GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 5 juni 2025 Zaaknummer: 200.348.882/01 Zaaknummer eerste aanleg: 10766992 OV VERZ 23-8000 in de zaak in hoger beroep van: [de rechthebbende] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de rechthebbende, advocaat: mr. M. Özgül, Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt: [B.V.] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de bewindvoerder, [de broer] , wonende te [woonplaats] , de broer van de rechthebbende. Deze zaak gaat - in het kort - over de vraag of het meerderjarigenbewind van de rechthebbende kan worden opgeheven. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 11 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.
- De rechthebbende heeft bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 9 december 2024, hoger beroep ingesteld. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de rechthebbende zijn verzoek aangepast en aangevuld. Thans wordt verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen en te bepalen dat het bewind met ingang van 1 mei 2025 wordt opgeheven dan wel een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht. In het geval het hof een zogenoemd zelfredzaamheidstraject op zijn plaats acht, verzoekt de rechthebbende om de behandeling van de onderhavige zaak in afwachting van het verloop van dit traject aan te houden. 2.
- De bewindvoerder heeft verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 april
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: de rechthebbende, bijgestaan door mr. Özgül; de bewindvoerder, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] . 2.3.
- De broer van de rechthebbende is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet naar de mondelinge behandeling gekomen. 2.
- Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: de reactie van de bewindvoerder (met bijlagen), ingekomen op 28 februari 2025; het emailbericht (met bijlagen) van de advocaat van de rechthebbende, ingekomen op 25 april
- 3De beoordeling De feiten 3.
- Bij beschikking van 21 april 2022 heeft de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, een tijdelijk bewind ingesteld voor de duur van vijf jaren over de goederen die [de rechthebbende] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, omdat sprake was van verkwisting of problematische schulden. [B.V.] B.V. is benoemd tot bewindvoerder. De procedure in eerste aanleg 3.
- De rechthebbende heeft bij verzoekschrift van 9 februari 2024 verzocht om opheffing van het bewind. 3.
- Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter van de rechtbank dit verzoek van de rechthebbende afgewezen. De procedure in hoger beroep 3.
- De rechthebbende kan zich met de beslissing van de kantonrechter niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De standpunten 3.
- De rechthebbende voert, samengevat, het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte zijn verzoek tot opheffing afgewezen en heeft ten onrechte geoordeeld dat het bewind noodzakelijk is. De rechthebbende heeft destijds zelf verzocht om de instelling van een meerderjarigenbewind, omdat hij kampte met een hoge schuldenlast. Door tussenkomst van zijn bewindvoerder is hij aangemeld bij een schuldsaneringstraject van de gemeente [gemeente] . Inmiddels, na 18 maanden, is dit traject beëindigd en is hij schuldenvrij. Verder heeft de rechthebbende een baan met een vast contract. Ook is zijn leven in een rustig vaarwater terecht gekomen. De noodzaak om het bewind voort te zetten is er niet meer en daarom verzoekt hij opheffing daarvan per 1 mei
- Hij is ervan overtuigd dat hij inmiddels zelf weer in staat is om zijn financiën te beheren en wijst erop dat er ook geen sprake meer is van verkwisting. Indien nodig kan hij hulp vragen aan een boekhouder (de heer [boekhouder] ). Hij is het niet eens met de bewindvoerder dat het volgen van een zelfredzaamheidstraject nodig is voordat het bewind kan worden beëindigd. Hij heeft moeite met de belerende toon die hij ervaart vanuit de bewindvoerder. De rechthebbende wil zelf weer het beheer over zijn geld hebben en wil niet langer een vergoeding betalen voor de kosten van de bewindvoerder. Omdat hij niet meer in aanmerking komt voor bijzondere bijstand betaalt hij de kosten van de bewindvoerder zelf. Ingeval het hof alsnog een zelfredzaamheidstraject nodig acht, verzoekt de rechthebbende het hof de onderhavige zaak aan te houden in afwachting van het verloop van dit traject. 3.
- De bewindvoerder voert, samengevat, aan dat de noodzaak voor het meerderjarigenbewind nog bestaat. De bewindvoerder wijst erop dat andere door de rechthebbende zelfstandige aangegane schuldhulpverleningstrajecten in het verleden bij hem niet hebben geleid tot financiële stabiliteit. Het schuldhulpverleningstraject dat medio april 2025 is afgerond, is aangegaan onder de voorwaarde van het voortduren van het meerderjarigenbewind gedurende het traject. Zonder het bewind zou dit traject voortijdig zijn beëindigd. De bijstand door een financieel adviseur is niet genoeg. Deze kan niet ingrijpen wanneer de rechthebbende niet mee wil werken aan gemaakte afspraken. De bewindvoerder benadrukt dat een zelfredzaamheidstraject na afloop van het schuldsaneringstraject van belang is met het oog op het voorkomen van nieuwe schulden. De bewindvoerder benadrukt eveneens dat dit standpunt voortkomt uit bezorgdheid vanwege de nog steeds bestaande (financiële) kwetsbaarheid van de rechthebbende. In dat kader acht de bewindvoerder voortzetting van het bewind van belang. De motivering van de beslissing 3.
- Het hof komt tot de volgende beoordeling. 3.7.
- Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van: a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel; b. verkwisting of het hebben van problematische schulden. 3.7.
- Ingevolge artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve. 3.7.
- Uit de beschikking van de kantonrechter van 21 april 2022 volgt dat het bewind op eigen verzoek van de rechthebbende is ingesteld, omdat hij als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden tijdelijk niet in staat was zelf ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Vast staat dat de rechthebbende in een turbulente periode in zijn leven als gevolg van zijn echtscheiding en het overlijden van zijn moeder, financiële problemen had. Hij had samen met zijn ex-echtgenote een schuldenlast van € 55.000,
- 3.7.
- Het hof is op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep van oordeel dat de rechthebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat genoemde grond voor het bewind inmiddels is komen te vervallen. De rechthebbende voert aan dat hij zijn leven weer op de rit heeft, hij schuldenvrij is en hij zelf zijn financiën kan beheren. Duidelijk is echter dat dat juist dankzij de bestreden beschikking is. Immers, wanneer zijn bewind in eerste aanleg zou zijn beëindigd zou als gevolg daarvan het traject bij de gemeente [gemeente] zijn gestopt en had dit traject niet succesvol kunnen worden afgerond per 10 april
- Daarbij komt dat er nog steeds zorgen zijn over de financiële situatie van de rechthebbende. Uit het overgelegde emailbericht van 10 april 2025 van schuldbemiddeling [gemeente] aan de bewindvoerder blijkt dat de rechthebbende zeer recent nog, namelijk in de periode december 2024 tot medio maart 2025, online heeft gegokt. De rechthebbende heeft in die maanden een groot deel van zijn leefgeld (van € 490,00 per maand) ingezet voor zogenoemd ‘day trading’. Desgevraagd heeft de rechthebbende dit tijdens de mondelinge behandeling bevestigd. Dat hij zich bewust was van het risico en dat hij zich daarna ter bescherming van zichzelf bij het zogenoemde ‘CRUKS’ (Centraal Register Uitsluiting Kansspelen) had aangemeld neemt de ernst van dit feit niet weg. Verder is gebleken dat de rechthebbende recent regelmatig om extra bijdragen aan de bewindvoerder vroeg en daarnaast nog geld leende bij vrienden. Zo verklaarde de rechthebbende tijdens de mondelinge behandeling dat hij geen geld had om het vervoer naar het hof te betalen en dat hij daarvoor geld moest lenen, terwijl bleek dat hij de week voor de zitting nog een extra bijdrage via de bewindvoerder had ontvangen van € 150,
- Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de grond voor het bewind nog onverkort aanwezig is. Het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind per 1 mei 2025 wordt daarom afgewezen. Dat het bewind gepaard gaat met kosten die op het inkomen van de rechthebbende drukken kan niet tot een ander oordeel leiden. 3.7.
- Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken begrijpt het hof dat de rechthebbende in de afgelopen jaren aan zichzelf heeft gewerkt en veel positieve stappen heeft gezet. Zo heeft hij een vaste baan en de zorg voor zijn zoontje in het kader van een co-ouderschapsregeling. Het hof adviseert de rechthebbende dan ook om de komende tijd te benutten en het zelfredzaamheidstraject, zoals hij dat heeft besproken met de bewindvoerder, aan te gaan en na te komen. Het hof ziet geen aanleiding om in afwachting daarvan de behandeling van de onderhavige zaak aan te houden en wijst erop dat op ieder moment door rechthebbende en/of de bewindvoerder een nieuw verzoek tot opheffing kan worden gedaan. De slotsom 3.
- Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen. 4De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 11 september 2024; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens, K.A. Boshouwers en is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.