← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:155

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 23 januari 2025 Zaaknummer : 200.345.262/01 Zaaknummer eerste aanleg : 11040132 \ OV VERZ 24-16 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna ook te noemen: [appellant] , advocaat: mr. S.L. Smits-Emons te Echt, gemeente Echt-Susteren, tegen [verweerster] , gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster, hierna ook te noemen: de [verweerster] , advocaat: mr. D.P. van Straten te ‘s-Gravenhage. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van 27 juni 2024 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, waarbij het verzoek van [appellant] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is afgewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met één bijlage (nr. 8 en het procesdossier uit eerste aanleg), ingekomen ter griffie van dit hof op 28 augustus 2024, heeft [appellant] het hof verzocht om de beschikking van de rechtbank Limburg van 27 juni 2024 geheel of gedeeltelijk te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van [appellant] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor alsnog gegrond te verklaren en toe te wijzen, zulks onder veroordeling van de [verweerster] in de kosten van de procedure in beide instanties. 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van dit hof op 21 oktober 2024, heeft de [verweerster] het hof – kort weergegeven – verzocht het beroep van [appellant] ongegrond te verklaren en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] , voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding in beide instanties te vermeerderen met de wettelijke rente. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 december 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord: [appellant] , bijgestaan door mr. Smits-Emons en mevrouw mr. [arbeidsrechtjurist] (arbeidsrechtjurist) namens de [verweerster] , bijgestaan door mr. Van Straten. 2.4. Het hof heeft verder kennisgenomen van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gehouden op 15 mei 2024 (toegezonden namens appellant bij V6-formulier van 11 oktober 2024) en de inhoud van de op de mondelinge behandeling in hoger beroep door mr. Smits-Emons overgelegde en voorgelezen spreekaantekeningen. 3De beoordeling Feiten 3.1. Het gaat – kort weergegeven – om het volgende. a. [appellant] is per 1 december 2022 bij de [verweerster] in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar, in de functie van beveiligingsmedewerker. De CAO Rijk is op deze arbeidsovereenkomst van toepassing. Artikel 2.1. van de CAO Rijk bepaalt als uitgangspunt dat de werknemer een vaste arbeidsovereenkomst sluit met de werkgever tenzij binnen de wettelijke mogelijkheden een tijdelijke arbeidsovereenkomst wordt gesloten. Eén van de mogelijkheden om een tijdelijke arbeidsovereenkomst aan te gaan is om de geschiktheid voor de functie te beoordelen. Partijen hebben van deze mogelijkheid gebruikgemaakt. In de arbeidsovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende overeengekomen: “1.3 De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd om uw geschiktheid te beoordelen.” De [verweerster] heeft klachten ontvangen van andere medewerkers over het gedrag van [appellant] op de werkvloer. Over deze klachten is op 5 oktober 2023 een gesprek gevoerd tussen de [verweerster] en [appellant] . Bij brief van 10 oktober 2023 heeft de [verweerster] aan [appellant] laten weten dat zijn tijdelijke dienstverband niet is verlengd waardoor het – door enkel tijdsverloop – van rechtswege is geëindigd per 1 december 2023. Vanwege het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst heeft [appellant] zich tot de Geschillencommissie van het Rijk (hierna: de Geschillencommissie) gewend. Op 5 februari 2024 heeft de Geschillencommissie uitspraak gedaan waaruit volgt dat zij van oordeel is dat de [verweerster] in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen en dat zij daarbij binnen de grenzen van de redelijkheid en billijkheid en goed werkgeverschap is gebleven. De Geschillencommissie heeft toegegeven dat het proces dat geleid heeft tot de beslissing over het al dan niet verlengen van de arbeidsovereenkomst wel zorgvuldiger had gekund. Eerste aanleg 3.2. [appellant] heeft de kantonrechter verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten naar, onder meer, de over hem/zijn functioneren ingediende klachten bij de [verweerster] . 3.2.1. De [verweerster] heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen gelet op het feit dat [appellant] onvoldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW heeft bij de toewijzing van het getuigenverhoor en gelet op het feit dat er volgens de [verweerster] sprake is van een zwaarwichtig belang om het verzoek af te wijzen. 3.2.2. De kantonrechter heeft bij beschikking van 27 juni 2024 het verzoek van [appellant] afgewezen bij gebrek aan belang. De kantonrechter heeft het volgende overwogen: “4.2. [appellant] is voornemens om een procedure tegen [verweerster] te starten om primair voortzetting van de arbeidsovereenkomst af te dwingen, dan wel (meer) subsidiair een (billijke/schade)vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever te vorderen. Daarvoor is vereist dat in rechte vast komt te staan dat (

  1. i)[appellant] geschikt is voor de door hem uitgeoefende functie en (
  2. ii)het [verweerster] gehouden is zijn van rechtswege aflopende arbeidsovereenkomst te verlengen en (iii) de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door dit na te laten. De stellingen van [appellant] in het verzoekschrift en hetgeen hij op grond daarvan wenst te bewijzen, beperken zich evenwel ondubbelzinnig tot de vraag of de door drie collega’s over hem geuite klachten juist en terecht zijn. Bij de mondelinge behandeling heeft hij desgevraagd geëxpliciteerd dat hij door middel van het getuigenverhoor wil bewijzen dat de over hem ingediende klachten onjuist en onterecht zijn en dat hij daarvan rectificatie wenst. Dit zijn evenwel geen feiten die tot een beslissing in de zaak kunnen leiden nu daaruit – indien bewezen dat de klachten onterecht en ongegrond zijn – nog niet volgt dat [appellant] geschikt is voor de functie, het [verweerster] gehouden is tot het verlengen van de arbeidsovereenkomst en/of de werkgever verwijtbaar heeft gehandeld. Dat betekent dat niet voldaan is aan de wettelijke vereisten die in gevolge artikel 186 Rv gelden voor toewijzing van het verzoek zodat dit wordt afgewezen bij gebrek aan belang.” Hoger beroep 3.3. [appellant] heeft in zijn beroepschrift – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen feiten zijn aangevoerd die tot een beslissing in de zaak kunnen leiden nu daaruit – indien bewezen wordt dat de klachten onterecht en ongegrond zijn – nog niet volgt dat [appellant] geschikt is voor de functie, de [verweerster] gehouden is tot het verlengen van de arbeidsovereenkomst en/of de werkgever verwijtbaar heeft gehandeld. Daarmee komt de kantonrechter volgens [appellant] tot de onjuiste conclusie dat er niet is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 186 Rv zodat het verzoek ten onrechte bij gebrek aan belang is afgewezen. Volgens [appellant] had de kantonrechter in deze procedure de haalbaarheid van de bodemprocedure niet kunnen c.q. mogen toetsen. [appellant] stelt dat er wel degelijk uit de aangevoerde feiten – indien de klachten onterecht en ongegrond zijn – volgt dat [appellant] geschikt is voor de functie dan wel de [verweerster] gehouden is tot het verlengen van de arbeidsovereenkomst en/of de werkgever verwijtbaar/schadeplichtig heeft gehandeld. [appellant] functioneerde namelijk naar behoren (zie het gespreksverslag van 23 februari 2023). Op grond van artikel 2.1 van de CAO Rijk 2022-2024 wordt na afloop van de periode om de geschiktheid te beoordelen het dienstverband voortgezet voor onbepaalde tijd. Als de onterechte klachten niet waren ingediend, was de arbeidsovereenkomst conform deze CAO volgens [appellant] omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [appellant] wenst daarnaast ook rectificatie van de jegens hem geuite klachten en herstel van de smet die op zijn reputatie is geworpen. 3.3.1. [appellant] wil de volgende getuigen doen oproepen en doen horen: - Zichzelf ( [appellant] ); o Hij kan verklaren over de gang van zaken op de werkvloer, zijn functioneren en het verschil daarin met zijn collega’s. - De heer [betrokkene 1] ; o Hij heeft gelijktijdig met [appellant] en vanwege dezelfde klachten, geen contractverlenging gekregen. Hij kan verklaren over de gang van zaken op de werkvloer en het functioneren van [appellant] . - Mevrouw [betrokkene 2] ; o Zij heeft een klacht tegen [appellant] ingediend op basis waarvan [appellant] geen contractverlenging heeft gekregen. De door haar ingediende klacht is onterecht en onjuist. [appellant] wenst dan ook rectificatie van die klacht. Daarnaast heeft zij andere werknemers bewogen om over dezelfde (onjuiste) zaken een vergelijkbare (onterechte) klacht in te dienen. - De heer [betrokkene 3] ; o Hij heeft ook een klacht tegen [appellant] ingediend. Hij is door mevrouw [betrokkene 2] beïnvloed om een vergelijkbare (onjuiste en onterechte) klacht tegen [appellant] in te dienen zodat zijn contract niet zou worden verlengd. [appellant] wenst ook rectificatie van die klacht en een bevestiging dat mevrouw [betrokkene 2] hem heeft aangespoord tot deze gedraging. 3.3.2. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] hieraan toegevoegd dat hij wel degelijk belang heeft bij het instellen van een vordering tegen de [verweerster] op grond van ernstige verwijtbaarheid/slecht werkgeverschap en tegen zijn voormalige collega’s die ten onrechte klachten over hem hebben ingediend op grond van onrechtmatige daad en artikel 6:167 BW (rectificatie). De [verweerster] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door zonder zorgvuldig onderzoek over te gaan tot het nemen van het zeer ingrijpende besluit om het tijdelijke contract niet te verlengen. De [verweerster] heeft geen waarde gehecht aan de ontkenningen van [appellant] en de juistheid van de ingediende klachten zonder meer tot uitgangspunt genomen. Zonder eerst nader onderzoek te (laten) doen, is het [verweerster] op basis van de klachten het gesprek met [appellant] op 5 oktober 2023 aangegaan. Dat de [verweerster] niet, althans onvoldoende aan waarheidsvinding heeft gedaan blijkt ook uit de uitspraak van de Geschillencommissie waarin is geoordeeld dat het proces zorgvuldiger had gekund. [appellant] is voornemens om in een bodemprocedure schadevergoeding te vorderen op grond van artikel 7:658 BW en/of artikel 7:611 BW, omdat de werkgever niet voldoende zorg heeft gedragen voor een voldoende veilige werkomgeving en [appellant] sinds het betreffende voorval arbeidsongeschikt is. Er is dus sprake van een causaal verband. Volgens [appellant] heeft hij door het verwijtbaar handelen van werkgever schade geleden, zoals inkomensverlies. Vanwege het ernstig verwijtbaar handelen van de [verweerster] kan [appellant] volgens hem ook aanspraak maken op een billijke vergoeding. [appellant] wil ook de heer [betrokkene 4] (Regiomanager Zuid) en mevrouw [betrokkene 5] (HRM adviseur) als getuigen horen over de gang van zaken na de ingediende klachten. Beide personen kunnen volgens [appellant] verklaren over hoe de verklaringen van de betreffende medewerkers tot stand zijn gekomen en welke vragen zij hebben gesteld toen zij met de medewerkers hebben gesproken over hun klachten. Daarnaast wenst [appellant] ook een vordering op grond van onrechtmatige daad en een vordering tot rectificatie in te stellen tegen zijn ex-collega’s die de onwaarheden over hem de wereld in hebben geholpen. Hij heeft daarom belang bij het horen van de betreffende medewerkers. [appellant] is ervan overtuigd dat dan komt vast te staan dat de door hen ingediende klachten onjuist en onterecht waren. Daarmee komt dan de onrechtmatigheid van hun handelen vast te staan en is succes in een bodemprocedure een gegeven. Daarnaast kan volgens [appellant] het door hem middels het getuigenverhoor te verzamelen bewijs bijdragen aan de haalbaarheid van de vordering. 3.4. De [verweerster] heeft zowel bij verweerschrift als tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen het verzoek van [appellant] . Dat verweer komt er – kort weergegeven – op neer dat [appellant] geen belang heeft bij zijn verzoek, omdat hij met de vorderingen op het eerste gezicht geen succes kan hebben in een procedure. Als [appellant] erin zou slagen om te bewijzen dat de klachten/signalen die de oud-collega's over hem hebben ingediend/geuit, onterecht zouden zijn ingediend/geuit, dan betekent dat niet dat de [verweerster] gehouden zou zijn geweest om de arbeidsovereenkomst met [appellant] voort te zetten. Het was aan de [verweerster] om te beoordelen of [appellant] geschikt is gebleken voor de functie en de [verweerster] komt op dit punt een ruime beoordelingsvrijheid toe. Evenmin betekent een dergelijke uitkomst van het verzochte voorlopig getuigenverhoor dat daaruit volgt dat de [verweerster] bij het laten eindigen van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ernstig verwijtbaar of niet als een goed werkgever zou hebben gehandeld. Daarnaast stuit het verzoek volgens de [verweerster] af wegens een ander zwaarwichtig bezwaar. [appellant] heeft na het gesprek van 5 oktober 2023 met de [verweerster] één van de collega's een WhatsApp-bericht gestuurd dat door die vrouwelijke collega als zeer onprettig en dreigend is ervaren en die hierdoor angstig is geworden. Wanneer zij alsnog in deze kwestie zou moeten getuigen, wordt dit gevoel bij haar alleen maar versterkt. Gelet op de zeer zwakke rechtspositie van [appellant] in een eventuele procedure, dient het belang van [appellant] bij het houden van het verzochte getuigenverhoor minder zwaar te wegen, dan het zwaarwegende belang van de desbetreffende oud-collega('
  3. s)om weer met [appellant] te worden geconfronteerd met alle gevolgen van dien. 3.5. Het hof komt tot de volgende beoordeling. 3.5.1. Bij de beoordeling moet voorop worden gesteld dat een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, slechts kan worden afgewezen op de grond dat de verzoeker daarbij geen belang heeft (artikel 3:303 BW), dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt (artikel 3:13 BW), dat het strijdig is met een goede procesorde, dan wel dat het moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar (vergelijk HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1105, r.o. 3.2 en HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1112, r.o. 3.2.2-3.2.4). 3.5.2. Met inachtneming van voornoemde maatstaf is het hof van oordeel dat het verzoek van [appellant] tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor moet worden toegewezen. Het hof licht dit toe. 3.5.3. [appellant] heeft in het verzoekschrift de aard en het beloop van de vordering in de eventueel te beginnen hoofdzaak tegen de [verweerster] voldoende vermeld en het is het hof voldoende duidelijk geworden op welk feitelijk gebeuren het door [appellant] gewenste verhoor betrekking zal hebben en waarom de te horen getuigen hierover (mogelijk) kunnen verklaren. 3.5.4. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] ook belang bij zijn verzoek. [appellant] stelt namelijk dat hij schade lijdt door het onzorgvuldig handelen van de [verweerster] en de wijze waarop de [verweerster] met hem om is gegaan en hij wil deze schade verhalen op grond van artikel 7:658 BW en/of artikel 7:611 BW. Ook stelt [appellant] mogelijk aanspraak te kunnen maken op een billijke vergoeding vanwege het volgens hem ernstig verwijtbaar handelen van de [verweerster] ten aanzien van het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst. Met het verzochte getuigenverhoor wil [appellant] zijn proceskansen kunnen inschatten. De uitkomst van het voorlopig getuigenverhoor zal volgens [appellant] bijdragen aan het kunnen inschatten van de proceskansen en de beoordeling om al dan niet een procedure te starten. Het hof is van oordeel dat niet op voorhand gezegd kan worden dat deze schadevordering geen enkele kans van slagen heeft in een hoofdzaak. Het oordeel over die vordering laat het hof daarom over aan de rechter die zich daar in een mogelijke hoofdzaak over zal gaan buigen. Het hof gaat daarom voorbij aan de stelling van de [verweerster] dat [appellant] geen belang heeft bij het verzochte getuigenverhoor. 3.5.5. Daarnaast is van belang dat het houden van een voorlopig getuigenverhoor niet in de weg staat aan (de voortgang van) de hoofdzaak, omdat er thans nog geen hoofdzaak aanhangig is. [appellant] zal de uitkomsten van het door hem verzochte getuigenverhoor dus kunnen meenemen bij het opstellen van de dagvaarding indien hij besluit een procedure aanhangig te maken. Van strijd met de goede procesorde is dan ook niet gebleken. Ook van misbruik van recht of van een ander zwaarwichtig belang tegen het houden van het verzochte getuigenverhoor is het hof niet gebleken. De stelling van de [verweerster] dat sprake is van een ander zwaarwichtig belang in verband met de belangen van de oud-collega’s van [appellant] , maakt dat niet anders. Doordat deze oud-collega’s klachten hebben ingediend en daarover verklaringen hebben afgelegd, hebben zij zich naar het oordeel van het hof blootgesteld aan de mogelijkheid dat zij daarover in een procedure onder ede kunnen worden bevraagd. Bovendien heeft de [verweerster] onvoldoende feitelijk onderbouwd dat het gehoord worden als getuige tot onevenredige belasting voor de betreffende getuige(
  4. n)zou leiden. 3.5.6. Voor zover [appellant] deze oud-collega’s ook wil horen in verband met de mogelijke schadeclaim die hij in vervolg op de gestelde aansprakelijkheid van de [verweerster] eventueel zou willen instellen tegen die voormalige collega’s, overweegt het hof allereerst dat die getuigen in dit verband mogelijk (alsdan) de status hebben van partijgetuigen. Ten tweede merkt het hof hierbij op, dat het onderhavige verzoek zich niet richt tegen bedoelde ex-collega’s. Anders gezegd: zij zijn geen partij in deze procedure. Of en hoeverre een eventuele procedure tegen een of meer ex-collega’s enige kans van slagen zou hebben ligt daarom niet ter beoordeling door het hof voor. 3.5.7. Omdat het verzoek van [appellant] ook aan alle formele vereisten voor toewijzing van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor voldoet in de zin van artikel 187 lid 3 Rv, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en het verzoek dan ook toewijzen zoals nader in het dictum omschreven. Proceskosten 3.6. Het hof zal de [verweerster] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het proces in eerste aanleg en van de proceskosten in dit hoger beroep conform het gebruikelijk gehanteerde liquidatietarief (tarief II). Het hof zal, zoals verzocht, de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren. 4De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking waarvan beroep; verwijst de zaak naar de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, voor het alsnog houden van het voorlopig getuigenverhoor als door [appellant] verzocht; veroordeelt de [verweerster] in de proceskosten van de eerste aanleg, te weten € 87,00 aan griffierecht en € 541,00 aan salaris advocaat; veroordeelt de [verweerster] in de proceskosten van dit hoger beroep, en begroot die kosten overeenkomstig het liquidatietarief tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 349,= voor griffierecht en € 2.428,= voor salaris advocaat en verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.I.M.W. Bartelds, R.R.M. de Moor en R.L.G. Kraaijvanger en is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.