voortbouwend op zijn verweer in conventie, vorderde [appellant] in het geding bij de voorzieningenrechter in reconventie, als onmiddellijke voorzieningen bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv: I. veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 2.500,-- aan verbeurde dwangsommen; II. verhoging van het maximum van de in het arrest van het hof van 6 februari 2024 opgelegde dwangsommen tot € 25.000,--; met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. Aan deze vorderingen heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] ten onrechte blijft weigeren om te voldoen aan de bij het arrest van 6 februari 2024 opgelegde veroordeling om alle overhangende takken te snoeien en teruggesnoeid te houden, dat [geïntimeerde] daardoor inmiddels het maximum van € 2.500,-- aan dwangsommen heeft verbeurd en dat een verhoging van het maximum aan te verbeuren dwangsommen nodig is om [geïntimeerde] wel tot nakoming van de veroordeling te bewegen. 3.2.
  17. [geïntimeerde] heeft in reconventie verweer gevoerd. 3.2.
  18. In het beroepen kortgedingvonnis is vermeld dat er op 10 juli 2024 in deze zaak een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Van die mondelinge behandeling is kennelijk geen proces-verbaal opgemaakt. 3.2.
  19. In het beroepen kortgedingvonnis heeft de voorzieningenrechter, samengevat, als volgt geoordeeld. [geïntimeerde] heeft spoedeisend belang bij de door hem in conventie gevorderde voorlopige voorziening (rov. 4.1). Tussen partijen is in geschil of [geïntimeerde] behoorlijk uitvoering heeft gegeven aan hetgeen waartoe hij bij het arrest van het hof van 6 februari 2024 is veroordeeld (rov. 4.2). Vast staat dat [geïntimeerde] in februari 2024 de bomen heeft gesnoeid. Toen [appellant] vervolgens heeft aangegeven dat er onvoldoende was gesnoeid, heeft [geïntimeerde] een loonwerker ingeschakeld die de takken nogmaals, en met gebruik van een hoogwerker, heeft gesnoeid (rov. 4.5). [geïntimeerde] kan de bomen niet (veel) verder terugsnoeien zonder de volledige toppen van de bomen eraf te halen, hetgeen de bomen niet zouden overleven. Door twee keer per jaar te snoeien zal [geïntimeerde] de takken kort houden, maar kan hij niet voorkomen dat er op enig moment door weer of wind takken voor een klein deel zullen overhangen. [appellant] heeft aangegeven dat het voor hem volstaat dat de bomen een keer per jaar worden gesnoeid (rov. 4.6). [geïntimeerde] heeft de nodige inspanningen geleverd om aan de veroordeling te voldoen en hij heeft daarbij zorgvuldigheid betracht. Het is niet de bedoeling van de veroordeling dat iedere overhang van takken door welke oorzaak dan ook onmiddellijk leidt tot het verbeuren van dwangsommen. Partijen dienen zich in redelijkheid tot elkaar te verhouden. Het incidenteel en minimaal overhangen van enkele takken (al dan niet op grote hoogte) vormt geen inbreuk op het eigendomsrecht van [appellant]. Er is dus niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] niet aan de veroordeling heeft voldaan. Tenuitvoerlegging van het arrest door [appellant] levert bij deze stand van zaken misbruik van recht op (rov. 4.7). [appellant] mag dus geen executiemaatregelen meer treffen totdat onomstotelijk is komen vast te staan dat het arrest van 6 februari 2024 niet wordt nageleefd (rov. 4.8). Aan dit verbod zal in dit vonnis een dwangsom worden verbonden (rov. 4.10). De vordering in reconventie tot betaling van de bij het arrest van 6 februari 2024 opgelegde dwangsom wordt afgewezen, omdat in conventie is geoordeeld dat niet gebleken is dat [geïntimeerde] niet aan de veroordeling heeft voldaan (rov. 4.12). De vordering in reconventie tot verhoging van de opgelegde dwangsom wordt eveneens afgewezen omdat voor een verhoging van de dwangsom, gelet op het oordeel in conventie, geen grond bestaat (rov. 4.13). Op grond van deze oordelen heeft de voorzieningenrechter in conventie: [appellant] verboden enige executiemaatregelen in de richting van [geïntimeerde] uit te voeren dan wel uit te doen voeren totdat onomstotelijk is komen vast te staan dat het arrest van 6 februari 2024 niet wordt nageleefd, op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag voor iedere dag dat [appellant] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 2.500,--; [appellant] in de proceskosten van het geding in conventie veroordeeld; het in conventie meer of anders gevorderde afgewezen. In reconventie heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Het geding in hoger beroep 3.3.
  20. [appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen kortgedingvonnis en tot, samengevat: afwijzing alsnog van de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie; toewijzing alsnog van de vorderingen van [appellant] in reconventie; met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. 3.3.
  21. [geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot, naar het hof begrijpt, bekrachtiging van het beroepen kortgedingvonnis met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Over de grieven: volle omvang van het hoger beroep 3.
  22. [appellant] heeft in punt 4 van de memorie van grieven gesteld dat hij het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof wil voorleggen. Dit volgt ook uit de toelichting die hij op zijn grieven heeft gegeven en uit het feit dat hij heeft geconcludeerd tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie en tot het alsnog toewijzen van zijn eigen vorderingen in reconventie. Het hof zal daarom niet de grieven afzonderlijk behandelen maar beoordelen of de vordering in conventie terecht (op de door de voorzieningenrechter geformuleerde wijze) is toegewezen en of de vorderingen in reconventie terecht zijn afgewezen. Met betrekking tot het in conventie uitgesproken verbod tot het uitvoeren van executiemaatregelen totdat onomstotelijk is komen vast te staan dat het arrest van 6 februari 2024 niet wordt nageleefd 3.5.
  23. De voorzieningenrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] in conventie ten dele toegewezen, aldus dat het [appellant] in het beroepen kortgedingvonnis is verboden enige executiemaatregelen in de richting van [geïntimeerde] uit te voeren dan wel uit te doen voeren totdat onomstotelijk is komen vast te staan dat het arrest van 6 februari 2024 niet wordt nageleefd. [geïntimeerde] is niet in incidenteel hoger beroep gekomen tegen de afwijzing van het in conventie meer of anders gevorderde. [appellant] meent dat de vordering in conventie geheel afgewezen had moeten worden. 3.5.
  24. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde], uitgaande van zijn stellingen, voldoende spoedeisend belang bij de vordering in conventie zoals die in het beroepen vonnis is toegewezen, om een beoordeling van die vordering in kort geding te rechtvaardigen. Uitgaande van de stellingen van [geïntimeerde] dreigt hij immers het slachtoffer te worden van ongerechtvaardigde executiemaatregelen. 3.5.
  25. Het hof stelt bij de verdere beoordeling van het geschil in conventie het volgende voorop. In een executiegeschil als het onderhavige, waarbij het er om gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een bevel tot nakoming niet of onvoldoende is nageleefd, heeft de rechter niet tot taak de door de bodemrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient hij zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelende vonnis of arrest verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400, rov. 3.5). 3.5.
  26. Indien partijen van mening verschillen over de feitelijke vraag welke handelingen ter uitvoering van het veroordelende vonnis of arrest zijn verricht, geldt dat een kortgeding zoals het onderhavige zich in beginsel niet leent voor bewijslevering door getuigenverhoren of door het bevelen van een deskundigenbericht. Dergelijke bewijsverrichtingen kunnen door partijen in het kader van een bodemprocedure worden gevraagd. Het hof moet in het kader van dit kort geding volstaan met een voorshands oordeel over de betwiste feiten. 3.5.
  27. Ten aanzien van de uitleg van de bij het arrest 6 februari 2024 uitgesproken veroordeling, oordeelt het hof als volgt. Uit de gang van zaken die tot dat arrest heeft geleid, volgt dat de uitgesproken veroordeling ertoe strekte dat [geïntimeerde] alle overhangende takken, dus ook voor zover die zich hoger dan zes meter bevonden, diende te snoeien. [appellant] had immers hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 18 november 2020, waarbij de verplichting van [geïntimeerde] tot het snoeien van overhangende takken beperkt was gehouden tot takken op een hoogte van zes meter, en de daartegen door [appellant] gerichte grief 1 is bij het tussenarrest van 25 juli 2023 gegrond geacht. Partijen hebben vervolgens een regeling getroffen die inhield dat [geïntimeerde] álle overhangende takken, dus ook de takken op een grotere hoogte dan zes meter, zou snoeien, welke verplichting vervolgens op verzoek van partijen in het eindarrest van 6 februari 2024 is neergelegd. De veroordeling die bij dat arrest is uitgesproken kan daarom niet anders worden uitgelegd dan dat zij betrekking heeft op álle overhangende takken, ook de takken die zich hoger dan zes meter bevinden. 3.5.
  28. De stelling van [geïntimeerde] dat het is vrijwel onmogelijk om de in geding zijnde bomen te snoeien boven een hoogte van 10 tot 12 meter, aangezien de machines van de loonwerker niet zover reiken en wegzakken in de ter plaatse veelal drassige ondergrond, is binnen het kader van dit kort geding op zichzelf onvoldoende om verdere executiemaatregelen te verbieden. Op grond van artikel 611d Rv kan de rechter die de dwangsom heeft opgelegd (in dit geval: het gerechtshof als bodemrechter), op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. In het onderhavige executie-kortgeding heeft het hof slechts tot taak om de draagwijdte te beoordelen van de uitspraak waarbij de dwangsom door de bodemrechter is opgelegd, evenwel zonder dat hij de in die uitspraak vastgelegde rechten van de partijen mag wijzigen door met name de onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen in aanmerking te nemen (HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2455, rov. 3.5.2 en 3.5.3). 3.5.
  29. [geïntimeerde] heeft verder gesteld dat de door [appellant] geplaatste erfafscheiding, die langs de totale erfgrens tussen de percelen van partijen loopt, niet op de erfgrens maar tenminste 30 centimeter voorbij de erfgrens op het perceel van [geïntimeerde] staat. Mede gelet daarop is geen sprake van boven het perceel van [appellant] overhangende takken van bomen op het perceel van [geïntimeerde], aldus [geïntimeerde]. [appellant] heeft echter gemotiveerd gesteld dat het hekwerk, dat hij overigens al in 2014 heeft laten plaatsen, wel degelijk op de erfgrens staat. [geïntimeerde] heeft op zijn beurt niet betwist dat dit hekwerk zichtbaar is op de twee foto’s die [appellant] als productie 18 bij de conclusie van antwoord in conventie heeft overgelegd. Het hof constateert dat [geïntimeerde] ook niet heeft betwist dat dit hekwerk al meer dan 10 jaar als afscheiding tussen de erven van [geïntimeerde] en [appellant] dient, in de zin van artikel 5:36 BW. Daarom moet het midden van deze afscheiding op grond van artikel 5:36 BW vooralsnog worden vermoed de grens tussen beide erven te zijn. [geïntimeerde] heeft in het kader van dit kort geding geen tegenbewijs geleverd tegen dit wettelijk vermoeden. Het hof neemt daarom bij de verdere beoordeling in dit kort geding voorshands tot uitgangspunt dat het betreffende hekwerk op de erfgrens staat. 3.5.
  30. Het hof komt vervolgens toe aan de vraag of [geïntimeerde] in de periode vanaf de veertiende dag nadat op 8 maart 2024 het arrest van 6 februari 2024 aan [geïntimeerde] is betekend, heeft voldaan aan de veroordeling om van bomen op zijn perceel alle takken die overhangen boven het perceel van [appellant] te snoeien en teruggesnoeid te houden. Het hof kent daarbij voorshands doorslaggevende betekenis toe aan de foto’s die zijn opgenomen in het proces-verbaal van constatering van de deurwaarder van 5 april
  31. Ten aanzien van die foto’s staat vast wanneer zij zijn gemaakt, te weten op 5 april 2024 tussen 10:30 en 11:15 uur, en de deurwaarder heeft bij elke foto’s een duidelijke omschrijving gegeven van de locatie van waar af de betreffende foto is gemaakt. Het hof is voorshands van oordeel dat op een deel van de door de deurwaarder gemaakte foto’s voldoende duidelijk is dat sprake is van overhangende takken. Dat geldt onder meer voor foto 1, foto 2, foto 4, foto 5, foto 6, foto 7, foto 12 en foto
  32. Naar het voorshands oordeel van het hof kan niet geoordeeld worden dat van [geïntimeerde] geen verdergaande snoeiwerkzaamheden te vergen waren geweest. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de snoeiwerkzaamheden die [geïntimeerde] op 2 maart 2024 door een loonwerker met een hoogwerker had laten uitvoeren, ten tijde van het proces-verbaal van constatering slechts iets meer dan een maand in het verleden lagen, terwijl het op het moment van het opmaken van het proces-verbaal van constatering in feite nog aan het begin van het groeiseizoen was, zodat een verdere toename van de overhang van takken in de lijn van de verwachting lag. Gelet daarop had [geïntimeerde] de takken begin maart 2024 in verdergaande mate moeten laten terugsnoeien, mede gelet op de veroordeling om de overhangende takken niet alleen terug te snoeien maar ook teruggesnoeid te houden. Dat de bomen dit niet zouden hebben overleefd, heeft [geïntimeerde] voorshands onvoldoende aannemelijk gemaakt. 3.5.
  33. Om bovenstaande redenen concludeert het hof voorshands dat [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [geïntimeerde] met ingang van 23 maart 2024 (14 dagen na betekening van het arrest van het hof) dwangsommen is gaan verbeuren en dat het maximum van € 2.500,-- aan te verbeuren dwangsommen 25 dagen later, op 16 april 2024, is bereikt. [appellant] maakt naar het voorshands oordeel van het hof geen misbruik van recht door op die dwangsommen aanspraak te maken. 3.5.
  34. Uit het bovenstaande volgt dat de voorzieningenrechter de vordering van [geïntimeerde] in conventie ten onrechte heeft toegewezen. Het hof zal het vonnis in zoverre vernietigen en de vordering in conventie alsnog afwijzen. Met betrekking tot vordering I in reconventie tot veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 2.500,-- aan verbeurde dwangsommen 3.6.
  35. De door [appellant] als vordering I in reconventie gevraagde voorlopige voorziening strekt tot veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een geldsom. In kort geding is een dergelijke vordering slechts toewijsbaar als het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn, terwijl uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat. 3.6.
  36. Op grond van hetgeen het hof hiervoor in conventie heeft overwogen, acht het hof het bestaan en de omvang van de vordering voorshands voldoende aannemelijk. Het hof heeft in conventie immers geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat [geïntimeerde] € 2.500,-- aan dwangsommen heeft verbeurd. 3.6.
  37. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] ook voldoende spoedeisend belang om toewijzing van vordering I in reconventie in dit kort geding te rechtvaardigen. Dit belang bestaat erin dat [geïntimeerde] wordt geprikkeld om de veroordeling tot het terugsnoeien en teruggesnoeid houden van overhangende takken daadwerkelijk op korte termijn na te komen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [appellant] door middel van de door hem bij memorie van grieven overgelegde situatieschets en foto’s gemotiveerd heeft gesteld dat op 24 juli 2024, dus tweeëneenhalve maand nadat de deurwaarder het proces-verbaal van constatering had opgemaakt, in aanzienlijke mate sprake was van overhangende takken. Het hof overweegt verder dat niets is gesteld of gebleken over een risico van onmogelijkheid van terugbetaling, indien eventueel in enige bodemprocedure alsnog zou worden geoordeeld dat geen dwangsommen zijn verbeurd. 3.6.
  38. Om bovenstaande redenen zal het hof het beroepen vonnis vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van vordering I in conventie. Het hof zal, in zoverre opnieuw rechtdoende, die vordering alsnog toewijzen. [appellant] maakt over de hoofdsom van € 2.500,-- aanspraak op wettelijke rente met ingang van de datum van – naar het hof begrijpt – de rechterlijke beslissing waarbij de hoofdsom wordt toegewezen. Het hof zal die rente daarom toewijzen met ingang van de datum van dit arrest. Met betrekking tot vordering II in reconventie tot verhoging van het maximum van de in het arrest van het hof van 6 februari 2024 opgelegde dwangsommen tot € 25.000,-- 3.7.
  39. Vordering II in reconventie strekt tot verhoging van het maximum van de in het arrest van het hof van 6 februari 2024 opgelegde dwangsommen tot € 25.000,--. [appellant] heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat een verhoging van het betreffende maximum noodzakelijk is om [geïntimeerde] te bewegen tot nakoming van de bij dat arrest uitgesproken veroordeling tot het terugsnoeien en teruggesnoeid houden van overhangende takken. 3.7.
  40. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] voldoende spoedeisend belang bij deze vordering om een beoordeling daarvan in dit kort geding te rechtvaardigen. Uit het arrest van 6 februari 2024 volgt immers dat [appellant] de aanwezigheid van overhangende takken boven zijn perceel niet hoeft te dulden. 3.7.
  41. Uit hetgeen in conventie is overwogen, volgt voorshands dat de dreiging van het verbeuren van een maximum van € 2.500,-- aan dwangsommen niet voldoende is geweest om [geïntimeerde] te brengen tot nakoming van de veroordeling om de overhangende takken terug te snoeien en teruggesnoeid te houden. Het hof acht daarom aangewezen om aan die veroordeling nadere dwangsommen te verbinden. Het hof acht echter het door [appellant] gevorderde maximumbedrag vooralsnog niet gerechtvaardigd. Het hof zal [geïntimeerde] veroordelen tot betaling van een nadere dwangsom van € 100,-- voor iedere dag dat [geïntimeerde] na betekening van het onderhavige arrest in gebreke blijft om te voldoen aan de bij het arrest van 6 februari 2024 uitgesproken veroordeling om álle overhangende takken die boven het perceel van [appellant] hangen te snoeien en teruggesnoeid te houden. Het hof zal daarbij tevens bepalen dat boven een nader bedrag van € 2.500,-- geen verdere dwangsommen worden verbeurd. 3.7.
  42. Het bovenstaande brengt mee dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van vordering II in reconventie. Over de proceskosten van het geding bij de voorzieningenrechter 3.
  43. Uit het bovenstaande volgt dat [geïntimeerde] in conventie en in reconventie de grotendeels in het ongelijk gestelde partij is. Het hof zal het beroepen vonnis daarom ook vernietigen voor zover het betreft de veroordeling van [appellant] in de proceskosten in conventie en in reconventie. Het hof zal, in zoverre opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] veroordelen in de proceskosten van het geding in conventie en in reconventie bij de voorzieningenrechter, en die kosten begroten op de hierna onder “
  44. De uitspraak” te vermelden bedragen. Conclusie en afwikkeling 3.9.
  45. Het bovenstaande brengt mee dat het beroepen kortgedingvonnis in zijn geheel vernietigd moet worden. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, beslissen zoals hieronder te vermelden. 3.9.
  46. Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof zal die kosten aan de zijde van [appellant] vaststellen op: Explootkosten € 136,72 Griffierechten € 349,-- Salaris advocaat € 1.821,-- (anderhalf punt x tarief II) Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.484,-- 3.9.
  47. Uit het bovenstaande volgt onderstaande uitspraak. 4De uitspraak Het hof: vernietigt het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/331263 / KG ZA 24-186 tussen partijen gewezen kortgedingvonnis van 18 juli 2024 in conventie en in reconventie; opnieuw rechtdoende in conventie en in reconventie: wijst de vordering van [geïntimeerde] in conventie af; veroordeelt [geïntimeerde] in reconventie om aan [appellant] € 2.500,-- te betalen aan in maart en april 2024 verbeurde dwangsommen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van de datum van dit arrest; veroordeelt [geïntimeerde] in reconventie tot betaling van een nadere dwangsom van € 100,-- voor iedere dag dat [geïntimeerde] na betekening van het onderhavige arrest in gebreke blijft om te voldoen aan de bij het arrest van 6 februari 2024 uitgesproken veroordeling om álle overhangende takken die boven het perceel van [appellant] hangen te snoeien en teruggesnoeid te houden, en bepaalt dat [geïntimeerde] boven een nader bedrag van € 2.500,-- geen verdere dwangsommen meer verbeurt; - veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding bij de voorzieningenrechter en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] op € 320,-- aan griffierecht, op € 715,-- aan salaris advocaat in conventie en op € 357,50 aan salaris advocaat in reconventie; veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het hoger beroep ten bedrage van € 2.484,--, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening; verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.B. Smits en J.K.B. van Daalen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 mei
  48. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.